Chorda dorsalis

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Anatomie van een lancetvisje (doorsnedes in de lengte en breedte). De chorda dorsalis is genummerd met een 2.

De chorda dorsalis (van Latijn chorda (darm), dorsum (rug); Engels: notochord) is een kenmerk van embryo's van chordadieren (Chordata). Het is een flexibel, staafvormig orgaan bestaande uit elastisch weefsel, dat zich bevindt in het mesoderme gedeelte van het embryo; aan de rugzijde tussen de neurale buis en de ingewanden. Bij gewervelden (Vertebrata) ontwikkelt de chorda dorsalis zich tijdens de ontwikkeling van het embryo tot de ruggengraat. Bij groepen chordadieren zonder ruggengraat, zoals lancetvisjes (Cephalochordata) of manteldieren (Tunicata), vormt de chorda dorsalis in volwassen dieren het endoskelet, dat dient voor versteviging en als aanhechtingspunt voor de spieren.

Opbouw en ontwikkeling[bewerken]

De chorda dorsalis bestaat in embryo's van gewervelden uit zogenaamd "chordageen" weefsel. De cellen bezitten allen grote vacuoles (holtes), die door het opbouwen van interne druk (turgordruk) een zekere stijfheid kunnen krijgen. De chorda dorsalis wordt omgeven door een omhulsel van bindweefsel. Bij lancetvisjes is deze opbouw vervangen door gespecialiseerde spiercellen. Bij enkele manteldieren bestaat de chorda dorsalis uit een kern van glycoproteïnes, omgeven door een krachtig omhulsel van collagenen.

De chorda dorsalis ontstaat in de vroegste fasen van de embryonale ontwikkeling, bij de vorming van de kiembladen (gastrulatie). Weefsel uit het mesoderm vormt aanvankelijk een cilindervorm. Deze cilinder fuseert (bij mensen rond de 20e dag) met het eronder liggende entoderm en vormt dan een structuur die de chordaplaat genoemd wordt. De chordaplaat splitst zich vervolgens (bij mensen tussen de 22e en 24e dag) om de chorda dorsalis en de voorloper van de ingewanden te vormen. Vanwege de korte fusie kan het gebeuren dat enkele entoderme cellen in de chorda dorsalis terecht komen.

Bij dieren waarbij de chorda dorsalis een rol bij de voortbeweging en het endoskelet vormt, zoals manteldieren en lancetvisjes, vormt zich al snel een omhulsel van collagenen om de chorda dorsalis. Bij lancetvisjes worden de chordagene cellen tenslotte vervangen door spiercellen, die in direct contact staan met de erboven liggende neurale buis. Bij zakpijpen (Ascidiae) en Copelata blijft de gelatine-achtige samenstelling behouden en verstevigen de cellen zich door de (interne) turgordruk.

In embryo's van gewervelden vormt zich dezelfde structuur van cellen met grote vacuolen. Alleen bij rondbekken (Cyclostomata), kraakbeenvissen (Chondrichthyes), steuren (Acipenseridae) en coelacanthen (Latimeria) blijft deze opbouw bewaard. Bij andere gewervelden wordt ze tijdens latere fasen van de embryonale ontwikkeling vervangen door de wervelkolom. De wervels ontstaan uit zogenaamde somieten, blokken mesoderm die langs de chorda dorsalis liggen gerangschikt. Met het groeien van de wervels wordt de chorda dorsalis vervangen, maar ze verdwijnt niet in alle gewervelden helemaal. De nucleus pulposus in de tussenwervelschijven van gewervelden is mogelijk een restant van de chorda dorsalis.

Evolutionaire betekenis[bewerken]

De embryonale ontwikkeling van een soort volgt vaak hetzelfde patroon als de evolutie. Dit is ook voor de chorda dorsalis bij gewervelden het geval, want de eerste chordadieren hadden nog geen wervels. De oudst bekende primitieve chordadieren, zoals Haikouichthys of Myllokunmingia, komen uit het late Cambrium (rond de 480 miljoen jaar geleden). Voor deze dieren was de chorda dorsalis een adaptatie die zowel voor interne stevigheid zorgde als snellere voortbeweging mogelijk maakte. De dominante dieren uit de periode hadden een extern skelet, waardoor ze minder flexibel waren.

Sinds de ontdekking van Pikaia in het midden-Cambrium is ook een voorloper van deze primitieve chordadieren bekend. Dit dier had een soort proto-chorda dorsalis. Hemichordata hebben een structuur vergelijkbaar met de chorda dorsalis, maar dit is vermoedelijk een geval van convergente evolutie. Het is aannemelijk dat de eerste echte chordadieren in het vroege Cambrium of midden van het Cambrium (rond 540-510 miljoen jaar geleden) leefden.

In het Ordovicium, ongeveer 100 miljoen jaar later, domineerden kaakloze vissen de zeeën. Voorbeelden zijn placodermen, conodonten en ostracodermen. Deze groepen waren nakomelingen van de primitieve chordadieren van het Cambrium. De oudst bekende dieren met een ruggengraat (ongeveer 420 miljoen jaar) behoren tot de kraakbeenvissen (Chondrichthyes) en beenvissen (Osteichthyes). Sindsdien zijn wervels in sommige groepen, zoals bij de steuren, weer verdwenen.