Congolese Burgeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Congolese burgeroorlog
Soort Burgeroorlog
Periode 1994 — heden
Verliezen ~3,8 miljoen
Plaats Congo-Kinshasa
Casus belli Rwandese genocide
Uitkomst Voortdurend conflict
Kaart van Congo-Kinshasa
Kaart van Congo-Kinshasa

De Congolese Burgeroorlog is een conflict dat zich grotendeels op het grondgebied van Congo-Kinshasa afspeelt. Omdat 9 Afrikaanse landen bij het conflict betrokken zijn wordt het conflict ook wel de "Afrikaanse Wereldoorlog" genoemd. Volgens het International Rescue Committee kostte het conflict sinds 1998 aan ongeveer 3,8 miljoen mensen het leven, de meeste slachtoffers stierven als gevolg van honger en ziekte. Miljoenen anderen vluchtten voor het geweld.

Oorsprong van het conflict[bewerken]

Het conflict in het oosten van Congo vindt zijn oorsprong in de Rwandese genocide van 1994 en de aanverwante onlusten in buurland Burundi. Vele Hutu's vluchtten naar het oosten van wat toen Zaïre was. De vluchtelingenkampen kwamen snel onder controle van de Interahamwe-milities, Hutu-milities die een aanzienlijke rol speelde in de Rwandese genocide. In een poging om deze milities te straffen en om invallen in Rwanda te voorkomen, viel het door Tutsi's gedomineerde Rwandese leger het oosten van Zaïre binnen, gesteund door troepen uit Burundi en Oeganda. Deze invasie werd door toenmalig Zaïrees president Mobutu Sese Seko scherp veroordeeld. De Rwandezen en Burundezen steunden door het leveren van wapens en geld ook de rebellen onder leiding van Laurent-Desiré Kabila. Uiteindelijk slaagde Kabila er in om Mobutu te verdrijven en op 20 mei 1997 nam hij officieel de macht over waarbij het land voortaan de Democratische Republiek Congo zou heten.

Kabila werd er al snel van verdacht even corrupt en autoritair te zijn als zijn voorganger en enkele pro-democratische groepen keerden hem de rug toe. Hierop probeerde Kabila de macht te centraliseren. Hierdoor laaide het conflict in het oosten opnieuw op. Verschillende groepen in het oosten van Congo eisten autonomie op. Kabila keerde zijn vroegere bondgenoot Rwanda de rug toe toen deze geen aanstalten maakte om het Congolese grondgebied te verlaten. Hij beschuldigde Rwanda en zijn bondgenoten ervan de minerale grondstoffen die in het oosten van Congo aanwezig waren op te willen eisen.

In augustus 1998 verwijderde Kabila alle Tutsi's uit zijn regering en zette Rwandese en Oegandese functionarissen het land uit. Bijna onmiddellijk hierna kwamen de etnische Tutsi's voor de tweede maal in opstand, gesteund door Rwandese troepen. Om de oostelijke delen van Congo van de Rwandese bezetting te bevrijden, riep Kabila de hulp in van de Hutu-rebellen in Oost-Congo. Hierop antwoordde de Tutsi-regering van Rwanda door een bondgenootschap te sluiten met Burundi en Oeganda en delen van noordoost-Congo te bezetten. De Rwandese regering eiste een aanzienlijk deel van Oost-Congo op als historisch Rwandees. De Rwandezen beschuldigden Kabila er ook van een genocide uit te voeren tegen de Tutsi's in de Kivu-streek.

Zo brak een oorlog tussen verschillende partijen uit. De staten van de Grote Meren steunden opstandelingen in hun strijd tegen Kabila. Deze opstandelingen werd snel de feitelijke machthebbers in de aan grondstoffen rijke oost-westelijke provincies van Congo. Ze hadden hun machtscentrum in de stad Goma. Eind 1998 was de regering van Kabila de controle over meer dan één derde van het grondgebied van Congo kwijt.

Andere staten raakten om verschillende redenen betrokken bij het conflict. Oeganda deed mee omwille van het jarenlange bondgenootschap met Rwanda en om te voorkomen dat Oegandese rebellen zich verschuilden in Oost-Congo. Maar belangrijker was de mogelijkheid om geld te verdienen door de natuurlijke rijkdommen van de streek te ontginnen. President Yoweri Museveni trachtte ook zijn reputatie als invloedrijk en machtig staatsman op te vijzelen.
Zimbabwe, geregeerd door president Robert Mugabe, steunde Kabila, gelokt door de natuurlijke rijkdommen van Congo en de mogelijkheid om zijn eigen macht en prestige in Afrika te verhogen.
Angola, geplaagd door 25 jaar oude oorlog met de UNITA-rebellen, sloot ook een bondgenootschap met Congo om de Angolese rebellen in Congo uit te schakelen, Tsjaad en Namibië sloten zich bij hun bondgenoot Angola aan.
Buiten Afrika bleven de meeste landen neutraal, maar drongen aan op een spoedig eind van het geweld.

