Christelijke Gereformeerde Gemeenten
| Christelijke Gereformeerde Gemeenten | ||||
| Indeling | ||||
| Hoofdstroming | Protestantisme | |||
| Richting | Gereformeerd calvinisme | |||
| Voortgekomen uit | Chr. Geref. Kerken in 1952 | |||
| Afsplitsingen | uiteengevallen in 1967/1969 | |||
| Aard | ||||
| Locatie | Nederland | |||
| Karakter | bevindelijk gereformeerd | |||
|
||||
De Christelijke Gereformeerde Gemeenten (CGG) bestond uit een klein kerkverband dat in 1947 ontstond uit een afsplitsing van de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK). In dat jaar werd dominee Hendrik Visser Mzn. geschorst als predikant vanwege een leergeschil. Hij kwam daardoor buiten de Christelijke Gereformeerde Kerken te staan.
In 1952 ontstond een tweede kerkformatie, namelijk de Christelijke Gereformeerde Gemeenten in Nederland (CGGIN). Het ontstaan van dit kerkverband lag samen met de persoon van de predikant Jacobus Gerardus van Minnen. Hij had moeite met de ontwikkelingen binnen de CGK en wilde de oude lijn voortzetten. Hiervoor zag hij geen ruimte meer binnen de CGK zelf, omdat hij een 'modaliteitenkerk' principieel verwierp. Beide groepen zijn als bevindelijk gereformeerd te kenschetsen.
Inhoud |
[bewerken] Ds. Visser
Dominee Visser diende achtereenvolgens de CGK te Bunschoten (1937), Middelharnis (1940) en Rotterdam-Zuid (1946) totdat hij vanwege bezwaren tegen zijn allegorische prediking, alsmede zijn dogmatische opvattingen ten aanzien van het geloof geschorst werd. Naar aanleiding hiervan onttrok de predikant zich op 28 mei 1947 aan de CGK, met een meerderheid van zijn gemeente, zodat de groep de beschikking kreeg over het kerkgebouw aan de Putselaan in Rotterdam.
Bij dominee Visser sloten zich vooral vrije groepen aan zoals Schiedam (1950), Werkendam (1950) en Gouderak (1953. Dominee Visser leidde enige personen op tot predikant waaronder M.J. Middelkoop en H. van Kooten (1897–1974).
In 1960 trad de uitgetreden CGK van Urk toe aan het kerkverband van ds. Visser. Op voorstel van Urk vond er een vereniging plaats met de gemeenten rondom ds. Van Minnen. Dit nadat ds. Visser zijn stellingen ten aanzien van het geloof herroepen had. Na korte tijd maakte de CGGIN (gemeenten dominee van Minnen) de vereniging echter ongedaan omdat er geen overeenstemming bereikt kon worden over de handhaving van de kerkorde.
[bewerken] Huidige situatie
In 1967 viel het kerkverband rondom ds. Visser uiteen. De laatste classisvergadering van de CGG had plaats in het najaar van 1967. Aanleiding was dat dominee Visser, inmiddels predikant op Urk, zijn ambt in de CGG neerlegde. Zijn gemeenten sloten zich voornamelijk aan bij de Oud Gereformeerde Gemeenten in Nederland of de Gereformeerde Gemeenten. In Urk zette een deel van de oorspronkelijke CGG van Urk zich voort als Vrije Gereformeerde Gemeente. In deze gemeente worden veelvuldig preken gelezen van 'Schotse oudvaders'; ook preken er voorgangers uit de HHK.
[bewerken] Ds. Van Minnen
Jacobus Gerardus van Minnen, geb. 8 mei 1900 te Vlaardingen koos tijdens de pennenstrijd tussen de theologen Kersten en ds. Jongeleen eind jaren 1920 over het Verbond der Genade de zijde van de christelijke gereformeerden. Hij was het niet eens met de wijze waarop dominee Kersten de GG een verbondsbeschouwing wilde opleggen. Volgens Van Minnen was hiervoor de basis gelegd door ds. De Blois, destijds predikant van de GG van Vlaardingen, die andere accenten legde dan ds. Kersten. Wel voegde hij eraan toe dat we niet mogen vergeten de nadruk te leggen op de verbondsbeleving in de weg van wedergeboorte en dagelijkse bekering door Woord en Geest. De discussie over het Genadeverbond was ontstaan naar aanleiding van het in 1927 verschenen catechisatieboekje van ds. Jongeleen waarvan de inhoud van twee kanten werd bestreden, namelijk aan de ene zijde dr. Klaas Schilder die verklaarde dat er een 'ongereformeerde' verbondsleer in naar voren werd gedragen en aan de andere zijde ds. Kersten die er een 'verbondsontzenuwende' leer in gevonden had.
