Prehistorie in China

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

(Doorverwezen vanaf China (prehistorie))
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van China
Geschiedenis van China
de traditioneel als legitiem beschouwde dynastieën zijn vet gedrukt
Chinese
Prehistorie
Mythische Tijd
Xia-dynastie
Shang-dynastie
Zhou-dynastie
Qin-dynastie
Han-dynastie
Jin
Zuidelijke en Noordelijke Dynastieën
Tang-dynastie
 
Republiek China (Taiwan)
Orakelbotten uit de Shang-dynastie
Orakelbotten uit de Shang-dynastie

De prehistorie in China begint volgens de gangbare betekenis van het begrip prehistorie met de eerste menselijke bewoning en duurt tot het moment dat schriftelijke bronnen uit die tijd beschikbaar zijn.

Inhoud

[bewerk] Het begrip 'Chinese prehistorie'

[bewerk] Vloeiende periodebegrenzing

De gangbare betekenis van het begrip prehistorie leidt voor China tot een vloeiende periodebegrenzing. De oudste Chinese schriftelijke bronnen dateren van de 14e eeuw v.Chr. Zij bestrijken slechts het laatste gedeelte van de periode die traditioneel geldt voor de Shang-dynastie en zijn geografisch beperkt tot Yinxu, het gebied rond het huidige Anyang. Dat was het religieuze en mogelijk ook politieke centrum van de laatste drie eeuwen van de Shang-dynastie. De inhoud van de gevonden schriftelijke bronnen is beperkt tot korte mededelingen op orakelbotten, pantsers van schildpadden en bronzen vaten. Nog steeds zijn niet alle karakters ontcijferd. Dit geldt met name voor geografische benamingen of namen van stammen en volkeren. Zo blijft men, ondanks de vondst van schriftelijke bronnen, ook voor de periode na 1400 v.Chr., afhankelijk van archeologisch onderzoek. Dit geldt zeker voor die gebieden waar geen schriftelijke bronnen zijn gevonden, maar blijft door de aard van de schriftelijke bronnen ook gelden voor Yinxu zelf. Alleen zo kan een zuiver historisch beeld worden opgebouwd. Deze situatie loopt door tot ongeveer 200 v.Chr. Pas vanaf dat moment kunnen contemporaine schriftelijke bronnen en archeologie elkaar op gelijkwaardige wijze aanvullen.

[bewerk] Wisselwerking tussen archeologie en traditie

Er bestaat een wisselwerking tussen (Chinese) archeologie en de Chinese historische traditie. Hoewel er geen schriftelijke bronnen uit de tijd voor 1300 v.Chr. beschikbaar zijn, werd er vanaf 200 v.Chr. in China wel voortdurend over de betreffende periode geschreven. Zo ontstonden historische werken met gebeurtenissen die werkelijk hadden plaats gevonden en tot die tijd mondeling waren overgeleverd. Andere gebeurtenissen werden, vaak pas eeuwen later, herschreven in contemporaine termen of zijn zelfs bedacht. Zij werden causaal met elkaar verbonden en vervolgens in de tijd teruggeprojecteerd. De historische werken bleef men voortdurend bewerken en van commentaar voorzien, omdat ze vooral dienden als voorbeeld voor de functionarissen van dat moment. Na de val van het Keizerrijk raakte men binnen China verdeeld over de betrouwbaarheid van de bronnen over de oudste Chinese geschiedenis. Onder invloed van de 19e eeuwse westerse tekstkritiek ontstond er in China een richtingenstrijd tussen een School van het Geloof in de Oudheid (xingupai 信古派) en een veel sceptischer School van de Twijfel aan de Oudheid (yigupai 疑古派), onder leiding van Gu Jiegang.

Het aan het begin van de 20e eeuw door Europeanen begonnen archeologische onderzoek bevestigde het bestaan van de Shang-dynastie. De overgeleverde lijst van koningen werd tot dat moment door westerse wetenschappers als een myhte beschouwd. Er volgde een omslag over het denken over de Chinese tradities. Binnen China werd het 'Geloof in de Oudheid' weer sterker. Ook westerse historici sloten de mogelijkheid niet meer uit dat, net als bij de Shang, ook het bestaan van de Xia archeologisch kon worden aangetoond. Men bleef echter twijfelen aan de historiciteit van de periode van de Drie Verhevenen en de Vijf Keizers. Chinese historici daarentegen blijven ook wat betreft die periode uitgaan van een primaat van de traditionele schriftelijke bronnen.

