Christine D'haen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Christine Elodia Maria D'haen (Sint-Amandsberg, 25 oktober 1923 - Brugge, 3 september 2009) was een Vlaamse dichteres en prozaschrijfster.[1][2]

Levensloop[bewerken]

Christine D'haen (spreek uit: 'Daan') was de dochter van een onderwijzer, later inspecteur van het onderwijs. Haar moeder was eerst stenotypiste en daarna huismoeder. Ze volbracht haar middelbare studies (Grieks-Latijnse) aan het Sint-Bavoinstituut in Gent. Ze studeerde Germaanse filologie aan de Rijksuniversiteit Gent en behaalde haar licentiaatsdiploma in 1946. Van 1947 tot 1949 studeerde ze filosofie in Amsterdam en in 1949-1950 anglistiek in Edinburgh. Ze werd lerares in Brugge en gaf Engels, van 1950 tot 1957 in het Rijkslyceum en van 1957 tot 1970 in de Rijksnormaalschool.

In 1952 trouwde ze met René Beelaert. Hij was in 1941 licentiaat geschiedenis geworden in Gent, met als onderwerp voor zijn thesis: Bijdrage tot de geschiedenis van de godsdienstvervolging in Gent van 1577 tot 1584 en was leraar geschiedenis in het Koninklijk Atheneum 1 Centrum in Brugge.

In 1970 werd ze aangesteld voor de wetenschappelijke archivering en inventarisering van de geschriften van Guido Gezelle, in het bezit van de stad Brugge en werkte hier aan tot in 1982.

Vele jaren woonde Christine D'haen langs de Potterierei en in de stille Jeruzalemstraat in Brugge. Op het einde van de jaren zeventig verhuisde ze naar de Nieuwe Gentweg, waar ze geconfronteerd werd met aspecten van het massatoerisme (onder meer met de paardenhoefslagen van voorbijrijdende koetsen) waar ze geen vrede mee nam en waarover ze in vele ingezonden brieven en met opschriften achter de vensters, haar ongenoegen uitte. Ze maakte ook vaak haar beklag over de 'versuikering' van Brugge. In een interview in Het Nieuwsblad in 1991 zei ze dat Brugge elke dag lelijker werd. Ze sprak ongenadig over de 'uitverkoop aan het toerisme' en trok fel ten strijde tegen 'de toeristische vervlakking'.

Christine D'haen overleed op 85-jarige leeftijd na een twee jaar durende ziekte. Ze werd bijgezet op het Campo Santo kerkhof in Gent - Sint-Amandsberg.

Literair werk en waardering[bewerken]

In 1948 debuteerde ze in Dietsche Warande en Belfort en in het Nieuw Vlaams Tijdschrift. Het katholieke milieu in Sint-Amandsberg bij Gent speelde in haar werk een grote rol. Zelf situeerde ze zich als agnost.

In 1958 verscheen haar dichtbundel Gedichten 1946-1958. Deze gedichten bezitten een klassiek vormschema dat opviel in het decennium van de uitbundige Vijftigers. Haar gedreven poëtisch werk kenmerkt zich door een retorisch taalgebruik met beladen symboliek, een poëtisch-technische begaafdheid, een enorme taalrijkdom, een ongeziene verbeeldingskracht en een zintuiglijke geladenheid. Meermaals komen er verwijzingen terug naar de Griekse mythologie. Om het de lezer wat makkelijker te maken, voegde ze veelal voetnoten toe.

In 1960 werd haar door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Leiden) de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs toegekend. De jury beschreef haar werk, dat toen nog beperkt was, op een merkwaardige wijze, die ook op veel van haar daaropvolgende werken zou toepasselijk blijken, waaruit hiernavolgende citaat:

