Competentiegericht leren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Competentiegericht leren of competentiegericht onderwijs is gericht op het bijbrengen van competenties die aansluiten bij de beroepspraktijk. Deze vorm van onderwijs wordt in Nederland vooral geschikt geacht voor volwasseneneducatie en beroepsonderwijs.

Competenties[bewerken]

De centrale term in competentiegericht onderwijs is competenties, maar deze wordt niet eenduidig gebruikt. Traditioneel werden onder competenties kennis en vaardigheden en soms ook houding (attitude) verstaan. Dit zijn doelen voor vrijwel alle vormen van onderwijs. Met competentiegericht onderwijs wordt nu echter meestal gedoeld op specifieke op beroepsuitoefening of beroepshouding gerichte competenties. Het onderwijs wordt niet verzorgd via afzonderlijke vakken, maar via op de beroepspraktijk geënte opdrachten die soms ook in de bedrijven worden uitgevoerd. Daarbij probeert men bovendien nadrukkelijker dan voorheen aan te sluiten bij reeds bij de leerlingen aanwezige competenties. Deze op de praktijk en beroepen gerichte benadering heeft in Nederland vooral opgang gemaakt binnen het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) en later het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Achtergrond[bewerken]

Het bedrijfsleven voelde de behoefte aan meer op de praktijk gestoeld onderwijs en drong aan op aanpassingen in het mbo en andere beroepsopleidingen. Theoretisch wordt de keuze voor competentiegericht onderwijs wel gerechtvaardigd met een verwijzing naar bepaalde stromingen uit de leerpsychologie. In de VS komt "competency-based education" voort uit de "behavioral objectives movement" die rond 1950 ontstond. Deze behavioristische stroming was geïnspireerd door het werk van onder meer Franklin Bobbitt (1876-1956), die stelde dat "de normen en de richting van het onderwijs moeten voortkomen uit de consument: de maatschappij"[1]. Deze meer op het 'ik' gerichte onderwijsstrategie werd gebruikt door Benjamin Bloom (1913-1999). Hij ontwikkelde een meetinstrument voor het onderwijs dat gebaseerd was op "direct waarneembare gedragingen die op een betrouwbare wijze kunnen worden geregistreerd als aan- of afwezig"[2].

Toekomst en kritiek[bewerken]

Inmiddels is door ervaring het inzicht gerijpt dat competentiegericht onderwijs niet de enige geschikte aanpak is. Door deze vorm van onderwijs als panacee te presenteren wordt, zo stellen critici, veronachtzaamd dat andere vormen van onderwijs wel degelijk ook gericht zijn op vaardigheden. Daarnaast wordt op de tekortkomingen gewezen. Competentiegericht onderwijs zou zich niet richten op 'persoonlijke ontwikkeling', maar vooral op een bedrijfsmatig functionele en taakgerichte ontwikkeling. Kortom, deze vorm van onderwijs levert betere werknemers af, maar geen betere mensen. Volgens andere critici dreigen bovendien zowel de feitenkennis als het inzicht in historische ontwikkelingen en hun onderlinge samenhang helemaal uit beeld te raken door de soms zeer grote nadruk op praktische vaardigheden.

De Tweede Kamer heeft op 19 mei 2011 het wetsvoorstel over de invoering van de beroepsgerichte kwalificatiestructuur aangenomen.[3] Daarmee is vooral de benaming veranderd van competentiegerichte kwalificatiestructuur naar beroepsgerichte kwalificatiestructuur. De benaming beroepsgericht geeft meer de feitelijke inhoud van de tweede generatie kwalificatiestructuur weer. Er ligt daarmee minder de nadruk op de lijst met competenties, die dominant op de eerste generatie kwalificatiedossiers drukte.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. P. Saettler: The evolution of American educational technology. Libraires Unlimited Inc., Englewood, Colorado, 1990.
  2. B.S. Bloom, J.T. Hastings, G.F. Madaus: Handbook on formative and summative evaluation of student learning. McGraw Hill, New York, 1971.
  3. Eerste Kamer der Staten-Generaal: 32.316 Invoering beroepsgerichte kwalificatiestructuur voor het beroepsonderwijs