Prehistorie in China
| Prehistorie in China | ||||||
| Naam (taalvarianten) | ||||||
| Traditioneel | 中國史前時代 | |||||
| Vereenvoudigd | 中国史前时代 | |||||
| Hanyu pinyin | zhōngguó shǐqián shídài | |||||
| Jyutping (Standaardkantonees) | zung1 gwok3 si2 cin4 si4 doi6 | |||||
|
||||||
|
Geschiedenis van China de traditioneel als legitiem beschouwde dynastieën zijn vet gedrukt |
||||||
| Chinese Prehistorie |
Mythische Tijd Xia-dynastie |
|||||
| Shang-dynastie | ||||||
| Zhou-dynastie | ||||||
| Westelijke Zhou | ||||||
| Oostelijke Zhou | ||||||
| Lente en Herfst | ||||||
| Strijdende Staten | ||||||
| Qin-dynastie | ||||||
| Han-dynastie | ||||||
| Westelijke Han | ||||||
| Xin-dynastie | ||||||
| Oostelijke Han | ||||||
| Drie Koninkrijken | ||||||
| Shu | ||||||
| Wu | ||||||
| Wei | ||||||
| Jin | ||||||
| Westelijke Jin | ||||||
| Oostelijke Jin | ||||||
| Zestien Koninkrijken | ||||||
| Zuidelijke en Noordelijke Dynastieën | ||||||
| Sui-dynastie | ||||||
| Tang-dynastie | ||||||
| Wu Zhou | ||||||
| Liao | ||||||
| Vijf Dynastieën | Tien Koninkrijken | |||||
| Noordelijke Song | Song-dynastie | |||||
| Jin | Westelijke Xia | Zuidelijke Song | ||||
| Yuan-dynastie | ||||||
| Ming-dynastie | ||||||
| Qing-dynastie | ||||||
| Republiek China | ||||||
| Volksrepubliek China | Republiek China (Taiwan) | |||||
| Portaal Portaal |
||||||
De prehistorie in China begint volgens de gangbare betekenis van het begrip prehistorie met de eerste menselijke bewoning en duurt tot het moment dat schriftelijke bronnen uit die tijd beschikbaar zijn.
Inhoud |
Het begrip 'Chinese prehistorie' [bewerken]
Vloeiende periodebegrenzing [bewerken]
De gangbare betekenis van het begrip prehistorie leidt voor China tot een vloeiende periodebegrenzing. De oudste Chinese schriftelijke bronnen dateren van de 13e eeuw v.Chr. Zij bestrijken slechts het laatste gedeelte van de periode die traditioneel geldt voor de Shang-dynastie en zijn geografisch beperkt tot Yinxu, het gebied rond het huidige Anyang. Dat was het religieuze en mogelijk ook politieke centrum van de laatste drie eeuwen van de Shang-dynastie. De inhoud van de gevonden schriftelijke bronnen is beperkt tot korte mededelingen op bronzen vaten en op orakelbotten in de vorm van schouderbladen van runderen en buikschilden van zoetwaterschildpadden. Nog steeds zijn niet alle karakters ontcijferd. Dit geldt met name voor geografische benamingen of namen van stammen en volkeren. Zo blijft men, ondanks de vondst van schriftelijke bronnen, ook voor de periode na 1300 v.Chr., afhankelijk van archeologisch onderzoek. Dit geldt zeker voor die gebieden waar geen schriftelijke bronnen zijn gevonden, maar blijft door de aard van de schriftelijke bronnen ook gelden voor Yinxu zelf. Alleen zo kan een historisch beeld worden opgebouwd dat niet wordt beïnvloed door de kijk op de geschiedenis uit de tientallen eeuwen later samengestelde historische bronnen. Deze situatie loopt door tot ongeveer 200 v.Chr. Pas vanaf dat moment kunnen contemporaine schriftelijke bronnen en archeologische vondsten met zekerheid aan elkaar worden gekoppeld.
Wisselwerking tussen archeologie en traditie [bewerken]
Er bestaat een wisselwerking tussen (Chinese) archeologie en de Chinese historische traditie. Hoewel er geen schriftelijke bronnen uit de tijd voor 1300 v.Chr. beschikbaar zijn, werd er in China wel voortdurend over de betreffende periode geschreven. Tijdens de late Zhoutijd en onder de Handynastie werden die werken gecodificeerd. Zo ontstonden historische werken over de oudste geschiedenis die bestonden uit overgeleverde gebeurtenissen (die al dan niet werkelijk hadden plaatsgevonden) en causaal met elkaar verbonden werden. Die historische werken werden voortdurend van commentaar voorzien, zodat ze konden blijven dienen als voorbeeld voor functionarissen van dat moment. Zij werden zo bepalend voor het beeld dat men in China over de eigen oudste geschiedenis had.
Na de val van het Keizerrijk in 1912 raakte men binnen China verdeeld over de betrouwbaarheid van die bronnen voor de oudste Chinese geschiedenis. Onder invloed van het aan het begin van de 20e eeuw met westerse technieken begonnen archeologisch onderzoek ontstond er in China een richtingenstrijd tussen een "School van het Geloof in de Oudheid" (xingupai, 信古派) en een veel sceptischer "School van de Twijfel aan de Oudheid" (yigupai, 疑古派), begonnen door Gu Jiegang. De opgravingen van Yinxu bevestigden het bestaan van de Shang-dynastie. De overgeleverde lijst van koningen werd tot dat moment als een mythe beschouwd, zowel door westerse wetenschappers als door de groep historici rond Gu Jiegang. Wat volgde was een omslag over het denken over de Chinese tradities. Binnen China werd het 'Geloof in de Oudheid' weer sterker. Ook westerse historici sloten de mogelijkheid niet meer uit dat, net als bij de Shang, ook het bestaan van de Xia archeologisch kon worden aangetoond. Men bleef echter twijfelen aan de historiciteit van de periode van de Drie Verhevenen en de Vijf Keizers, die vooraf zou zijn gegaan aan de Xia-dynastie. Chinese historici daarentegen blijven ook wat betreft die periode uitgaan van een primaat van de traditionele schriftelijke bronnen. Zij leggen die periode uit als een geschiedenis van clanleiders en de periode van de 'tienduizend staten' (萬國, wan guo). Deze term werd in de traditionele geschiedschrijving gebruikt als omschrijving van de in (ommuurde) dorpen geordende agrarische gemeenschappen van centraal China gedurende de periode van de Vijf Oerkeizers en zou archeologisch gezien samenvallen met de Longshancultuur. Hier lagen volgens hen dan ook de wortels van de Xia-, Shang- en Zhoudynastie.