[bewerk] Sinocentrisme in de Chinese archeologie

Alle gebeurtenissen uit de [[Traditionele Chinese opvatting over de oudste Chinese geschiedenis |mythische tijd]] hadden volgens de traditionele Chinese historiografie plaatsgevonden in de Centrale Vlakte (中原, Zhongyuan). Dit was de vallei van de Gele Rivier in noordwest Henan en zuidwest Shanxi en het dal van de Wei-rivier (渭河, Weihe) in Shaanxi. Volgens de traditionele visie had de Chinese beschaving zich vanuit dit gebied verspreid naar de randgebieden (center-to-periphery diffusion). De ontdekking van de Yangshaocultuur rond 1920 leek deze vorm van Sinocentrisme te bevestigen. Toen begin jaren dertig de Longshancultuur in het oostelijk kustgebied van Shandong werd ontdekt, moest die visie enigszins worden aangepast. De historicus Fu Sinian (傅斯年, 1896-1950) ontwikkelde 'de hypothese van de Yi in het oosten en de Xia in het westen' (Yi Xia dongxi shuo, 夷夏東西說). Hierin werd de oudste Chinese bevolking verdeeld in twee groepen, een oostelijke (Dong)Yi groep en een westelijke Xia groep. Deze theorie werd verder uitgewerkt door Liang Siyong. Volgens hem zou de, toen pas ontdekte Yangshaocultuur zijn ontwikkeld door de westelijke Xia en de, eveneens net ontdekte Longshancultuur door de oostelijke (Dong)Yi. Dit bleef tot in de vijftiger jaren de geldende theorie voor de Chinese prehistorie, zowel voor Chinese als voor westerse historici.

Kwang-chih Chang (1931-2001)
Kwang-chih Chang (1931-2001)

Rond 1960 kwam uit onderzoek naar voren dat de Longshancultuur was voortgekomen uit de Yangshaocultuur, zodat beide culturen niet naast elkaar hebben kunnen bestaan. Toen werd door K.C. Chang, auteur van het (nog steeds) invloedrijke handboek The Archaeology of Ancient China, de 'theorie van het kerngebied' (nuclear area hypothesis) ontwikkeld. De Yangshaocultuur was de oudste Chinese cultuur en is ontstaan in de Centrale Vlakte. Uit die cultuur ontwikkelde zich de Longshancultuur, die zich vervolgens naar het oostelijk kustgebied verspreidde. De 'Centrale Vlakte' behield zijn unieke positie, zodat ook deze interpretatie paste binnen het Sinocentrisme dat in de Chinese archeologie werd gehanteerd.

Pas toen vanaf het begin van de jaren tachtig ook de randgebieden systematische archeologisch werden onderzocht, bleek dit Sinocentrisme onhoudbaar. Zo bleek dat veel van de gevonden artefacten ouder waren dan die afkomstig van de Centrale Vlakte. Ook waren ze vaak kwalitatief beter of weken artistiek volledig af van de vondsten uit de Vlakte. In 1981 werd de theorie van het kerngebied dan ook verlaten. Toen publiceerde Su Bingqi (蘇秉琦, 1909-1997) de hypothese van de 'de regionale systemen en de culturele categorieën' (quxi leixing, 區系類型). Hij onderscheidde daarbij zes regionale systemen, die hij elk weer onderverdeelde in een aantal culturele subsystemen. Weliswaar bleef de Centrale Vlakte belangrijk voor de ontwikkeling van de Chinese cultuur, maar in de nieuwe theorie was geen sprake meer van een eenzijdige beïnvloeding in de richting van de randgebieden. Regionale culturen ontwikkelden zich langs eigen wegen met specifiek voor die culturen geldende kenmerken. Wel bleef er sprake van beïnvloeding, maar die was steeds wederzijds. Daarbij waren de contacten tussen de regionale culturen onderling zeker zo belangrijk als die met de Centrale Vlakte. Su Bingqi vergeleek zijn theorie in 1999 met 'een met sterren bezaaide hemel' (mantian xingdou, 满天星斗). De latere Chinese beschaving was het resultaat van een voortdurende wisselwerking tussen een aantal gelijkwaardige regionale culturen. K.C. Chang bouwde hierop voort door de introductie van het begrip Chinese interaction sphere in 1986. Volgens hem hadden de belangrijkste regionale culturen elkaar dusdanig beïnvloed dat er rond 3000 v.Chr. een culturele eenheid was ontstaan. Die eenheid mocht vanaf dat moment China worden genoemd.

Toch bestaat er in de Chinese archeologie nog steeds een vorm van Sinocentrisme. Culturele beïnvloeding afkomstig van buiten China blijft men zien als niet-relevant. Met China wordt dan steeds het gebied binnen de huidige Chinese landsgrenzen bedoeld. Hoewel bijvoorbeeld Charles Higham aangetoond heeft dat de prehistorische culturen van zuid-China en die van het vasteland van Zuidoost-Azië één geheel vormden, blijft men in China de neolithische en bronstijd-culturen van zuid-China nog steeds geïsoleerd bestuderen. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de strijdwagen of voor culturen gedragen door sprekers van Indo-Europese talen in het uiterste westen van het huidige China.