"Het werk van Christine D'haen heeft een heel eigen stem en staat te midden van de huidige poëzie-stromingen geheel apart. Sedert zij in 1948 in Dietse Warande en Belfort het grote gedicht Abailard en Heloys publiceerde, dat naast een duidelijke beïnvloeding door Aafjes reeds de karaktertrekken van een oorspronkelijke persoonlijkheid verried, ontwikkelde haar talent zich op verrassende wijze. Zij werd de dichteres van de Eros, in bloeiende, lichamelijke zintuiglijkheid beleefd, maar in wezen een ervaring der ziel, terwijl deze beide bij haar in voortdurende communie staan met de kosmos. Een diepe geluksverzadiging gaat hier gepaard met een smartelijk bewustzijn van de raadselachtigheid en vergankelijkheid van leven en liefde. Misschien schreef zij daarom verscheidene van haar typerendste verzen over de zuivere, door geen kritisch denken vertroebelde schoonheid van de slapende geliefde en van eigen verzinken in de wijde geborgenheid van de slaap.

"De poëzie van Christine D'haen is in een merkwaardige synthese warmzinnelijk en intellectueel. Haar geest, drager van een rijke eruditie, beweegt zich met voorliefde in de symbolenwereld van de cultuur der antieken, van de Renaissance en van de bijbel en doet de reële gewaarwordingen, emoties en gedachten vergroeien met een verre, maar voor háár levend tegenwoordige verbeeldingswereld. Men wordt in een aantal verzen op het eerste gezicht herinnerd aan 17de en 18de-eeuwse decoratieve, mythologische pronk. Haar poëzie weet echter de intens beleefde moderne realiteit en haar zeer persoonlijke zinnen- en zielsreacties daarop in een fantasierijke eenheid samen te smelten met deze in haar bewustzijn actueel levende gestalten. (Zie bijvoorbeeld het slotgedicht, De tweede Verdieping).

"In vele andere verzen is de expressie directer, spreekt een jonge vrouw met eigen stem en toon, in een heldere en tegelijk versluierde taal, haar beleving uit van de wereld, van de stille dingen, van avondval en morgendoorbraak, van het sterven van een beminde en bewonderde gezellin (de grafgedichten voor Kira van Kasteel), van de veilige weelde van de slaap, maar bovenal van de verrukkende en toch onvoltooibare Eros."

Christine D'haen schreef autobiografische fictie, alsook een biografie van Guido Gezelle De wonde in 't hert (1988) waarin zij de complexe verhouding tussen de dichter Gezelle en zijn priesterschap onderzoekt. Naast poëzie en proza vertaalde ze ook werk van Hugo Claus in het Engels. In die zelfde taal vertaalde ze ook een 25-tal gedichten van Gezelle.

In Zwarte Sneeuw (1989) schreef de dichteres: "Het is mijn panische angst die mij dag en nacht kwelt: dat ik verloren zal gaan, mijn ziel zal verloren gaan, mijn wezen, mijn zin."

Bij haar nagelaten papieren stak een volledige dichtbundel die in de zomer van 2011 bij Querido werd uitgegeven onder de titel De beker van Djamsjied. Djamsjied was een mythische koning van Perzië die verbonden blijft met de ontdekking van wijn. Een vrouw, lid van zijn harem, viel in ongenade. Ze moest de gifbeker drinken, maar ontdekte dat de gefermenteerde druiven in de beker een ander effect hadden. Ze vertelde de koning over de bijzondere bijwerkingen van de drank en werd weer in de harem opgenomen.

Haar werk werd soms op gemengde gevoelens onthaald omdat zij vaak verwees naar illustere voorgangers als Milton, Dante, Joyce en Rilke. Ook haar ingewikkelde en soms wat buitenissige woordvondsten, constructies en titels zoals 'Onyx', 'Merencolie' en 'Morgane' leken soms vergezocht.

Postume waardering[bewerken]

Onmiddellijk na haar overlijden in 2009 wijdde de openbare stadsbibliotheek van Brugge een uitgebreide expositie aan haar, onder de titel 'De belangrijkste naoorlogse dichteres in Vlaanderen'. In de Vlaamse pers verschenen slechts korte bijdragen bij haar heengaan, dit in tegenstelling tot de Nederlandse pers. In NRC Handelsblad wijdde Kester Freriks een uitgebreide bijdrage aan haar[3] en op Literatuurplein.nl deed Jef van Gool dit eveneens.[4]

Op 18 maart 2010 wijdden De Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde en de Universiteit Gent (Vakgroep Nederlandse Literatuur) een colloquium aan het onlangs overleden Academielid. Het woord werd er gevoerd door Paul Claes, Paul Demets, Marc van den Hoof, Marc Kregting en Hedwig Speliers.