Unieke positie van de Centrale Vlakte [bewerken]
Alle gebeurtenissen uit de mythische tijd hadden volgens de traditionele Chinese historiografie plaatsgevonden in de Centrale Vlakte, de Zhongyuan. Dit was de vallei van de Gele Rivier in noordwest Henan en zuidwest Shanxi en het dal van de Weirivier in Shaanxi. Volgens de traditionele visie had de Chinese beschaving zich vanuit dit gebied verspreid naar de andere delen van China, die tot dat moment geen noemenswaardige beschaving hadden (center-to-periphery diffusion). De ontdekking van de Yangshaocultuur rond 1920 leek dit de unieke rol van de 'Centrale Vlakte' te bevestigen. Toen begin jaren dertig de Longshancultuur in het oostelijk kustgebied van Shandong werd ontdekt, werd deze opvatting enigszins aangepast. De historicus Fu Sinian (傅斯年, 1896-1950) ontwikkelde "de hypothese van de Yi in het oosten en de Xia in het westen" (Yi Xia dongxi shuo, 夷夏東西說). Hierin werd de oudste Chinese bevolking verdeeld in twee groepen, de oostelijke (Dong)Yi groep en de westelijke Huaxia. Deze theorie werd verder uitgewerkt door Liang Siyong (梁思永, 1904-1954). De Yangshaocultuur zou zijn ontwikkeld door de westelijke Xia en de Longshancultuur door de oostelijke (Dong)Yi. Dit bleef tot in de jaren 1950 het geldende model voor de Chinese prehistorie en werd gevolgd door zowel Chinese als westerse historici.
Rond 1960 kwam uit onderzoek naar voren dat de Longshancultuur niet naast de Yangshaocultuur had bestaan, maar daaruit was voortgekomen. Toen werd door K.C. Chang, auteur van het (nog steeds) invloedrijke handboek The Archaeology of Ancient China, de "theorie van het kerngebied" (nuclear area hypothesis) ontwikkeld. De Yangshaocultuur was de oudste Chinese cultuur en was ontstaan in de Centrale Vlakte. Uit die cultuur ontwikkelde zich de Longshancultuur, die zich vervolgens naar het oostelijk kustgebied verspreidde. De 'Centrale Vlakte' behield ook binnen deze theorie zijn unieke positie.
Toen vanaf de jaren 1970 steeds meer artefacten vaak toevallig werden gevonden in gebieden buiten de 'Centrale Vlakte', bleek het unieke van de 'Centrale Vlakte' onhoudbaar. Zo waren veel gevonden voorwerpen ouder dan die afkomstig van de 'Centrale Vlakte'. Verder waren zij vaak kwalitatief beter of weken artistiek volledig af van de vondsten uit de Vlakte. Dit geldt bijvoorbeeld voor de jaden voorwerpen van de Hongshancultuur in het huidige Binnen-Mongolië en zeker voor de bronzen artefacten van Sanxingdui in het huidige Sichuan. In 1981 werd de theorie van het kerngebied dan ook verlaten. Toen publiceerde Su Bingqi (蘇秉琦, 1909-1997) de hypothese van de "de regionale systemen en de culturele categorieën" (quxi leixing, 區系類型). Hij onderscheidde daarbij zes regionale systemen: de 'Centrale Vlakte' (centraal Shaanxi, zuidelijk Shanxi en westelijk Henan), een noordelijke regio (het Yangebergte en het gebied rond de Chinese Muur), een oostelijke regio (Shandong), een zuidoostelijke regio (rond het Taimeer), een zuidwestelijke regio (rond het Dongtingmeer) en een zuidelijke regio (tussen het Dongtingmeer en de Parelrivier). Elke regio werd weer onderverdeeld in een aantal culturele subsystemen. Weliswaar bleef de 'Centrale Vlakte' voor de ontwikkeling van de Chinese cultuur belangrijk, maar in de nieuwe theorie werd niet meer gesproken van een eenzijdige beïnvloeding richting randgebieden. Regionale culturen hadden zich langs eigen wegen ontwikkeld, met specifiek voor die culturen geldende kenmerken. Wel bleef er sprake van beïnvloeding, maar die was wederzijds. Daarbij waren de contacten tussen de regionale culturen onderling zeker zo belangrijk als die met de Centrale Vlakte. Su Bingqi vergeleek zijn theorie in 1999 met "een met sterren bezaaide hemel" (mantian xingdou, 满天星斗). De latere Chinese beschaving was het resultaat van een voortdurende wisselwerking tussen een aantal gelijkwaardige regionale culturen. K.C. Chang bouwde hierop voort door in 1986 het begrip Chinese interaction sphere te introduceren. Volgens hem hadden de belangrijkste regionale culturen elkaar dusdanig beïnvloed dat er rond 3000 v.Chr. een culturele eenheid was ontstaan. Die eenheid mocht vanaf dat moment Chinese cultuur worden genoemd.
Toch bestaat er in de Chinese archeologie nog steeds een vorm van sinocentrisme. Zo blijft men culturele beïnvloeding afkomstig van buiten China zien als "niet-relevant". Met China wordt dan het gebied binnen de landsgrenzen van de Qing-dynastie bedoeld, toen China zijn grootste omvang had. Hoewel bijvoorbeeld Charles Higham aangetoond heeft dat de prehistorische culturen van zuid-China en die van het vasteland van Zuidoost-Azië één geheel vormden, blijft men in China de neolithische en bronstijd-culturen van zuid-China nog steeds geïsoleerd bestuderen. Hetzelfde geldt voor de ontwikkeling van de strijdwagen of voor culturen gedragen door sprekers van Indo-Europese talen in Sinkiang, het uiterste westen van het huidige China.