Voor deze houding kunnen twee oorzaken worden aangegeven. Het was allereerst een reactie op een opvatting die tussen 16e en de eerste helft van de 20e eeuw bij veel westerse wetenschappers had bestaan. Zij waren van mening dat de belangrijkste elementen van de Chinese beschaving niet uit China zelf afkomstig konden zijn. Landbouw, metaalbewerking, aardewerk, astronomie of het schrift waren ontstaan in het oude Egypte, Mesopotamië of het oude India. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd deze visie verlaten. Dit kwam door ideologische factoren zoals de dekolonisatie, maar vooral doordat de visie volledig werd achterhaald door feitelijke archeologische vondsten. De tweede oorzaak is een probleem waar de archeologie als wetenschap in veel landen mee wordt geconfronteerd. Bijna overal wordt de archeologie met staatsmiddelen gefinancierd. Omdat de archeologie veel ruimte laat voor interpretaties, kan staatsinvloed op de archeologie leiden tot theorieën die een nationalistisch ondertoon hebben.

Pas sinds de jaren negentig wordt dit beeld langzaam genuanceerd. Zo schreef de Chinese archeoloog An Zhimin (安治敏, 1924- ) in 1993 dat kennis van het koper en brons China had bereikt via het Tarim-bekken vanuit een 'verder weg gelegen westen' (further west).

[bewerk] Pre-paleolithische vondsten

De orangoetan is de naaste verwant van de Sivapithecus
De orangoetan is de naaste verwant van de Sivapithecus

De oudste in China gevonden fossielen van hominoiden stammen uit het Mioceen en zijn zeven tot acht miljoen jaar oud. Het gaat om resten van de Dryopithecus, maar vooral van de Sivapithecus. Deze aap wordt beschouwd als een voorouder van de Orangoetan. Rond 1980 werden bij Shihuiba (石灰坝) in het Lufeng district van Yunnan een schedel en een onderkaakbeen gevonden. De schedel werd toegeschreven aan de Sivapithecus yunnanensis, het onderkaakbeen aan de Ramapithecus lufengensis. De Ramapithecus werd op dat moment gezien als een gemeenschappelijke voorouder van apen en mensen. Die visie werd later herzien, nu wordt de Ramapithecus beschouwd als de vrouwelijke vorm van Sivapithecus. Omdat de in Shihuiba gevonden fossielen afweken van in Pakistan gevonden Sivapithecus-restanten, kreeg de Chinese variant in 1987 een eigen naam, de Lufengpithecus lufengensis. Sinds de naamswijziging is een discussie ontbrand over de phylogenetische positie van de Lufengpithecus. Hij zou een voorouder kunen zijn geweest van de orangoetan, maar ook, zoals een aantal Chinese wetenschappers blijft beweren, een gemeenschappelijke voorouder van apen en mensen.
Zie voor een afbeelding van schedel en kaakbeen van de Lufengpithecus: [1]

Uit het Plioceen zijn geen hominoide fossielen bekend.

Uit het vroege Pleistoceen zijn fossielen gevonden van een reuzenaap, de Gigantopithecus blacki. Deze hominoide was nauw verwant aan de Sivapithecus. Volgens de Chinese paleontholoog Zhang Yinyun (张银运) leefde deze aap tegelijk met de Homo erectus. Deze uitspraak vormde het begin van een heftige discussie over de begindatum van het paleolithicum in China en daarmee de bijzondere rol die China zou hebben gespeeld bij het ontstaan, de evolutie en de verspreiding van de mensheid.

[bewerk] Paleolithicum

Paleoantropologische en paleolithische vindplaat-sen uit het Mioceen en het vroege Pleistoceen.
Paleoantropologische en paleolithische vindplaat-sen uit het Mioceen en het vroege Pleistoceen.

Op dit moment vormen artefacten uit Renzidong (人字洞), provincie Anhui, de oudste bewijzen van menselijke bewoning. Volgens de meest extreme, maar ook sterk betwiste, datering zijn zij meer dan twee miljoen jaar oud. Deze ouderdom heeft gevolgen voor de op dit moment gangbare theorie, waarbij Homo erectus pas 1,6 miljoen jaar geleden vanuit Afrika naar Azië is getrokken. Gaat men uit van de juistheid van die twee miljoen jaar dan zal die theorie moeten worden aangepast. Mogelijk heeft oost-Azië of China naast Afrika een eigen rol gespeeld bij het ontstaan en de evolutionaire ontwikkeling van de mensheid. Op dit moment wordt deze mogelijkheid in Chinese publicaties sterk benadrukt.

