Christian Friedrich Ruppe
Christian Friedrich Ruppe (Salzungen (Thüringen), 22 augustus 1753 - Leiden, 25 mei 1826) was een Duits-Nederlands componist.
Hij werd geboren in de streek die eerder Maarten Luther en Johann Sebastian Bach voortbracht. Zijn vader was hoedenmaker en organist in Wilprechtsrode. Over Ruppes jeugd is vrijwel niets bekend. Volgens een artikel van F. Kist in het Nederlandsch Muzikaal Tijdschrift van 1841 kwam Ruppe al in 1722 in Leiden aan, maar pas op 20 juni 1787 - hij was toen 33 jaar oud - liet hij zich officieel inschrijven als student filologie. Een jaar later werd hij organist van de Lutherse Kerk aan de Hooglandse Kerkgracht. Bij zijn aantreden bleek het orgel in zo'n slechte staat dat Ruppe zich sterk maakte voor de bouw van een nieuw orgel. Met succes, want op 19 april 1790 was de feestelijke ingebruikname van het nieuwe orgel, gebouwd door Andries Wolferts uit Rotterdam. Volgens een krantenverslag vond de ingebruikname plaats met een concert door een groot orkest met een grote verscheidenheid aan instrumenten. Mogelijk heeft Ruppe zijn orgelconcert in C groot - waarvan alleen nog een negentiende-eeuws klavieruittreksel bestaat - voor die gelegenheid gecomponeerd.
Op 18 oktober 1790 benoemde de Universiteit Leiden Ruppe tot "ordinaris musicant" (muziekdirecteur en -docent). Hij trouwde met Christina Chalon, dochter van de concertmeester van het orkest van het Nederlands Theater in Amsterdam.
Op initiatief van Ruppe werd in 1796 het Weeshuiskoor opgericht, een gemengd koor bestaande uit meisjes en jongens uit het Heilige Geest- of Arme Wees- en Kinderhuis aan de Hooglandse Kerkgracht in Leiden. Het koor zong driestemmig, zonder tenorstem. Het werkte onder meer mee aan benefietconcerten ten bate van het eigen weeshuis, daarin bijgestaan door instrumentalisten uit Den Haag, van het stadhouderlijk hof (strijkers, houtblazers) en militaire kapellen (koperblazers, paukenist). Na 26 jaar werkzaam te zijn geweest als docent muziek aan de Leidse universiteit, werd Ruppe op 13 mei 1816 door koning Willem I tot lector toonkunst benoemd. In datzelfde jaar overleed zijn vrouw. Hij hertrouwde met Johanna Petronella Reyers. Gekweld door een oogkwaal en door reumatiek overleed Ruppe op 72-jarige leeftijd te Leiden. Hij werd in Katwijk begraven.
Inhoud |
Twee hervonden cantates [bewerken]
Voor het kerkelijk jaar 1796/97 schreef Ruppe voor het weeshuiskoor een kerst- en een paascantate op Nederlandse tekst van een onbekende tekstdichter, "Zangstukken op ’s Heilands geboorte" en "Gezangen voor het Paaschfeest". Beide cantates voor solisten en koor hebben een groot bezette orkestbegeleiding. De kerstcantate ging in december 1796 in première in de Hooglandse Kerk. Volgens het Zeeuws Archief zijn de cantates na hun eerste uitvoering in elk geval herhaald in Holland en Zeeland tussen 1800 en 1820. In 1987 vond archivaris Sander den Haan de partijen terug. Tweehonderd jaar na hun ontstaan werden de beide cantates in 1996 op CD uitgebracht.
Orgelconcert in C groot [bewerken]
Ter gelegenheid van het 365-jarig jubileum van de universiteit van Utrecht heeft de inmiddels overleden universiteitsorganist Gert Oost (1942-2009) in 2001 Ruppes orgelconcert in C groot gereconstrueerd vanuit het bestaande klavieruittreksel. In februari van dat jaar nam hij het werk op op het Hinsz-orgel in het Auditorium van het Academiegebouw van de universiteit, samen met het Utrechts Studenten Concert onder leiding van Bas Pollard. Op de cd die werd uitgebracht staan o.a. ook Ruppes klaviervariaties op het studentenlied Io vivat. De cd werd verspreid onder de studenten.
Andere werken [bewerken]
Mogelijk zijn Ruppes toonzettingen van oden van Horatius uit 1803 bedoeld voor het Zanggezelschap in Leiden, opgericht in 1800. Zijn enige opera, Galathée (1804), waarvan alleen het tekstboek bewaard is gebleven, schreef Ruppe voor de Franse Opera in Den Haag. Voor de huiskamer bedoeld zijn onder meer de "Twaalf stukjes uit de gedichtjes voor kinderen door mr. H. van Alphen op muzijk gebracht voor den zang en piano-forte door C.F. Ruppe, lector in de toonkunde en kapelmeester aan de Leijdsche hoogeschool"(± 1823) en diverse kamermuziekwerken als trio’s, vioolsonates en pianowerken. Vanuit zijn praktijk als kerkmusicus komen voorts de Zangwijzen van de Psalmen en Gezangen bij de Hervormde Kerk in gebruik, voor drie stemmen, als ook voor het orgel of clavier (1801), de 45 Præludia en 276 Interludia benevens 4 Fuga’s (1802) en de Zangwijzen der Evangelische Gezangen bij de Hervormde Kerk in gebruik, geschikt voor het orgel, fortepiano of clavier (1806). Zijn jarenlange muziekonderricht aan de universiteit vatte Ruppe samen in zijn tweedelige boekwerk Theorie der hedendaagsche muzyk (1809/1810).