Voor deze nationalistische houding kunnen twee oorzaken worden aangegeven. Het was allereerst een reactie op een opvatting die tussen 16e en de eerste helft van de 20e eeuw bij veel westerse wetenschappers had bestaan. Zij waren van mening dat de belangrijkste elementen van de Chinese beschaving niet uit China zelf afkomstig konden zijn. Landbouw, metaalbewerking, aardewerk, astronomie of het schrift waren ontstaan in het oude Egypte, Mesopotamië of het oude India. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd deze visie verlaten. Dit kwam door ideologische factoren zoals de ingezette dekolonisatie, maar vooral doordat de visie volledig was achterhaald door feitelijke archeologische vondsten. De tweede oorzaak is een probleem waar de archeologie als wetenschap in veel landen mee wordt geconfronteerd. Bijna overal wordt de archeologie met staatsmiddelen gefinancierd. Omdat de archeologie veel ruimte laat voor interpretaties, kunnen er onder die staatsinvloed binnen de archeologie opvattingen ontstaan met een nationalistische ondertoon. Zo kreeg in de Volksrepubliek de archeologie impliciet de opdracht de met de huidige staat verbonden cultuur te verklaren, waarbij sinds 1949 als extra randvoorwaarde het schema van het historisch materialisme gold.
Pas in de jaren 1990 ontstond voorzichtig een nuancering. Zo schreef An Zhimin (安治敏, *1924), archeoloog uit de Chinese Volksrepubliek en specialist op het terrein van de prehistorie van Sinkiang in 1993 dat kennis van het koper en brons China had bereikt via het Tarimbekken vanuit een "verder weg gelegen westen (further west). Dit was een eerste erkenning vanuit de Volksrepubliek dat elementen van de Chinese cultuur weleens afkomstig konden zijn van buiten China.
Pre-paleolithicum: Lufengpithecus [bewerken]
De oudste in China gevonden fossielen van hominiden stammen uit het Mioceen en zijn zeven tot acht miljoen jaar oud. Het gaat om een gedeeltelijke onderkaak met enkele zwaarbeschadigde tanden en kiezen van een mensaap, in 1947-1948 gevonden bij het dorp Longjiagou in het district Wudu van de huidige provincie Gansu. Dit fossiel werd echter pas voor het eerst beschreven in 1988 en is toen geclassificeerd als Dryopithecus wuduensis, een nieuwe soort binnen het geslacht Dryopithecus.
In 1957 werd uit Xialongtan in het district Kaiyuan (huidige provincie Yunnan) de vondst vermeld van een aantal fossiele tanden. Zij werden oorspronkelijk toegeschreven aan Dryopithecus keiyuanensis, eveneens een nieuwe soort binnen Dryopithecus, maar in 1965 opnieuw geclassificeerd, nu als Sivapithecus. Deze aap wordt beschouwd als een voorouder van de orang-oetan.
Eind jaren 1970 werden bij Shihuiba in het Lufeng-district van de Autonome Yi Prefectuur Chuxiong, eveneens in Yunnan honderden fossiele tanden, onder- en bovenkaken gevonden, samen met en een complete maar geplette schedel. De grote kaakbotten en de schedel werden toegeschreven aan een nieuwe soort binnen het geslacht Sivapithecus, de Sivapithecus yunnanensis. De kleinere kaakbeenderen zouden toebehoren aan de Ramapithecus lufengensis, een nieuwe soort binnen het geslacht Ramapithicus. Ramapithecus werd op dat moment gezien als een gemeenschappelijke voorouder van apen en mensen. Die theorie werd later herzien; vanaf 1998 wordt Ramapithecus beschouwd als een wijfjes-Sivapithecus, omdat binnen Sivapithecus sprake zou zijn van extreem seksueel dimorfisme. De in Shihuiba gevonden fossielen weken af van in de Siwaliks gevonden Sivapithecus-restanten, zodat de Chinese vondst bij Shihuiba in 1987 een eigen geslachtsnaam kreeg, Lufengpithecus, met als soortnaam Lufengpithecus lufengensis. Tegelijkertijd werden ook de in 1957 in Kaiyuan gevonden fossielen opnieuw geclassificeerd, nu als een nieuwe soort binnen Lufengpithecus, de Lufengpithecus keiyuanensis.
In de jaren 1980 en 1990 werden fossielen opgegraven in het district Yuanmou binnen de Autonome Yi Prefectuur Chuxiong in de provincie Yunnan, 100 km ten noorden van Lufeng. De vondst bestond uit 1500 fossiele tanden, 20 onder- en bovenkaken en de complete schedel van een nog niet volwassen mensaap. De Yuanmou-hominidae werden oorspronkelijk geclassificeerd als twee nieuwe soorten, Ramapithecus hudienensis en Homo orientalis. Met uitzondering van de schedel werden zij in 1987 tot één soort verenigd, Lufengpithecus hudiensis, te beschouwen als een zustersoort van Lufengpithecus lufengensis. De schedel uit de Yuanmou-vondst zou het voorbeeldtype moeten worden van een nieuwe soort, Lufengpithecus yuanmouensis. Zolang de Yuanmou-vondsten nog niet voldoende zijn beschreven, wordt Lufengpithecus yuanmouensis echter beschouwd als een juniorsynoniem voor Lufengpithecus hudienensis, zodat Lufengpithecus uit Yunnan kan worden onderverdeeld in drie soorten.