Andere vondsten uit het vroege Pleistoceen (1,8 - 0,8 miljoen jaar geleden) werden gedaan in de jaren dertig. Teilhard de Chardin vond in een rivierbedding bij Nihewan (泥河灣), Hebei een aantal (dierlijke) botresten en een facet-steen en die volgens hem door mensen was bewerkt. Zijn theorie vond toen weinig navolging. Na 1978 is het archeologisch onderzoek in het Nihewan Bekken sterk uitgebreid. De vele artefacten die sindsdien zijn gevonden wijzen erop dat dit gebied reeds in het vroege Pleistoceen door mensen moet zijn bewoond. Fossielen van mensen of mensachtigen zijn er tot nu toe echter niet gevonden.

In 1959 werden in Xihoudu (西後度), Shanxi verbrande botresten en mogelijk bewerkte stenen gevonden. Zij werden gedateerd op 1,8 miljoen jaar. Als deze bewerkingen inderdaad door mensen zijn gedaan, behoort deze vondst tot één van de oudste uit het Chinese paleolithicum.

De opgravingen te Yuanmou (元謀) en later Lantian (藍田) tonen eveneens vroege bewoningsvormen.

Schedel van de Pekingmens in het naar hem vernoemde museum te Zhoukoudian
Schedel van de Pekingmens in het naar hem vernoemde museum te Zhoukoudian

In 1927 zijn in grotten bij Zhoukoudian (nabij Peking) meerdere menselijke fossielen gevonden. De bekendste vondst is de Pekingmens (vroegere wetenschappelijke naam Sinanthropus pekinensis, nu Homo erectus pekinensis). Hij wordt tot de species Homo erectus gerekend die in ieder geval tussen 1.000.000 en 400.000 jaar geleden in China heeft geleefd.

Opgravingen in Dali hebben menselijke fossielen opgeleverd die tussen de 200.000 en 90.000 jaar oud zijn. Zij verkeren in zeer slechte staat, maar zouden desondanks kenmerken van zowel de Homo erectus als de Homo sapiens bezitten. Volgens de enkele-oorspronghypothese zou Homo sapiens zich ongeveer 200.000 jaar geleden vanuit Afrika over de wereld hebben verspreid. Naar aanleiding van onder meer de in Dali gedane vondsten ontstond een nieuwe afstammingstheorie. Volgens dit multiregionale model heeft Homo sapiens zich tegelijkertijd op verschillende plaatsen in de wereld ontwikkeld uit daar reeds aanwezige species Homo erectus en heeft er vervolgens een vermenging plaats gevonden. Voor de periode tussen 90.000 en 30.000 jaar is er tot nu toe in China echter geen enkel menselijk fossiel gevonden. Verder vertonen de in Dali gevonden fossielen weliswaar kenmerken van de Homo sapiens, maar geen enkel modern Chinees anatomisch kenmerk. Dit in tegenstelling tot fossielen jonger dan 30.000 jaar, die die kenmerken wel bezitten. Dit zou weer kunnen betekenen dat Homo sapiens, komende van elders, zich tussen 90.000 en 30.000 jaar geleden in China heeft gevestigd. Beide theorieën hebben dan ook hun aanhangers.

[bewerk] Neolithicum

Veranderingen in de gemiddelde temperatuur van Oost-China gedurende het Holoceen. Betekenis cijfers: 1 = Maximum laatste Glaciaal 2 = Jonge Dryas 3 = Holoceen Optimum 4 = 'Gebeurtenis' van 6200 v.Chr. 5 = Maximum Midden Holoceen
Veranderingen in de gemiddelde temperatuur van Oost-China gedurende het Holoceen.
Betekenis cijfers:
1 = Maximum laatste Glaciaal
2 = Jonge Dryas
3 = Holoceen Optimum
4 = 'Gebeurtenis' van 6200 v.Chr.
5 = Maximum Midden Holoceen

[bewerk] Veranderingen in het klimaat en de natuurlijke omgeving

Rond 14.000 v. Chr eindigde voor China het Dali-Glaciaal. De zeespiegel lag op dat moment 110 meter onder het huidige niveau. Japan en Taiwan waren daardoor, net als Sumatra, Java en Borneo verbonden met het vasteland van Azië. Tot 13.000 v.Chr. was het klimaat bijzonder koud. Tussen 11.150 en 10.400 v.Chr. steeg de gemiddelde temperatuur met 7°C. Door het smeltwater afkomstig van de gletsjers steeg de zeespiegel zeer snel. Bij de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen, tussen 10.000 en 8.000 v.Chr., was het verschil nog maar 18 meter en rond 5000 werd het huidige niveau bereikt. Tussen 4000 en 3000 steeg de zeespiegel nog eens vier tot vijf meter, pas daarna trad een daling in. Ongeveer 200 jaar geleden werd het huidige niveau bereikt.

