Claude François

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Claude François
François in 1965
François in 1965
Algemene informatie
Volledige naam Claude Antoine Marie François
Bijnaam Clo-Clo
Geboren Ismaïlia, 1 februari 1939
Overleden Parijs, 11 maart 1978
Land Vlag van Frankrijk Frankrijk
Werk
Beroep artiest, componist, muzikant, uitgever en zanger
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Claude François (Ismaïlia, 1 februari 1939Parijs, 11 maart 1978), bijgenaamd Clo-Clo, was een Frans artiest, componist, muzikant, uitgever en zanger.

Levensloop[bewerken]

François werd geboren op 1 februari 1939 in Egypte. Zijn vader, Aimé, was een Fransman die werkte als directeur op het Suezkanaal. Zijn moeder, Lucia alias Chouffa, werd geboren in Calabrië, Italië, en was huisvrouw. Hij had ook nog een oudere zus, Marie-José (°1936), die hij Josette noemde. In de zomer van 1956, toen het Suezkanaal werd genationaliseerd door president Nasser, keerde het gezin in allerijl terug naar Europa, waar ze zich vestigden in een bescheiden appartement te Monte Carlo. Aimé François, getekend door dit gedwongen vertrek uit Egypte waar ze alles moesten achterlaten, werd ziek en zijn zoon Claude nam de taak als gezinshoofd over. Hij werd drummer in het befaamde orkest van Louis Frosio, zeer tegen de zin van zijn vader. Tussen beiden kwam er een breuk die nooit meer goed zou komen.

Claude François ontmoette in 1959 zijn toekomstige vrouw, de danseres Janet Woollacott. Het huwelijk werd voltrokken op 5 november 1960 in Monaco. Eind 1961 vertrok François met zijn vrouw naar Parijs, vastbesloten het daar te maken als zanger. Het was de tijd van de yé-yé en Salut les copains, het beroemde radioprogramma voor de jeugd. Hij bracht een eerste 45-toerenplaat uit, Nabout Twist, onder de naam KôKô. In het achtergrondkoor zong onder meer Hugues Aufray. De plaat werd een flop. Enkele maanden later, in maart 1962, overleed zijn vader. Zijn vrouw Janet, die nooit in zijn succes had geloofd, verliet hem voor Gilbert Bécaud, met wie ze later een dochter zou krijgen. De scheiding werd officieel op 13 maart 1967.

In oktober 1962 kwam de grote doorbraak met het nummer Belles, Belles, Belles, een cover van The Everly Brothers. De Franse tekst kwam van Vline Buggy en Claude zelf. Het nummer werd grijsgedraaid op de radio en vooral op Salut les copains. Later zouden nog tal van hits volgen, zoals: Marche tout droit, Dis-lui en vooral Si j'avais un marteau. Met het geld van zijn eerste successen kocht hij een appartement te Parijs in het 16e arrondissement, op 46 boulevard Exelmans. In 1964 kocht François een oude watermolen te Dannemois nabij Parijs ("La ferme du bonheur"). De verbouwingswerken aan de gebouwen en de inrichting van het park zou tien jaar duren. In oktober van dat jaar trad hij voor het eerst op in de Olympia. Marlene Dietrich kwam hem persoonlijk feliciteren in zijn loge. Vanaf 1966 traden de bekende danseressen "Les Clodettes" samen met hem op. Een zanger die zich liet begeleiden door danseressen was destijds een primeur in Europa.[bron?] Van de eerste Clodettes maakte ook Maddly Bamy, de laatste vriendin van Jacques Brel, deel uit.

Na een idylle van drie jaar met de toen nog piepjonge Eurovisiesongfestival-winnares France Gall ontmoette hij Isabelle Forêt, die de moeder van zijn twee zonen zou worden. Zijn carrière als zakenman begon in 1967 met de oprichting van zijn eigen platenlabel Disques Flèche. Aan het zwembad van zijn Moulin in Dannemois en geïnspireerd door de liefdesbreuk met France Gall schreef hij samen met Jacques Revaux en Gilles Thibaut het liedje Comme d'habitude. Het verscheen in november 1967 op plaat, de tweede plaat uitgegeven door Disques Flèche. Op vakantie in Frankrijk hoorde Paul Anka dit nummer en hij schreef er een Engelstalige tekst op: My Way. Het lied zou de bekendste compositie van Claude François blijven en de wereld rond gaan: My Way is een klassieker en werd gezongen door zangers als Frank Sinatra en Elvis Presley. Er bestaan bijna 1500 versies van. De bekendste Nederlandstalige versies zijn van onder anderen Will Tura, André Hazes en Raymond van het Groenewoud. In 2009 kreeg François' muziekuitgeverij nog steeds wekelijks een nieuwe aanvraag om het lied te mogen vertolken. Aan de zonen van François alleen al brengt het liedje jaarlijks 750.000 euro aan auteursrechten op. Met zijn lied Parce que je t'aime mon enfant had Elvis Presley een hit onder de titel My Boy.