De naamswijziging naar Lufengpithecus heeft een discussie losgemaakt over de fylogenetische positie van het geslacht Lufengpithecus. Als Lufengpithecus (net als Sivapithecus) wordt gerekend tot de onderfamilie der Ponginae, zijn zij volgens deze taxonomie voorouders van de orang-oetan en niet van de mens. Daarentegen stellen Chinese wetenschappers dat Lufengpithecus een gemeenschappelijke voorouder van apen en mensen is geweest en daarmee wel tot een directe voorouder van de mens moet worden gerekend. Deze stellingname vormde het begin van een in China nog steeds actuele discussie over een eigen rol die China bij het ontstaan, de evolutie en de verspreiding van de mensheid zou kunnen hebben gespeeld.
Uit het vroege Pleistoceen zijn fossielen gevonden van een reuzenaap, Gigantopithecus blacki. Deze hominoide was nauw verwant aan de Sivapithecus. Net als Sivapithecus (en Lufengpithecus) wordt ook het geslacht Giganthopithecus beschouwd als een onderfamilie van de Ponginae en daarmee een voorouder van de orang-oetan. De Chinese paleontoloog Zhang Yinyun (张银运) stelde dat de reuzenaap tegelijkertijd had geleefd met Homo erectus. Deze stelling veroorzaakte een nieuwe discussie, nu over het eerste verschijnen van Homo erectus in China en daarmee over de begindatum van het paleolithicum. Net als bij de discussie over de positie van Lufengpithecus zien Chinese wetenschappers ook bij het eerste verschijnen van Homo erectus een mogelijke eigen rol van China. Belangrijk hierbij waren de (omstreden) dateringen van de archeologische vondsten van Longgupo in het district Wushan van de huidige stadsprovincie Chongqing, van Renzidong in het district Fanchang van de huidige provincie Anhui en de extreem vroege datering van de Jianshimens.
Paleolithicum [bewerken]
Oudste door mensen bewerkte artefacten [bewerken]
Op dit moment vormen artefacten uit Renzidong (人字洞), provincie Anhui, de oudste bewijzen van menselijke bewoning. Volgens de meest extreme, maar ook sterk betwiste, datering zouden zij meer dan twee miljoen jaar oud zijn. In 1959 werden in Xihoudu (西後度), Shanxi verbrande botresten en mogelijk bewerkte stenen gevonden. Hun ouderdom werd gedateerd op 1,8 miljoen jaar. Ook hier zijn geen fossielen van mensen of mensachtigen gevonden, maar als deze bewerkingen inderdaad door mensen zijn gedaan, behoort deze vondst tot één van de oudste uit het Chinese paleolithicum.
Reeds in de jaren 1930 werden artefacten uit het vroege Pleistoceen (1,8 - 0,8 miljoen jaar geleden) werden gedaan in de jaren 1930. Teilhard de Chardin vond in een rivierbedding bij Nihewan (泥河灣), Hebei een aantal (dierlijke) botresten en een facet-steen en die volgens hem door mensen was bewerkt. Zijn theorie vond toen weinig navolging. Na 1978 is het archeologisch onderzoek in het Nihewan Bekken sterk uitgebreid. De vele artefacten die sindsdien zijn gevonden wijzen erop dat dit gebied reeds in het vroege Pleistoceen door mensen moet zijn bewoond. Fossielen van mensen of mensachtigen uit die vroege periode zijn er tot nu toe niet gevonden.
Homo erectus [bewerken]
In 2005 werd bericht van de vondst van de Jianshimens. De drie gevonden fossiele tanden werden door Zheng Shaohua van de Chinese Academie van Wetenschappen gedateerd tussen 2,15 en 1,95 miljoen jaar. Deze veronderstelde ouderdom heeft gevolgen voor de op dit moment gangbare theorie waarbij Homo erectus pas 1,6 miljoen jaar geleden vanuit Afrika naar Azië is getrokken. Gaat men uit van de juistheid van die twee miljoen jaar dan zal die theorie moeten worden aangepast. De mogelijkheid dat oost-Azië of China naast Afrika een eigen rol gespeeld heeft bij het ontstaan of de evolutie van de mensheid wordt in Chinese publicaties vanuit overheidswege benadrukt. In 1927 zijn in grotten bij Zhoukoudian (nabij Peking) diverse fossielen van mensachtigen gevonden. De bekendste vondst was die van de Pekingmens (vroegere wetenschappelijke naam Sinanthropus pekinensis, nu Homo erectus pekinensis). Hij wordt tot de species Homo erectus gerekend die in ieder geval tussen 1.000.000 en 400.000 jaar geleden in China heeft geleefd.
Andere in China gevonden menselijke fossielen die tot de Homo erectus worden gerekend zijn de Yuanmoumens (tussen 600.000 en 500.000 jaar oud, hoewel omliggende dierlijke fossielen op 1,7 miljoen jaar worden geschat), de Lantianmens (tussen 1,15 miljoen en 650.000 jaar oud) en de Nanjing-mens (tussen 620.000 en 580.000 jaar oud).