Ondanks de snelle temperatuurstijging was het klimaat rond 11.000 nog steeds kouder en droger dan nu. Het lössgebied van de centraal Chinese vlakte kende een steppe-achtige vegetatie, die bestond uit droogtebestendige heesters, kruidachtigen en grassen. De fauna was van het elaphus-ultima type, waaronder wilde paarden (Przewalskipaard), wilde ezels (equus hemionus), wilde waterbuffels (bubalus wansjocki) en oerossen (bos primigenius). Verder waren er verschillende soorten herten, zoals het reuzenhert (megaloceros ordosianus), Axishert (cervus hortulorum), edelhert en Przewalski gazelle (Procapra przewalskii). Ook het dal van de Yangzi was kouder en droger dan nu. De vegetatie bestond uit naaldbomen en kruidachtigen, de fauna was vergelijkbaar met die van het löss-gebied.

Vegetatie in Oost-China, 4000 v. Chr en de zuidwaartse verschuiving van het front van de zuidoost (Oostaziatische) moesson (wind) resp. 7000, 4000 en 1000 v.Chr.
Vegetatie in Oost-China, 4000 v. Chr en de zuidwaartse verschuiving van het front van de zuidoost (Oostaziatische) moesson (wind) resp. 7000, 4000 en 1000 v.Chr.

Na een koudeperiode die in de geologie bekend staat als de Jonge Dryas (tussen 9000 en 8000 v.Chr.) steeg de gemiddelde temperatuur en ontstond een klimaat dat aanzienlijk warmer en natter was dan nu. De Oost-Aziatische moesson verschoof naar het noorden en zorgde tot in Mantsjoerije en Korea voor veel neerslag. De lösszone en het dal van de Gele Rivier veranderde in een gemengd bosgebied van zomergroen loofwoud en naaldbomen. De flora van het dal van de Yangzi werd subtropisch. Ook de fauna van beide gebieden veranderde. Er kwamen dieren die hoorden bij een warmer en vochtiger klimaat, zoals de bamboe rat, het Chinese waterree, de waterbuffel, Chinese tijger, het Pater-Davidshert en de Chinese alligator. De kustlijn lag veel meer naar het westen, het huidige schiereiland Shandong was een eiland. De Gele Rivier kwam in het huidige centrale deel van Henan uit in de Gele Zee. Door de slibafzettingen van die rivier ontstond allengs een alluviale vlakte, die in het begin nog zeer drassig was. De middenloop van de Yangzi veranderde in een breed gebied van meren, moerassen en hoger gelegen bossen. Nadat de moesson zich vanaf 4000 v. Chr steeds verder in zuidelijke richting had verplaatst, begon rond 3000 vrij abrupt een koelere periode, die doorliep tot ongeveer 750 v.Chr.

[bewerk] Het 'Vroeg-neolithicum', 8000-6000 v.Chr.

In de Chinese archeologie wordt de term 'neolithisch' gebruikt als een vindplaats aan één of meer van de volgende vijf kenmerken voldoet: aanwezigheid van aardewerk, geschuurde of gepolijste stenen werktuigen, een vaste woonplaats, verbouw van gewassen of het houden van dieren. Het begrip 'neolithisch' kreeg in China een ruimere betekenis dan in het westen, omdat de genoemde kenmerken zich in een andere volgorde ontwikkelden en ook omdat de volgorde per regio kon verschillen. Hierdoor bestaan er voor aanduidingen van deelperiodes binnen het neolithicum verschillen tussen westerse publicaties over China en die uit China zelf:

Jaar
v. Chr.
China Westen
8000 Vroeg Neolithicum Mesolithicum
6000 Midden Neolithicum Vroeg Neolithicum
5000 Laat Neolithicum Midden Neolithicum
3000-
2000
Laat Neolithicum/
Chalcolithicum
Laat Neolithicum/
Chalcolithicum

Rond 10.000 v.Chr. bestond er in China een noordelijke en een zuidelijke paleolithische cultuur, de geografische grens werd gevormd door de Qinlingshan (秦嶺山, ook wel Qinbergen). De meest opvallende artefacten van de noordelijke cultuur waren microlieten. Van deze Chinese microlietencultuur zijn inmiddels meer dan 200 vindplaatsten bekend, verspreid over centraal en noord China. De belangrijkste is de Xiachuan-cultuur. De aangetroffen artefacten waren gemaakt van vuursteen of kwartsiet, waren blad-, kegel- of wigvormig en werden gebruikt als schrapers, projectielpunten of als snijvoorwerpen. De Chinese microlietencultuur was verwant met met soortgelijke culturen in Mongolië, Siberië en het noordwesten van Amerika.

Artefacten van de vroeg-neolithische cultuur van zuid-China werden gevonden in kalksteengrotten en overhangende rotsen ten zuiden van de Yangzi en in zuidwest China. In het binnenland leefde de bevolking van jacht en verzamelen, aan de kust leefde men vooral van de vangst van vis, schaal- en schelpdieren. Daar ontstonden (semi)-permanente verblijfplaatsen, vergelijkbaar met de Jomoncultuur in Japan en te herkennen aan grote schelphopen. Door de stijgende zeespiegel zijn de oudste nederzettingen echter verdwenen. Opvallend kenmerk was verder het vroege gebruik van aardewerk, zowel in het binnenland als aan de kust. Er zijn duidelijke overeenkomsten met de Vietnamese Hoabinh-cultuur.