Voortaan zou de zogenaamde 'twee of drie-verbondenleer' een belangrijk onderscheid uitmaken tussen de diverse kerken, voortgekomen uit de afscheiding.
In 1930 deed Van Minnen zijn intrede aan de Theologische School in Apeldoorn. Hij werd naar zijn eigen zeggen theologisch gevormd door de docenten P.J.M. de Bruin en Gerard Wisse. Dominee Van Minnen nam jarenlang een gewaardeerde positie in binnen de CGK, gezien de vele beroepen die hij kreeg. Op dinsdag 19 oktober 1937 werd hij bevestigd in Huizen. In 1945 nam hij een beroep aan naar Delft, om in 1948 opnieuw terug te keren naar Huizen. Op zondag 27 juli 1952 deelde hij aan zijn gemeente mee de Christelijke Gereformeerde Kerken te zullen verlaten om een Christelijke Gereformeerde Gemeente in Nederland te stichten. Aanleiding hiervoor was een conflict met de classis Amsterdam.
De verschillende stromingen in de CGK werden naar zijn eigen zeggen al in de jaren dertig waargenomen. Ook volgens iemand als dominee Jan Hendrik Velema 'hebben de verschillende stromingen onze kerken altijd al gekenmerkt. Toen ik nog in Apeldoorn studeerde, zaten twee jaar boven mij de studenten E. du Marchie van Voorthuysen, J.G. van Minnen en H. Visser Mzn. — die later allen uit onze kerken zijn gegaan. In hetzelfde jaar als ik zaten J.C. Maris, W. Ruiter en J.M. Visser. Wij voelden toen al wel aan dat zij niet op dezelfde lijn zaten'.
Als gevolg van de positie die het kerkverband innam tussen enerzijds de Gereformeerde Gemeenten en anderzijds de Gereformeerde Kerken in Nederland dreigde de prediking in de CGK vast te lopen in een zekere 'verstarring', aldus dominee Van Minnen. Na 1947 voltrok de verandering in de CGK, met name in de prediking, zich in een stroomversnelling. Binnen de CGK werd een kring van geestverwanten gevormd door de predikanten ds. M. Baan (1905–1973), ds. N. de Jong (1899–1980), ds. H. van Leeuwen (1906–1988), ds. J.G. van Minnen (1900-1971), ds. C. Smits (1898–1994) en ds. F. Bakker (1917-1965) die poogden een dam op te werpen tegen de in hun ogen zorgwekkende ontwikkelingen binnen de christelijke gereformeerde kerken.
Concreet kwamen de bezwaren tegen de ontwikkelingen binnen de CGK op het volgende neer:
[bewerken] De bezwaren
- Hoofdbezwaar vormde de oprukkende voorwerpelijke prediking binnen de christelijke gereformeerde kerken, waarin geen nadruk valt op de noodzaak van bekering en wedergeboorte zoals - aldus de bezwaarden - de Bijbel en de Belijdenisgeschriften hierover spreken.
- De samensprekingen met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Gereformeerde Kerken onderhoudende art. 31 K.O. vanwege het verbondsoptimisme binnen deze kerken die - aldus de bezwaarden - onschriftuurlijk is.
- Het zoeken naar nieuwe vormen (waaronder aanpassing van de liturgie e.d.) die bij zullen dragen - aldus de bezwaarden - aan verdere verwatering in het kerkelijk leven.
De classis Dordrecht (ds. M. Baan) legde op de synode van de CGK in 1953 een indringend rapport op tafel waarin de zorgen van het kerkelijke leven werden geuit en vroeg daarbij om dringende maatregelen. Als gevolg hierop hebben de CGK een kanselboodschap laten uitgaan, mede op aandrang van Prof. Wisse die de CGK waarschuwde 'de veronderstelde wedergeboorte de voordeur der kerk te hebben uitgeworpen, maar bezig zijn haar door de achterdeur weer binnen te halen'. De kentering die nodig was om de geslagen breuk te helen bleef echter uit. Verschillende predikanten en gemeenten traden alsnog uit, en stapten over naar andere kerkverbanden, met name de Gereformeerde Gemeenten.
[bewerken] Het kerkverband
De CGGIN wilden echter Christelijk Gereformeerd blijven op de wijze zoals het kerkgenootschap oorspronkelijk was, 'naar de praktijk en de prediking van hen die ons daarin zijn voorgegaan, zoals wijlen ds. Schotel, ds. v.d. Vegt, docent van der Heijden en meerderen'. Op 26 januari 1953 werd het verband van de CGGIN officieel gevormd. Wat betreft de verbondsleer werd uitgesproken dat men elkaar geen twee of drieverbondenleer zou opleggen, 'maar zal aanhouden hetgeen de Bijbel aangaande deze dingen leert, dat door het genadeverbond het vredeverbond wordt gerealiseerd.'