Lijst van gevonden menselijke fossielen in China die tot de Homo erectus worden gerekend:
| naam | vindplaats (site, district, provincie) |
ouderdom | gevonden fossielen |
|---|---|---|---|
| Yuanmoumens | Danawu, Yuanmou, Yunnan | 700.000 - 1.700.000 | 2 snijtanden 1 middendeel (dyaphisis) van scheenbeen |
| Lantianmens | Gongwangling, Lantian, Shaanxi | 700.000 - 1.150.000 | deel van schedel |
| Jianshimens | Longgudong, Jianshi, Hubei | 700.000 - 1.150.000 | tanden |
| Donghecunmens | Donghecun, Luonan, Shaanxi | 700.000? | tand |
| Yunxianmens | Quyuanhekou, Yunxian, Hubei | 600.000 - 800.000 | 2 schedels |
| Lantianmens | Chenjiawo, Lantian, Shaanxi | - 600.000 | onderkaak |
| Yunxianmens | Longgushan, Yunxian, Hubei | - 550.000 | diverse tanden |
| Bailongdong, Yunxi, Hubei | - 550.000 | diverse tanden | |
| Xinghuashan, Nanzhao, Henan | - 550.000 | diverse tanden | |
| Pekingmens | Loc.1, Zhoukoudian, Peking | 220.000 - 580.000 | 5 schedels onderkaken tanden postcrania |
| Qizhianshan, Yiyuan , Shandong | - 440.000 | schedelfragmenten tanden |
|
| Hexianmens | Longtandong, Hexian, Anhui | 190.000 - 300.000 | schedelfragmenten schedeldakfragmenten |
| Nanjingmens | Tangshan, Nanking, Jiangsu | 200.000 - 400.000 | 2 delen van schedels |
Van Homo erectus naar Homo sapiens [bewerken]
Opgravingen in Dali hebben in 1978 menselijke fossielen opgeleverd die tussen de 200.000 en 90.000 jaar oud zijn. Ondanks hun slechte staat zien Chinese archeologen in deze Dalimens kenmerken van zowel de Homo erectus als van de Homo sapiens zichtbaar zijn. Andere vondsten van menselijke fossielen die door Chinese geleerden worden beschouwd als tussenvorm tussen Homo erectus en Homo sapiens zijn de Jinniushanmens (260.000 jaar oud), de Changyangmens (200.000 jaar oud), de Mabamens (tussen 135.000 en 129.500 jaar oud), de Dingcunmens (tussen 120.000 en 100.000 oud) en de Liujiangmens (130.000 en 70.000 jaar oud). Volgens de enkele-oorspronghypothese zou Homo sapiens zich ongeveer 200.000 jaar geleden vanuit Afrika over de wereld hebben verspreid. Naar aanleiding van deze vondsten in China ontstond een nieuwe afstammingshypothese, het multiregionale model. Homo sapiens zou zich volgens deze theorie tegelijkertijd op verschillende plaatsen in de wereld ontwikkeld hebben uit de daar reeds aanwezige species Homo erectus. Vervolgens vond vermenging plaats. Deze theorie pleit voor een eigen Chinese ontwikkeling van de huidige menselijke soort en heeft in China dan ook veel aanhang. Tegen deze theorie spreekt het feit dat er tot nu toe in China voor de periode tussen 90.000 en 30.000 jaar geen enkel menselijk fossiel is gevonden. Verder vertonen de in Dali en op andere plaatsen gevonden menselijke fossielen weliswaar kenmerken van de Homo sapiens, maar geen enkel modern Chinees anatomisch kenmerk. Dit in tegenstelling tot fossielen die jonger zijn dan 30.000 jaar. Dit zou aantonen dat Homo sapiens, komende van elders, zich tussen 90.000 en 30.000 jaar in China heeft gevestigd en zo de Homo erectus heeft vervangen. Zolang er geen vondsten uit de periode zelf worden gedaan, blijven beide theorieën echter hun aanhang houden.
Neolithicum [bewerken]
Betekenis cijfers:
1 = Maximum laatste Glaciaal
2 = Jonge Dryas
3 = Holoceen Optimum
4 = 'de 8k2 gebeurtenis' van 6200 v.Chr.
5 = Maximum Midden Holoceen
Veranderingen in het klimaat en de natuurlijke omgeving [bewerken]
Rond 14.000 v. Chr eindigde voor China het Dali-Glaciaal. De zeespiegel lag op dat moment 110 meter onder het huidige niveau. Japan en Taiwan waren daardoor, net als Sumatra, Java en Borneo verbonden met het vasteland van Azië. Tot 13.000 v.Chr. was het klimaat bijzonder koud. Tussen 11.150 en 10.400 v.Chr. steeg de gemiddelde temperatuur met 7°C. Door het smeltwater afkomstig van de gletsjers steeg de zeespiegel zeer snel. Bij de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen, tussen 10.000 en 8.000 v.Chr., was het verschil met het huidige niveau nog maar 18 meter, rond 5000 werd het huidige niveau bereikt. Tussen 4000 en 3000 steeg de zeespiegel nog eens vier tot vijf meter, daarna trad een daling in. Ongeveer 200 jaar geleden werd opnieuw het huidige niveau bereikt.
Ondanks de snelle temperatuurstijging was het klimaat 10.000 v.Chr. nog steeds kouder en droger dan nu. Het lössgebied van de centraal Chinese vlakte kende een steppe-achtige vegetatie, die bestond uit droogtebestendige heesters, kruidachtigen en grassen. De fauna was van het elaphus-ultima type, waaronder wilde paarden (przewalskipaard), wilde ezels (equus hemionus), wilde waterbuffels (bubalus wansjocki) en oerossen (bos primigenius). Verder waren er verschillende soorten herten, zoals het reuzenhert (megaloceros ordosianus), Axishert (cervus hortulorum), edelhert en przewalskigazelle (Procapra przewalskii). Ook het dal van de Jangtsekiang was kouder en droger dan nu. De vegetatie bestond uit naaldbomen en kruidachtigen, de fauna was vergelijkbaar met die van het löss-gebied.
Na een koudeperiode rond 9000 v.Chr., die in de geologie bekend staat als de Jonge Dryas, steeg de gemiddelde temperatuur relatief snel en ontstond een klimaat dat aanzienlijk warmer en natter was dan nu. De Oost-Aziatische moesson verschoof naar het noorden en zorgde tot in Mantsjoerije en Korea voor veel neerslag. De lösszone en het dal van de Gele Rivier veranderde in een gemengd bosgebied van zomergroen loofwoud en naaldbomen. De flora van het dal van de Yangzi werd subtropisch. Ook de fauna van beide gebieden veranderde. Er kwamen dieren die hoorden bij een warmer en vochtiger klimaat, zoals de bamboe rat, het Chinese waterree, de waterbuffel, Chinese tijger, het Pater-Davidshert en de Chinese alligator. De kustlijn lag veel meer naar het westen, het huidige schiereiland Shandong was een eiland. De Gele Rivier kwam in het huidige centrale deel van Henan uit in de Gele Zee. Door de slibafzettingen van die rivier ontstond allengs een alluviale vlakte, die in het begin nog zeer drassig was. De middenloop van de Yangzi veranderde in een breed gebied van meren, moerassen en hoger gelegen bossen. Dit 'holoceen optimum' werd rond 6200 v.Chr. kort onderbroken door de '8k2 gebeurtenis', waarbij de temperatuur over de hele wereld enkele graden daalde. Het warme, vochtige klimaat herstelde zich echter snel. Nadat de moesson zich vanaf 4000 v. Chr steeds verder in zuidelijke richting had verplaatst, begon rond 3000 v.Chr. vrij abrupt een koelere periode, die doorliep tot ongeveer 750 v.Chr.