Hoe deze jagers- en verzamelaarsculturen zich tot agrarische gemeenschappen hebben ontwikkeld is nauwelijks bekend. Dit heeft te maken met een hiaat in de archeologische vondsten voor de cruciale periode tussen 8000 en 6000 v.Chr., mede het gevolg van de institutionele organisatie van de Chinese archeologie. Paleolithisch onderzoek viel onder verantwoordelijkheid van de Chinese Academie voor Natuurwetenschappen, terwijl het neolithicum werd bestudeerd onder toezicht van de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen. Door gebrek aan samenwerking werd met name de overgangsperiode tussen beide tijdperken verwaarloosd. Tot nu toe zijn de belangrijkste vindplaatsen voor deze periode Yucanyan (district Dao in Hunan), Xianrendong en Diaotonghuan (beide in district Wannian in Jiangxi) en vooral Nanzhuangtou (district Xushui in Hebei), de enige noordelijke vindplaats uit het vroege Holoceeen. De hier gedane vondsten leverden echter niet meer op dan indirecte aanwijzingen voor de overgang naar sedentaire agrarische gemeenschappen:

  • Stenen gebruiksvoorwerpen en gereedschappen.
In Nanzhuangtou zijn maalstenen of schuurstenen gevonden (mo pan), wat kan duiden op verwerking van verzamelde eetbare wilde planten, maar ze kunnen ook zijn gebruikt voor het maken van andere werktuigen.
  • Aardewerk.
Op drie plaatsen in het noorden en minstens zes plaatsten in het zuiden zijn resten van aardewerk gevonden. De oudste scherven zijn afkomstig van Nanzhuangtou (in Xushui, Hebei) en zijn gedateerd tussen 10.500 en 7500 v.Chr. De gevonden potscherven vormen restanten van kruiken. Zij waren gemaakt van een grove kleibrij, waren zacht en poreus en rood of grijs van kleur. Verder was hoornblende en vermiculiet toegevoegd. De scherven vertonen geen touwversiering, net als die van Jomon (gedateerd 10.500 v Chr).
  • (Semi)-permanente verblijfplaatsen.
Stookplaatsen en askuilen zijn gevonden in Ma’anshan in het Nihewanbekken.
  • Gedomesticeerde dieren.
In Nanzhuangtou zijn botten gevonden van mogelijk tot huisdier gemaakte honden. Het skelet van getemde honden (canis familiaris) onderscheidt zich sterk van hun wilde voorouders, (canis lupis), een kleine wolvensoort die zeer verspreid was gedurende het Pleistoceen. Mogelijk werden de honden niet alleen gebruikt bij de jacht, maar ook als voedsel.
Uit de in Nanzhunagtou gevonden botten van varkens kan niet worden opgemaakt of het om wilde of getemde varkens gaat. Gevonden botten van kippen waren bijna zeker van niet gedomesticeerde exemplaren.
  • Aanwezigheid wilde varianten van latere cultuurgewassen.
Trosgierst (setaria italica)
Trosgierst (setaria italica)
Gierst: twee soorten:
Trosgierst, (setaria italica, 粟, su), afkomstig van de groene naaldaar (setaria viridis, 狗尾草,

gouweicao). Mogelijk drie onanfhankelijke domesticaties: in Centraal Azië (Afghanistan of noordwest Pakistan) en twee maal in China (Xinglonggou in Binnen-Mongolië en de vallei van de Gele Rivier, waar vanaf 6000 v.Chr. vier culturen kunnen worden onderscheiden).

Pluimgierst (Panicum miliaceum)
Pluimgierst (Panicum miliaceum)
Pluimgierst, (Panicum miliaceum, 黍, shu), afstamming onbekend. Meer in de westelijke gebieden, was beter aangepast aan droge, koele hoger gelegen delen, mogelijk voor het eerst gedomesticeerd door de dragers van de Dadiwancultuur in Gansu).
Rijst: Evolutie van de wilde rijstsoort oryza rufipogon (dunne korrels) naar gedomesticeerde oryza japonica (korte, dikke korrels). Mogelijk twee domesticaties in China: middenloop en benedenloop Yangzi.
Uit genetisch onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van oryza japonica uit oryza rufipogon los stond van die van oryza sativa indica uit de wilde variant oryza nivara.
De belangrijkste mesolithische culturen in China rond 6000 v.Chr.
De belangrijkste mesolithische culturen in China rond 6000 v.Chr.