Verloop van de oorlog[bewerken]

De Congolese oorlog is er één zonder grote gevechten of frontlinies. Hoewel veel getrainde soldaten van verschillende nationale legers betrokken zijn, proberen de leiders van deze legers te vermijden hun troepen in een open oorlog in te zetten. De uitrusting en training van de nationale legers kost veel geld aan de arme staten uit de regio, en grote verliezen zouden moeilijk op te vangen zijn.

Hierdoor wordt de oorlog vooral uitgevochten door losse milities. Deze ongeoefende en ongedisciplineerde soldaten hebben een belangrijke rol in de gewelddadigheid van het conflict door regelmatige plunderingen, verkrachtingen en etnische zuiveringen. Het maakt het ook moeilijker om vrede te sluiten, aangezien de milities verder gaan, hoewel hun leiders een wapenstilstand hebben afgekondigd.

De conflicten zijn er vooral op gericht controle te verwerven over de natuurlijke rijkdommen van Congo. De staten van de Grote Meren hebben hun oorlog gefinancierd door mineralen, diamanten en hout aan Oost-Congo te onttrekken. Hierdoor slaagden verschillende officieren van de Rwandese en Oegandese troepen erin zich persoonlijk te verrijken. De Rwandese en Oegandese troepen geraakten steeds minder geïnteresseerd in het vervolgen van de verantwoordelijken van de genocide maar des te meer geïnteresseerd in het beschermen van hun lucratieve gebieden in Oost-Congo. De bezettingstroepen legden aan de plaatselijke bevolking hoge belastingen en andere verplichtingen op en eisten veel van het beschikbare voedsel in de streek op.

Ook tussen de verschillende groepen kwam er ruzie over het beheer van grondstoffen. In 1999 kwamen de Oegandese en Rwandese troepen tot een confrontatie in de stad Kisangani. De troepen die Kabila steunden waren echter te uitgeput om van deze situatie te profiteren.

Lusaka-vredesakkoord[bewerken]

Deze omstandigheden leidden tot het eerste staakt-het-vuren van de oorlog. In juli 1999 werd een verdrag getekend door de 6 betrokken landen (Congo, Angola, Namibië, Zimbabwe, Rwanda en Oeganda) en de verschillende groepen rebellen, het Lusaka-vredesakkoord. Volgens dit verdrag zouden troepen van alle partijen samenwerken om alle gewapende groepen in Congo, en dan vooral de groepen betrokken bij de genocide van 1994, op te sporen, te ontwapen en in kaart te brengen. Er werden echter weinig maatregelen genomen om de groepen daadwerkelijk te ontwapenen. De VN Veiligheidsraad stuurde in augustus 1999 ongeveer 90 waarnemers naar de regio om het akkoord te ondersteunen.

Al snel echter beschuldigden alle partijen elkaar ervan het staakt-het-vuren verschillende malen te doorbreken, en het werd duidelijk dat er slechts een klein incident nodig was om de oorlog opnieuw te laten oplaaien. In november zei de Congolese staatszender dat Kabila's leger opnieuw was opgebouwd en voorbereid was om het land volledig te bevrijden. Hierop lanceerden Rwandese troepen een grootschalig offensief en naderden ze de hoofdstad Kinshasa; ze trokken zich uiteindelijk terug.

Op 30 november 1999, stuurde de VN 5.500 troepen naar Congo, de MONUC (Mission de l' Organisation des Nations Unies en République démocratique du Congo) om de vrede te bewaren maar gevechten tussen de regering en rebellen en Oegandezen en Rwandezen hielden aan.

De moord op Kabila[bewerken]

Mensen wachten aan de Congolees-Rwandese grens, 2001.

In januari 2001 werd Laurent Kabila vermoord door één van zijn lijfwachten. Het is onbekend wie de opdracht gaf tot de moord, maar vooral Kabila's bondgenoten worden verdacht, omdat ze zijn dubbelzinnigheid beu zouden zijn. Door een unanieme stemming in het Congolese parlement werd zijn zoon Joseph Kabila aangesteld als zijn opvolger, vooral door de steun die hij van Robert Mugabe kreeg. In februari ontmoette de nieuwe president de president van Rwanda, Paul Kagame, in de Verenigde Staten. Rwanda, Oeganda en de rebellen kwamen overeen dat ze hun troepen zouden terugtrekken volgens een plan van de Verenigde Naties.