Het 'Vroeg-neolithicum', 8000-6000 v.Chr. [bewerken]
| Jaar v.Chr. |
China | Westen |
|---|---|---|
| 8000 | Vroeg Neolithicum | Mesolithicum |
| 6000 | Midden Neolithicum | Vroeg Neolithicum |
| 5000 | Laat Neolithicum | Midden Neolithicum |
| 3000- 2000 |
Laat Neolithicum/ Chalcolithicum |
Laat Neolithicum/ Chalcolithicum |
In de Chinese archeologie wordt de term 'neolithisch' gebruikt als een vindplaats aan één of meer van de volgende vijf kenmerken voldoet: aanwezigheid van aardewerk, van geschuurde of gepolijste stenen werktuigen, een vaste woonplaats, verbouw van gewassen of het houden van dieren. Het begrip 'neolithisch' kreeg daarmee in China een ruimere betekenis dan in het westen. Men deed dit omdat de genoemde kenmerken zich in de diverse regio's in een van elkaar afwijkende volgorde ontwikkelden. Hierdoor bestaan er voor aanduidingen van deelperiodes binnen het neolithicum verschillen tussen westerse publicaties over China en die uit China zelf:
Rond 10.000 v.Chr. kan men in China een noordelijke en een zuidelijke paleolithische cultuur onderscheiden. De geografische grens werd gevormd door de Qinling bergketen (秦嶺山). De meest opvallende artefacten van de noordelijke cultuur waren microlieten. Van deze Chinese microlietencultuur zijn inmiddels meer dan 200 vindplaatsen bekend, verspreid over centraal en noord China. De belangrijkste is de Xiachuan-cultuur. De aangetroffen artefacten waren gemaakt van vuursteen of kwartsiet, waren blad-, kegel- of wigvormig en werden gebruikt als schrapers, projectielpunten of als snijvoorwerpen. De Chinese microlietencultuur was verwant met soortgelijke culturen in Mongolië, Siberië en het noordwesten van Amerika.
Artefacten van de paleolithische en vroegneolithische cultuur van zuid-China zijn gevonden in kalksteengrotten en overhangende rotsen ten zuiden van de Yangzi, in zuidwest-China en langs de zuidoostkust. In het binnenland leefde men van jacht en verzamelen, aan de kust vooral van de vangst van vis, schaal- en schelpdieren. Daar ontstonden (semi)-permanente verblijfplaatsen, vergelijkbaar met de Jomoncultuur in Japan en te herkennen aan grote schelphopen. Door de stijgende zeespiegel zijn de oudste nederzettingen echter verdwenen. Opvallend kenmerk was verder het vroege gebruik van aardewerk, zowel in het binnenland als aan de kust. Er zijn duidelijke overeenkomsten met de Vietnamese Hoabinh-cultuur.
Overgang naar agrarische gemeenschappen [bewerken]
Hoe deze jagers- en verzamelaarsculturen zich in China tot agrarische gemeenschappen hebben ontwikkeld is nauwelijks bekend. Dit heeft te maken met een hiaat in de archeologische vondsten voor de cruciale periode tussen 8000 en 6000 v.Chr., mede het gevolg van de institutionele organisatie van de Chinese archeologie. Paleolithisch onderzoek viel onder verantwoordelijkheid van de Chinese Academie voor Natuurwetenschappen, terwijl het neolithicum werd bestudeerd onder toezicht van de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen. Door gebrek aan samenwerking werd met name de overgangsperiode tussen beide tijdperken verwaarloosd.
Tot nu toe zijn de belangrijkste vindplaatsen voor periode tussen 8000 en 6000 v.Chr Yucanyan (district Dao in Hunan), Xianrendong en Diaotonghuan (beide in district Wannian in Jiangxi) en met name Nanzhuangtou (district Xushui in Hebei). Nanzhuangtou is de enige noordelijke vindplaats uit het vroege Holoceen. De hier gedane vondsten leverden echter niet meer op dan indirecte aanwijzingen voor de overgang naar sedentaire agrarische gemeenschappen:
- Stenen gebruiksvoorwerpen en gereedschappen. In Nanzhuangtou zijn maalstenen of schuurstenen gevonden (mo pan), wat kan duiden op verwerking van verzamelde eetbare wilde planten, maar ze kunnen ook zijn gebruikt voor het maken van andere werktuigen.
- Aardewerk. Op drie plaatsen in het noorden en minstens zes plaatsten in het zuiden zijn resten van aardewerk gevonden. De oudste scherven zijn afkomstig van Nanzhuangtou en zijn gedateerd tussen 10.500 en 7500 v.Chr. De gevonden potscherven zijn restanten van kruiken. Zij waren gemaakt van een grove kleibrij, waren na het bakken zacht en poreus en hadden een rode of grijze kleur. Verder was hoornblende en vermiculiet toegevoegd. Net als bij de oudste potscherven, die van de Japanse Jomoncultuur, hebben ook deze scherven touwversiering.
- (Semi)-permanente verblijfplaatsen. Er zijn stookplaatsen/haarden en askuilen gevonden in Ma’anshan in het Nihewanbekken.
- Gedomesticeerde dieren. In Nanzhuangtou zijn botten gevonden van mogelijk tot huisdier gemaakte honden. Het skelet van getemde honden (Canis familiaris) onderscheidt zich sterk van hun wilde voorouders, (Canis lupis), een kleine wolvensoort die zeer verspreid was gedurende het Pleistoceen. Mogelijk werden de honden niet alleen gebruikt bij de jacht, maar ook als voedsel. Uit de in Nanzhuangtou gevonden botten van varkens kan niet worden opgemaakt of het om wilde of getemde varkens gaat. Gevonden botten van kippen waren bijna zeker van niet gedomesticeerde exemplaren.