[bewerk] Culturen gebaseerd op verbouw van gierst

In Centraal China kunnen rond 6000 v. Chr drie midden-neolithische culturen worden onderscheiden: de Cishancultuur in Hebei, de Peiligangcultuur, ten zuiden van de Gele Rivier in Henan en de Laoguantaicultuur in de Weishuivallei van Shaanxi. Op dat moment was het klimaat warmer en natter dan tegenwoordig. Er werd gierst (Setaria italica) verbouwd. Men verzamelde vruchten en noten, waaronder de walnoot (Juglans regia) en de hazelnoot (Corylus leteraphylea). Als huisdieren hield men honden en varkens. Verder zijn er grote hoeveelheden botten van het Bankivahoen (Gallus gallus) gevonden. Dit kan betekenen dat men ook pluimvee heeft gehouden.

Of de Bailiandongcultuur in Guangxi kan worden beschouwd als een mesolithische cultuur is onzeker [2]. Mogelijk dat gedurende het neolithicum landbouwers vanuit de Jangtsekiang-vallei naar het zuiden zijn getrokken en hun kennis van de landbouw daar hebben toegepast. Dit zou voor zuid-China een directe overgang van paleolithicum naar neolithicum hebben betekend.

[bewerk] Culturen gebaseerd op verbouw van rijst

De belangrijkste neolithische culturen in China tussen 5000 en 3000 v.Chr.
De belangrijkste neolithische culturen in China tussen 5000 en 3000 v.Chr.

Het vroegste bewijs van proto-Chinese rijstteelt is door koolstof-14-datering gedateerd rond 6000 v.Chr. en wordt geassocieerd met de Peiligangcultuur (裴李崗文化) uit het Xinzheng-gebied (新鄭縣), Henan (河南省). De invoering van de landbouw leidde tot een toename van de bevolking, de mogelijkheid de oogst op te slaan en te herverdelen en ambachten toe te laten. In het laat-neolithicum groeide de Gele Rivier-vallei (黃河) uit tot een cultureel centrum, waar de eerste dorpen gesticht werden.

Er waren silo's voor graanopslag, tamme honden en varkens en er werden gewassen verbouwd zoals kool, jujube, pruimen en hazelnoten. De meeste archeologisch belangrijke vondsten van dezen zijn die te Banpo (半坡), Xi'an (西安). In het 1e millennium v.Chr. begon men tinnen voorwerpen te maken in China.

[bewerk] Regionale neolithische culturen

Hoewel er reeds 11.000 v. Chr aardewerk in China werd geproduceerd, is het voor archeologen pas vanaf 7000 v.Chr. mogelijk om op basis van aardewerk, (landbouw)werktuigen en grafvondsten verschillende regionale neolithische culturen van elkaar te onderscheiden. Tot het begin van de jaren tachtig van de 20e eeuw zag men de culturen van de middenloop van de Gele Rivier als de bakermat van de Chinese beschaving. Die zou zich van daar uit hebben verspreid naar de randgebieden. Nu wordt aangenomen dat regionale culturen zich langs eigen wegen hebben ontwikkeld, elk met specifieke voor die cultuur geldende kenmerken. Uiteindelijk is de Chinese cultuur ontstaan door een proces van wederzijdse beïnvloeding, niet alleen tussen regionale culturen en die van de Centrale Vlakte, maar ook tussen regionale culturen onderling.

In onderstaand schema zijn voor de periode 7000 tot 1500 v.Chr. de belangrijkste neolitische culturen en oudste bronstijd culturen (vanaf 2000 v. Chr, voorzien van *) weergegeven. De datering van de diverse culturen vertoont in de literatuur grote onderlinge verschillen, de hier gekozen jaartallen kan daarom niet meer dan indicatief zijn.

Jaar
(voor Chr.)
Noord-
oost
China
(1)
Noord-
west
China
(2)
Middenloop
Gele Rivier
(Zhongyuan)
(3)
Beneden-
loop
Gele
Rivier
(4)
Beneden-
loop
Jangtsekiang
(5)
Midden-loop
Jangtsekiang
(6)
Sichuan (7) Zuidoost
China
(8)
Zuid-
west
China
(9)
7500     (Nanzhuangtou) (Shangshan) (Xianrendong)      
                 
(?) (?) (?) (?) (?)      
7000           Pengtoushan   Touwbeker-  
          (inclusief   culturen  
          Chengbeixi   (waaronder  
6500   Dadiwan Peiligang Houli   en Zaoshi)   Zengpiyan)  
Xinglongwe Laoguantai Cishan 6500-5500   7000-5800   7000-5500  
6200-5300 = Baijia Jiahu            
6000   6500-5000 Lijiacun   Kuahuqiao        
    6500-5000   6000-5000        
                 