De jaren zeventig waren die van onder meer Je viens dîner ce soir, Chanson populaire, Le lundi au soleil, Je vais à Rio en vooral Le téléphone pleure (in Nederland bekend als Hé Monique van Frans & Monique, in Vlaanderen later ook als De telefoon huilt mee van Silvy Melody & Danny Fabry) met miljoenen verkochte exemplaren. François bracht veel eigen composities, maar ook vertalingen van Engelse en Amerikaanse artiesten, onder andere uit de bekende Motown-stal.

Op 1 juli 1974 trad hij in Parijs op voor 20.000 toeschouwers, een concert ten voordele van de stichting Perce-Neige van acteur Lino Ventura.

Claude François leidde een hectisch leven waarin plaatopnamen, televisieoptredens en concerten elkaar in rap tempo opvolgen en soms ook het noodlot toeslaat. In 1975 ontsnapte hij op het nippertje aan een aanslag van de IRA in het Londense Hilton-hotel en in juni 1977 werd zijn auto onder vuur genomen op de autosnelweg naar Dannemois. De politie telde elf kogelinslagen in het koetswerk. Hij en de andere inzittenden kwamen er met de schrik vanaf.

Eind 1977 brak de discoperiode aan en ook François deed hieraan mee. Het album Alexandrie, Alexandra kwam uit met onder meer Magnolias for ever, op muziek van Claude François samen met zijn vaste componist Jean-Pierre Bourtayre. De teksten waren van de hand van Etienne Roda-Gil, vaste tekstschrijver van onder anderen Julien Clerc. Datzelfde jaar verscheen er ook een volledig Engelstalig album met de vertaling van zijn bekendste nummers alsook enkele nieuwe liedjes, zoals Leaving for the last time, Don't turn your back on love en Bordeaux Rosé.

François richtte een waar zakenimperium op, waaronder de reeds genoemde platenfirma (Disques Flèche) met onder anderen Liliane Saint-Pierre, Jeremy en Alain Chamfort onder dit label, twee tijdschriften (Podium en Absolu), muziekuitgeverijen (Jeune Musique en Isabelle Musique) en een modellenagentschap (Girl's Models). Tevens bracht hij een eigen parfum op de markt onder de naam Eau Noire. Er werkten een vijftigtal mensen voltijds in de "Groupe Claude François", gevestigd in één gebouw, gelegen 122, boulevard Exelmans.

Het graf van Claude François te Dannemois

Op 16 januari 1978 trad hij voor het eerst op in Londen, in de Royal Albert Hall, voor 6000 liefhebbers. Het concert sloeg aan en een Engelstalige carrière leek zich aan te kondigen. Er verscheen ook een album met zijn grootste successen in het Engels. Vastbesloten door te breken in de Verenigde Staten wilde hij eerst Engeland veroveren. Op 3 februari gaf hij zijn laatste Belgische concert in een uitverkocht Vorst Nationaal te Brussel.

Samen met Petula Clark, Carlos en Charles Aznavour nam hij deel aan de opnamen voor een televisieprogramma van de BBC in Leysin (Zwitserland). Dit gebeurde op 9 en 10 maart. Hij wilde diezelfde vrijdagavond nog terugkeren naar zijn appartement in Parijs, boulevard Exelmans 46, in zijn privévliegtuig, want de dag erna werd hij verwacht voor de tv-opnamen van Les rendez-vous du dimanche, gepresenteerd door zijn goede vriend Michel Drucker.

Hij overleed echter op zaterdag 11 maart 1978 in Parijs, geëlektrocuteerd in zijn badkamer toen hij staande in zijn met water gevulde bad een loszittende lamphouder wilde rechtzetten. Zijn bijna maniakale zin voor orde en stiptheid was hem fataal geworden. Na een begrafenisdienst in de Eglise d'Auteuil, bijgewoond door talloze collega-artiesten en tv-persoonlijkheden, en voor tienduizend bewonderaars buiten, werd hij begraven in Dannemois (Essonne). Op de dag van zijn begrafenis, woensdag 15 maart 1978, lag zijn laatste single in de platenwinkels: Alexandrie, Alexandra, een ode aan zijn geboorteland Egypte. Clo-Clo liet twee zonen na van ongeveer tien jaar.

Legende[bewerken]

Disques Flèche wordt nu geleid door zijn zoon Claude junior. Over François' leven zijn meer dan honderd boeken verschenen.

Zijn landgoed, Le Moulin, is nu een restaurant en museum gewijd aan zijn leven en werk. In het wassenbeeldenmuseum Musée Grévin (het Franse Madame Tussaud) staat zijn beeld. De musical Belles Belles Belles met uitsluitend liedjes uit zijn repertoire speelde wekenlang in een uitverkocht Olympia te Parijs.

In maart 2000 werd te Parijs (16e arrondissement) de "Place Claude François" ingehuldigd, dicht bij de boulevard Exelmans, waar de kantoren van de groep Claude François gevestigd waren en ook nabij het appartement waar hij om het leven kwam. Ook in zijn geboortestad Ismaïlia draagt een straat zijn naam.