Behalve in Huizen ontstonden ook in andere plaatsen gemeenten die zich bij dominee Van Minnen aansloten, te weten Bussum (1952), Drachten (1954), Delft (1954) en Twijzelerheide (1957). Verder sloten zich nog enkele vrije gemeenten aan. Dit gebeurde in Hoofddorp (1954), Vlaardingen (1954) en Zwolle (1955). Binnen het kerkverband functioneerden de predikanten G. Salomons (1890–1975) en G.J. van Vliet (1880–1954). Binnen het kerkverband werd H. Groen (1917–1957) opgeleid tot predikant.
Ook na zijn uittreding onderhield dominee van Minnen contacten met bezwaarde predikanten binnen de CGK. Rond 1960/1961 werden zelfs intensieve samensprekingen gevoerd met de predikanten Smits, De Jong, en Bakker waarbij gesproken werd over de uitgave van een eigen kerkelijk blad en een eigen opleiding van aanstaande predikanten. De predikanten betreurden dat 'er reeds vele gemeenten verloren gegaan zijn voor de onvervalste christelijke gereformeerde prediking, en dat allen uiteen vliegen zoals ds. Baaij, ds. Laman e.a.'. Dominee Van Minnen hield op de brede vergadering van bezwaarde christelijke greformeerde predikanten in 1961 te Rotterdam een pleidooi tot uittreding uit de Christelijke Gereformeerde Kerken.
Hier bleek echter een meerderheid niet voor een afscheiding te zijn. Men vroeg zich af of dominee van Minnen wel had mogen uittreden (eenheid). In 1964 werd de stichting Bewaar het Pand opgericht, waardoor men juist een scheuring wilde te voorkomen. Dominee van Minnen voelde zich in de steek gelaten door zijn medestanders. Het kerkverband van de CGGIN bleef bestaan tot februari 1969.
Vanaf 1966 was dominee van Minnen betrokken bij de oprichting van de interkerkelijke Gereformeerde Bijbelstichting en het Reformatorisch Dagblad. Hij bezat literaire gaven en publiceerde in 1964een gedichtenbundel 'Licht en Schaduw'. Op 6 januari 1971 overleed dominee van Minnen in Delft.
[bewerken] Huidige situatie
De Delftse gemeente uit het oorspronkelijke kerkverband rondom dominee Van Minnen - hij was hier van 1956-1965 en 1967-1968 predikant - bestaat nog altijd. Sinds 1994 functioneren in deze gemeente de ambten niet meer maar is er een bestuur en worden er op zondag preken gelezen. In 2011 verscheen er een boekje waarin de geschiedenis van de gemeente is beschreven. De gemeente staat qua prediking in de lijn van de Gereformeerde Gemeenten en Bewaar het Pand in de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Met deze richting bestaan goede contacten. Voor het jaar 2012 staan enkele doordeweekse preekbeurten vast die vervuld zullen worden door predikanten van Bewaar het Pand. De zustergemeente van Drachten sloot zich in 1961 aan bij de Gereformeerde Gemeenten en maakte onder de bediening van de voormalige christelijke gereformeerde dominee E. Venema een behoorlijke groei door.
[bewerken] Bronnen en literatuur
- „Hij heeft ons hier gebracht”. Artikel over de Chr. Geref. Gemeente in Nederland van Delft, Reformatorisch Dagblad, 3 juli 2008
- Schotse schrijvers op Urker kansel. Artikel over de Vrije Gereformeerde Gemeente van Urk, Reformatorisch Dagblad, 9 augustus 2001
- Uitleg ds. A. van der Zwan verschil twee of drie-verbondenleer
- De Open Deur, Geschiedenis van de Chr. Geref. Gemeente in Nederland van Delft,(2011)
- Geplant en bewaard, Geschiedenis van de (Chr.) Geref. Gemeente (in Nederland) van Drachten,(2005)
- In de schaduw van het kerkelijk leven. Geschiedenis van de kleine kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte, (1995)
Belangrijkste geschriften ds. J.G. van Minnen:
- Onder het Licht van Gods Lamp, schriftoverdenkingen, Haarlem 1952
- Licht en Schaduw, religieuze gedichten (met voorwoord van ds. F. Bakker), Oostburg 1964
| Protestantisme (Portaal) |
|---|
|
Geloofsrichtingen: Anabaptisme · Anglicanisme · Baptisme · Calvinisme · Doopsgezinden · Evangelischen · Gereformeerden · Genootschap der Vrienden (Quakers) · Nederlandse Hervormde Kerk · Lutheranisme · Methodisme · Pinksterbeweging · Presbyterianisme · Vergadering van gelovigen · Vrijzinnig protestantisme · Zevendedagsadventisten |