De stad Brugge gaf haar naam aan een nieuwe straat in een verkaveling met appartementsgebouwen op de gronden van het vroegere bedrijf Structo langs de Damse Vaart (wijk Sint-Jozef).

Onderscheidingen[bewerken]

Werken[bewerken]

  • Abailard en Heloys, in: Dietsche Warande en Belfort (1948)
  • Gedichten (1951)
  • Gedichten 1946-1958 (1958)
  • Vanwaar zal ik u lof toezingen? (1966)
  • Gezelle, Poems/Gedichten (1971)
  • Ick sluit van daegh een ring (1975)
  • [Avondzon: zitten aan water] (1983)
  • Onyx (1983)
  • J. H. Leopold, Cheops (1985, vertaling in het Engels, met Paul Claes)
  • John Donne, Een nocturne op het feest van S. Lucia, zijnde de kortste dag (1985, vertaling met Paul Claes)
  • De wonde in 't hert, Guido Gezelle, een dichtersbiografie (1988)
  • Mirages (1989)
  • Zwarte sneeuw (1989) (autobiografie)
  • [Zoals het loof...] (1991)
  • Duizend-en-drie (1992)
  • Een brokaten brief (1992)
  • Merencolie (1992)
  • Schouwtoneel (1994)
  • Morgane (1995)
  • Een paal, een steen (1996)
  • De zoon van de Zon (1997)
  • Bérénice (1998)
  • Dodecaëder / Dantis meditatio (1998)
  • Elohim (1998)
  • Het geheim dat ik draag (1998)
  • Kalkmarkt 6, De stad & Het begin (1999)
  • Het huwelijk (2000)
  • De twaalf werken (2000)
  • Fabula mundus (2001)
  • Miroirs - gedichten vanaf 1946 (2002)
  • Dantes Divina Commedia verklaard (2003)
  • Mirabilia (2004)
  • Uitgespaard zelfportret. Verzameld proza (2004)
  • Innisfree (2007)
  • De beker van Djamsjied (2011)
  • De spiegel van Alexander (2013)

Literatuur[bewerken]

  • Paul CLAES, Christine D'haen, Kritisch Literair Lexicon, december 1980
  • Hendrik CARETTE, Christine D'haen, Cahiers VWS 107, Torhout, 1984.
  • Lexicon van Westvlaamse schrijvers, Deel 3, blz. 57, Torhout, 1986.
  • Paul CLAES, De kwadratuur van de Onyx, Leiden 1986
  • Sylvester BEELAERT, Het kloppend hart van de bacterie: een gesprek met Christine D'haen, in: Kunst en Cultuur, 1992
  • Hedwig SPELIERS, L'enseigne du Gersaint. Over het magnum opus van Christine D'haen, in: De tong van de dichter, Kruispunt 148,1992
  • Hilde VAN DEN HOOFF en Maaike MEIJER, Christine D'haen, vrijmoedig intellectueel, 1996.
  • Elke BREMS, Rien n'est banal: émotion, passion et mythe chez Christine D'haen, Septentrion, XX-3 (2001)
  • dossier met bijdragen van Mathijs de Ridder en Dietlinde Willockx, Spiegel der Letteren, 45,3 (2003).
  • Marja PRUIS, Martha en Maria, in: De Groene Amsterdammer, 5 maart 2008.
  • Kester FRERIKS, Vormvast tussen uitbundigen. Christine Dhaen (1923-2009), dichteres, in: NRC Handelsblad, 4 september 2009.
  • Lori VAN BIERVLIET, In memoriam Christine D'haen, in: Biekorf, 2009, blz. 373-375.
  • Paul CLAES, Christine D'haen: Het patroon in het tapijt, in: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Academie van Nederlandse Taal- en Letterkunde, 2011, blz. 61-69

Externe links[bewerken]

Noten