- Aanwezigheid van wilde varianten van latere cultuurgewassen.
De trosgierst, (Setaria italica, 粟, su) was afkomstig van de groene naaldaar (setaria viridis, 狗尾草, gouweicao. Mogelijk waren er drie onafhankelijke domesticaties van de trosgierst, één in Centraal-Azië (Afghanistan of Noordwest-Pakistan) en twee in China, (Xinglonggou in Binnen-Mongolië en de vallei van de Gele Rivier).
De pluimgierst, (Panicum miliaceum, 黍, shu) is van onzekere afkomst, mogelijk Panicum miliaceum subsp. ruderale. Deze soort kwam vooral voor in de westelijke, droge, koele en hoger gelegen delen, zoals Gansu en is mogelijk voor het eerst gedomesticeerd binnen de Dadiwancultuur. Langs de Gele Rivier kunnen behalve de Dadiwancultuur rond 6000 v.Chr. nog drie op de verbouw van gierst gebaseerde culturen worden onderscheiden, de Houlicultuur in Shandong en de Peiligang en Cishancultuur aan de middenloop van de rivier.
Rijst heeft zich ontwikkeld uit de wilde rijstsoort Oryza rufipogon. Mogelijk waren er in China twee domesticaties, de Pengtoushancultuur aan de middenloop en de Kuahuqiao- en Hemuducultuur aan de benedenloop van de Yangzi. Er zijn twee varianten van gedomesticeerde rijst gevonden, Oryza sativa indica en Oryza japonica (korte, dikke korrels). Uit genetisch onderzoek blijkt echter dat de ontwikkeling van Oryza japonica uit Oryza rufipogon los stond van die van Oryza sativa indica uit de wilde variant, Oryza nivara.
Culturen gebaseerd op verbouw van gierst [bewerken]
In Centraal China kunnen rond 6000 v. Chr drie midden-neolithische culturen worden onderscheiden: de Cishancultuur in Hebei, de Peiligangcultuur, ten zuiden van de Gele Rivier in Henan en de Dadewancultuur in de Weishuivallei van Shaanxi. Op dat moment was het klimaat warmer en natter dan tegenwoordig. Er werd gierst (Setaria italica) verbouwd. Men verzamelde vruchten en noten, waaronder de walnoot (Juglans regia) en de hazelnoot (Corylus leteraphylea). Als huisdieren hield men honden en varkens. Verder zijn er grote hoeveelheden botten van het Bankivahoen (Gallus gallus) gevonden. Dit kan betekenen dat men ook pluimvee heeft gehouden.
Of de Bailiandongcultuur in Guangxi kan worden beschouwd als een mesolithische cultuur is onzeker [1]. Mogelijk dat gedurende het neolithicum landbouwers vanuit de vallei van de Jangtsekiang naar het zuiden zijn getrokken en hun kennis van de landbouw daar hebben toegepast. Dit zou voor zuid-China een directe overgang van paleolithicum naar neolithicum hebben betekend.
Culturen gebaseerd op verbouw van rijst [bewerken]
Het vroegste bewijs van proto-Chinese rijstteelt is door koolstof-14-datering gedateerd rond 6000 v.Chr. en wordt geassocieerd met de Peiligangcultuur (裴李崗文化) uit het Xinzheng-gebied (新鄭縣), Henan (河南省). De invoering van de landbouw leidde tot een toename van de bevolking, de mogelijkheid de oogst op te slaan en te herverdelen en ambachten toe te laten. In het laat-neolithicum groeide de Gele Rivier-vallei (黃河) uit tot een cultureel centrum, waar de eerste dorpen gesticht werden.
Er waren silo's voor graanopslag, tamme honden en varkens en er werden gewassen verbouwd zoals kool, jujube, pruimen en hazelnoten. De meeste archeologisch belangrijke vondsten van dezen zijn die te Banpo (半坡), Xi'an (西安). In het 1e millennium v.Chr. begon men tinnen voorwerpen te maken in China.
Regionale neolithische culturen [bewerken]
Hoewel er reeds 11.000 v. Chr aardewerk in China werd geproduceerd, is het voor archeologen pas vanaf 7000 v.Chr. mogelijk om op basis van aardewerk, (landbouw)werktuigen en grafvondsten verschillende regionale neolithische culturen van elkaar te onderscheiden. Tot het begin van de jaren 1980 zag men de culturen van de middenloop van de Gele Rivier als de bakermat van de Chinese beschaving. Die zou zich van daar uit hebben verspreid naar de randgebieden. Nu wordt aangenomen dat regionale culturen zich langs eigen wegen hebben ontwikkeld, elk met specifieke voor die cultuur geldende kenmerken. Uiteindelijk is de Chinese cultuur ontstaan door een proces van wederzijdse beïnvloeding, niet alleen tussen regionale culturen en die van de Centrale Vlakte, maar ook tussen regionale culturen onderling.
In onderstaand schema zijn voor de periode 7000 tot 1500 v.Chr. de belangrijkste neolithische culturen en oudste bronstijd culturen (vanaf 2000 v. Chr, voorzien van *) weergegeven. De datering van de diverse culturen vertoont in de literatuur grote onderlinge verschillen, de hier gekozen jaartallen kan daarom niet meer dan indicatief zijn.