In april 2001 onderzocht een VN-delegatie van experts de illegale ontginning van diamanten, kobalt, coltan, goud en andere waardevolle grondstoffen van Congo. Het rapport dat hieruit volgde beschuldigde Rwanda, Oeganda en Zimbabwe van het systematisch ontginnen van de Congolese rijkdom en raadde de Veiligheidsraad aan sancties te treffen.

Vredespogingen[bewerken]

Er volgde een reeks van pogingen om het conflict op te lossen, maar deze waren niet succesvol. In 2002 werd de situatie in Rwanda erger, vele leden van de RCD (Rassemblement Congolais pour la Démocratie), gaven het vechten op, of sloten zich zelfs aan bij de troepen van Kabila. De etnische Tutsi's in Congo, de ruggengraat van de pro-Rwandese milities, raakten de inmenging van Kigali beu. Sommigen onder hen deserteerden en raakten slaags met de Rwandese troepen. Ondertussen kwam het westen van Congo steeds sterker onder de controle van Joseph Kabila, internationale hulp kwam opnieuw op gang en de inflatie werd onder controle gebracht.

Op 22 juli 2002, sloten Rwanda en Congo-Kinshasa een vredesovereenkomst na 5 dagen van onderhandelingen in Pretoria, Zuid-Afrika. De gesprekken focusten zich rond twee onderwerpen. Het eerste was de terugtrekking van de naar schatting 20.000 Rwandese soldaten in Congo, een tweede punt was het zoeken naar Rwandese ex-soldaten en het ontmantelen van de extremistische Hutu-militie Interahamwe, die een aandeel had in de genocide van 1994 en verder opereerde vanuit Oost-Congo. Rwanda weigerde zijn soldaten terug te trekken voor de Interahamwe militie opgedoekt was.

Het akkoord van Gbadolite van 31 december 2002 werd ondertekend door het MLC, het RCD-N en het RCD-ML. Het akkoord verplichtte hen ertoe alle gevechten binnen de vierhoek Isiro-Bafwasende-Beni-Watsa stop te zetten en VN-waarnemers in de streek toe te laten. Het bevatte ook garanties voor de vrijheid van beweging van de bevolking en hulporganisaties van het ene gebied naar het andere. Ook dit akkoord had weinig effect op het conflict.

Op 6 september 2004 werd het Luanda-akkoord, een vredesverdrag tussen Congo en Oeganda ondertekend. Het plan hield in dat Oeganda zijn soldaten uit Congo terugtrok en probeerde de relaties tussen Oeganda en Congo te verbeteren. Ook dit akkoord hield niet lang stand.

Op 19 november 2004 ondertekenden de landen uit de regio van de Grote Meren, waarvan een groot deel betrokken zijn bij het conflict, in de Tanzaniaanse stad Dar es Salaam een historisch akkoord dat de veiligheid, vrede en democratie in de regio moet garanderen. Precies een week later, op 26 november, dreigde Rwanda ermee opnieuw Rwandese troepen naar Oost-Congo te sturen omdat de Congolese regering er niet in slaagde de Hutu-rebellen te ontwapenen. Een dag later sloten Paul Kagame en Joseph Kabila op de top van de Franstalige landen in Burkina Faso een akkoord. Ze raakten het er over eens dat de internationale gemeenschap een grotere rol moest spelen in Oost-Congo. Er zou onder meer een controlemechanisme komen om de locatie van de Hutu-rebellen op te sporen en indien ze een bedreiging voor Rwanda vormden zouden ze met de hulp van VN-troepen onschadelijk gemaakt kunnen worden.

Gevolgen[bewerken]

Het conflict heeft een grote invloed op de ontwikkelingen in de regio. De oorlog heeft de al zwakke economie in de regio volledig vernietigd, omdat buitenlandse investeerders vertrokken zijn en een groot deel van het budget van de regeringen naar het conflict vloeide.

Binnen Congo-Kinshasa zorgde de burgeroorlog ervoor dat naar schatting 3,4 miljoen mensen op de vlucht sloegen; de meeste vluchtelingen kwamen uit het oosten van Congo. Nog eens 2 miljoen mensen uit de buurlanden Burundi, Rwanda, Oeganda en Tanzania waren eveneens op de vlucht.

De oorlog zorgde er ook voor dat de reputatie van heel Afrika onder de Sahara ernstig geschaad werd. Na de afschaffing van de Apartheid in Zuid-Afrika en de democratische verkiezingen die er op volgden zagen velen de toekomst van Afrika hoopvol tegemoet. Sommigen maakten zelfs gewag van een 'Afrikaanse Renaissance'. Door het aanhoudende geweld kreeg deze hoop een aanzienlijke deuk, en de reputatie van veel staatsmannen die als hervormers gezien werden raakte besmeurd.