5500                  
      Beixin          
Xinle     5300-4100          
5000 5300-4800 Yangshao 5000-3000   Hemudu Daxi   Dapenkeng  
  (Vroeg Yangshao   5000-3800 5000-3300   5000-3000  
  5000-3500   Majiabang     Fuguodun  
4500 Zhaobaogou -Banpo-fase   5000-3800     5000-3000  
4500-4000 5000-4200 Dawenkou       Keqiutou  
  -Miaodigou-fase 4100-2600       4500-3500  
4000 Hongshan 4200-3500) (Vroeg          
(incl. Fuhe) (Laat Yangshao 4100-3400)          
4000-3000 3500-3000) (midden Songze        
3500     3400-3000) 3800-3200 Qujialing      
    (laat   3500-2600 Yingpanshan    
  Majiayao   3000-2600) Liangzhu   ca 3100?    
3000 Xiaoheyan 3300-2700 Miadigou II   3200-2200     Tanishan  
3000-2500 Banshan 3000-2600     Shijiahe Baodun 3500-2000  
  2700-2400 *Henan- *Shandong-   2500-2000 2800-2000 Shixia  
2500 *Xiajiadian Machang Longshan Longshan   Qinglongquan   3000-2400  
2500-300 2400-2000 2600-2000 2600-2000   = (Hubei-   Fengbitou Baiyangcun
  *Qijia     (?) Longshan)   Nianyuzhuan 2200-2100
2000   2100-1900       2400-2000   Hedang Dalongtan
  *Siba *Erlitou *Yueshi       3000-1000 2100-2000
  1950-1500 1900-1500 1900-1500 *Maqiao        
1500     Xia
dynastie
?
  1800-1200 *Changjiang vanaf 1500

(inclusief Sanxingdui)

   

In de tabel worden de volgende negen geografische gebieden onderscheiden:

  1. Noordoost China: Binnen-Mongolië, Heilongjiang, Jilin en Liaoning.
  2. Noordwest China (de bovenloop van de Gele Rivier): Gansu, Qinghai en het westelijk deel van Shaanxi.
  3. Noordcentraal China (de middenloop van de Gele Rivier): Shanxi, Hebei, het westelijk deel van Henan en het oostelijk deel van Shaanxi. Dit is de 'Centrale Vlakte' (Zhongyuan, 中原), lang beschouwd als het gebied waar de Chinese beschaving is ontstaan en van waar uit ze zich heeft verspreid.
  4. Oost China (de benedenloop Gele Rivier): Shandong, Anhui, het uiterste noorden van Jiangsu en het oostelijk deel van Henan.
  5. Oostzuidoost China (de benedenloop van de Jangtsekiang): Zhejiang en het grootste deel van Jiangsu.
  6. Zuidcentraal China (de middenloop van de Jangtsekiang): Hubei en het noordelijk deel van Hunan.
  7. Sichuan en de bovenloop van de Jangtsekiang.
  8. Zuidoost China: Fujian, Jiangxi, Kanton, Guangxi, het zuidelijk deel van Hunan, de delta van de Rode Rivier in het noorden van Vietnam en het eiland Taiwan.
  9. Zuidwest China: Yunnan en Guizhou.

[bewerk] Bronstijd

[bewerk] Referenties

  • Chang Kwang-chih (1986):, The Archaeology of Ancient China, Yale University Press: New Haven, (Fourth Edition Revised and Enlarged), ISBN 0-300-03784-8
  • Loewe, M. en Shaughnessy E.L.(ed.) (1999):, The Cambridge History of Ancient China. From the Origins of Civilization to 221 B.C., Cambridge University Press: Cambridge, ISBN 0-521-47030-7
  • Higham, C. (1996): The Bronze Age of Southeast Asia, Cambridge University Press, Cambridge, ISBN 0-521-49660-8
  • Li Liu (2004): The Chinese Neolithic. Trajectories to Early States, Cambridge University Press, Cambridge, ISBN 0-521-81184-8
  • Maisels, C.K. (1999): Early Civilizations of the Old World. The Formative Histories of Egypt, The Levant, Mesopotamia, India and China, Routledge, Londen, ISBN 0-415-10976-0
  • Scarre, C. (ed.) (2005): The Human Past. World Prehistory & the Development of Human Societies, Thames & Hudson, Londen, ISBN 0-500-28531-4
hoofdstuk 3, Klein, Richard, 'Hominin Dispersals in the Old World' p.84-123.
hoofdstuk 4, Pettitt, Paul, 'The Rise of Modern Humans', p.144-174.
hoofdstuk 5, Scarre, Chris, 'The World Transformed. From Foragers and Farmers to States and Empires', p.176-200.
hoofdstuk 7, Higham, Charles, 'East Asian Agriculture and Its Impact', p.234-264.
hoofdstuk 15,Higham, Charles, 'Complex Societies of East and Southeast Asia', p.552-594


 
Persoonlijke instellingen
in andere talen