| Jaar (voor Chr.) |
Noord- oost China (1) |
Noord- west China (2) |
Middenloop Gele Rivier (Zhongyuan) (3) |
Beneden- loop Gele Rivier (4) |
Beneden- loop Jangtsekiang (5) |
Midden-loop Jangtsekiang (6) |
Sichuan (7) | Zuidoost China (8) |
Zuid- west China (9) |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 7500 | (Nanzhuangtou) | (Shangshan) | (Xianrendong) | ||||||
| (?) | (?) | (?) | (?) | (?) | |||||
| 7000 | Pengtoushan | Touwbeker- | |||||||
| (inclusief | culturen | ||||||||
| Chengbeixi | (waaronder | ||||||||
| 6500 | Dadiwan | Peiligang | Houli | en Zaoshi) | Zengpiyan) | ||||
| Xinglongwe | Laoguantai | Cishan | 6500-5500 | 7000-5800 | 7000-5500 | ||||
| 6200-5300 | = Baijia | Jiahu | |||||||
| 6000 | 6500-5000 | Lijiacun | Kuahuqiao | ||||||
| 6500-5000 | 6000-5000 | ||||||||
| 5500 | |||||||||
| Beixin | |||||||||
| Xinle | 5300-4100 | ||||||||
| 5000 | 5300-4800 | Yangshao 5000-3000 | Hemudu | Daxi | Dapenkeng | ||||
| (Vroeg Yangshao | 5000-3800 | 5000-3300 | 5000-3000 | ||||||
| 5000-3500 | Majiabang | Fuguodun | |||||||
| 4500 | Zhaobaogou | -Banpo-fase | 5000-3800 | 5000-3000 | |||||
| 4500-4000 | 5000-4200 | Dawenkou | Keqiutou | ||||||
| -Miaodigou-fase | 4100-2600 | 4500-3500 | |||||||
| 4000 | Hongshan | 4200-3500) | (Vroeg | ||||||
| (incl. Fuhe) | (Laat Yangshao | 4100-3400) | |||||||
| 4000-3000 | 3500-3000) | (midden | Songze | ||||||
| 3500 | 3400-3000) | 3800-3200 | Qujialing | ||||||
| (laat | 3500-2600 | Yingpanshan | |||||||
| Majiayao | 3000-2600) | Liangzhu | ca 3100? | ||||||
| 3000 | Xiaoheyan | 3300-2700 | Miadigou II | 3200-2200 | Tanishan | ||||
| 3000-2500 | Banshan | 3000-2600 | Shijiahe | Baodun | 3500-2000 | ||||
| 2700-2400 | *Henan- | *Shandong- | 2500-2000 | 2800-2000 | Shixia | ||||
| 2500 | *Xiajiadian | Machang | Longshan | Longshan | Qinglongquan | 3000-2400 | |||
| 2500-300 | 2400-2000 | 2600-2000 | 2600-2000 | = (Hubei- | Fengbitou | Baiyangcun | |||
| *Qijia | (?) | Longshan) | Nianyuzhuan | 2200-2100 | |||||
| 2000 | 2100-1900 | 2400-2000 | Hedang | Dalongtan | |||||
| *Siba | *Erlitou | *Yueshi | 3000-1000 | 2100-2000 | |||||
| 1950-1500 | 1900-1500 | 1900-1500 | *Maqiao | ||||||
| 1500 | Xia dynastie? |
1800-1200 | *Changjiang vanaf 1500 (inclusief Sanxingdui) |
||||||
In de tabel worden de volgende negen geografische gebieden onderscheiden:
- Noordoost China: Binnen-Mongolië, Heilongjiang, Jilin en Liaoning.
- Noordwest China (de bovenloop van de Gele Rivier): Gansu, Qinghai en het westelijk deel van Shaanxi.
- Noordcentraal China (de middenloop van de Gele Rivier): Shanxi, Hebei, het westelijk deel van Henan en het oostelijk deel van Shaanxi. Dit is de 'Centrale Vlakte' (Zhongyuan, 中原), lang beschouwd als het gebied waar de Chinese beschaving is ontstaan en van waar uit ze zich heeft verspreid.
- Oost China (de benedenloop Gele Rivier): Shandong, Anhui, het uiterste noorden van Jiangsu en het oostelijk deel van Henan.
- Oostzuidoost China (de benedenloop van de Jangtsekiang): Zhejiang en het grootste deel van Jiangsu.
- Zuidcentraal China (de middenloop van de Jangtsekiang): Hubei en het noordelijk deel van Hunan.
- Sichuan en de bovenloop van de Jangtsekiang.
- Zuidoost China: Fujian, Jiangxi, Guangdong, Guangxi, het zuidelijk deel van Hunan, de delta van de Rode Rivier in het noorden van Vietnam en het eiland Taiwan.
- Zuidwest China: Yunnan en Guizhou.
Bronstijd [bewerken]
Referenties [bewerken]
- Chang Kwang-chih (1986):, The Archaeology of Ancient China, Yale University Press: New Haven, (Fourth Edition Revised and Enlarged), ISBN 0-300-03784-8
- Loewe, M. en Shaughnessy E.L.(ed.) (1999):, The Cambridge History of Ancient China. From the Origins of Civilization to 221 B.C., Cambridge University Press: Cambridge, ISBN 0-521-47030-7
- Higham, C. (1996): The Bronze Age of Southeast Asia, Cambridge University Press, Cambridge, ISBN 0-521-49660-8
- Li Liu (2004): The Chinese Neolithic. Trajectories to Early States, Cambridge University Press, Cambridge, ISBN 0-521-81184-8
- Maisels, C.K. (1999): Early Civilizations of the Old World. The Formative Histories of Egypt, The Levant, Mesopotamia, India and China, Routledge, Londen, ISBN 0-415-10976-0
- Scarre, C. (ed.) (2005): The Human Past. World Prehistory & the Development of Human Societies, Thames & Hudson, Londen, ISBN 0-500-28531-4
-
- hoofdstuk 3, Klein, Richard, 'Hominin Dispersals in the Old World' p.84-123.
- hoofdstuk 4, Pettitt, Paul, 'The Rise of Modern Humans', p.144-174.
- hoofdstuk 5, Scarre, Chris, 'The World Transformed. From Foragers and Farmers to States and Empires', p.176-200.
- hoofdstuk 7, Higham, Charles, 'East Asian Agriculture and Its Impact', p.234-264.
- hoofdstuk 15,Higham, Charles, 'Complex Societies of East and Southeast Asia', p.552-594
| Periodes in de Chinese geschiedenis |
|---|
|
Prehistorie · Oudheid · Keizerrijk · Republiek · Volksrepubliek |