College van Beroep voor het Bedrijfsleven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) is een Nederlands bestuursrechtelijk college dat oordeelt over geschillen op het terrein van het sociaal-economisch bestuursrecht.

Ook is het College de hoger beroepsinstantie voor uitspraken over een aantal economische wetten, zoals bijvoorbeeld de Mededingingswet en de Telecommunicatiewet. Verder fungeert het College in hoger beroep als tuchtrechter. Het College is gevestigd in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan te Den Haag.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven maakt deel uit van de rechterlijke macht.

[bewerken] Geschiedenis

In 1950 doet bij de Wet op de bedrijfsorganisatie (wet van 27 januari 1950, stb. K22) de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (pbo) zijn intrede. Ingevolge artikel 140 van evengenoemde wet wordt het beroep tegen besluiten en handelingen van de openbare lichamen – SER, productschappen, hoofdbedrijf- en bedrijfschappen – bij wet geregeld.

Dat gebeurt in de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie van 16 september 1954, die in artikel 4 bepaalt dat er een College van Beroep voor het bedrijfsleven is, dat aldus het rechterlijke sluitstuk van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie wordt en dat thans op grond van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie nog steeds is. Dat voor een apart rechterlijk college werd gekozen vloeide voort uit de opvatting dat voor de beoordeling van sociaal-economische bestuurlijke geschillen een specialisatie werd verwacht die van de leden van de ‘gewone’ rechterlijke macht of van een van de toen bestaande bestuursrechtelijke colleges, naast het werk dat zij al deden, niet kon worden verwacht. Bovendien was, gelet op de aard van de geschillen, behoefte aan snelle rechtspraak. Daarom werd uiteindelijk gekozen voor een systeem waarin het College in eerste en enige aanleg oordeelt.

Tevens ziet in 1954 de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie het levenslicht waardoor het CBb bevoegd wordt in hoger beroep te oordelen over beroepen tegen uitspraken van de tuchtgerechten in de sfeer van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Beide wetten treden op 1 juli 1955 in werking.

In deze eerste periode ligt de nadruk op de behandeling van zaken die hun wortels vinden in de vestigingswetgeving en in regelgeving strekkende tot implementatie onder meer door product- en bedrijfschappen van het Europese gemeenschappelijke landbouwbeleid en de Europese marktpolitiek.

Het jaar 1986 markeert vervolgens een wending in het bestaan van het CBb. Tot medio 1986 oordeelde het College met vijf leden, waarvan twee bijzondere leden die werden benoemd op voordracht van de lichamen waarvan het College de besluiten en – in voorkomend geval – handelingen moest beoordelen.

Het fenomeen van de bijzondere leden wordt in 1986 afgeschaft. Tevens doet in dat jaar het instituut van de enkelvoudige kamer zijn intreden en wordt door de Richtlijnen van de Minister-president d.d. 24 juni 1986, Stcrt. 124, aanbevolen om, indien bij de totstandkoming van wetten gekozen wordt voor administratieve rechtspraak, in wettelijke regelingen van sociaal-economische aard het College te kiezen als administratieve rechter.

Het College heeft zich vervolgens in rap tempo ontwikkeld tot de bestuursrechter die – zonder dat sprake is van volledige concentratie – uit uitstek is gespecialiseerd op het terrein van het sociaal-economische bestuursrecht. Dat betekent, populair gezegd, dat het College actief is op gebieden waar de gemiddelde inwoner van Nederland dagelijks mee in aanraking komt.

[bewerken] Externe link

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren