Conservenblik

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Verschillende maten conservenblikken. Op de voorgrond een klein blik dat zonder blikopener geopend kan worden.

Een conservenblik (ook wel als 'een blik' aangeduid) is een gesloten blik waarin voedsel zit. Doordat er geen lucht bij kan, blijft het voedsel na sterilisatie bij hoge temperatuur lang houdbaar.

Inhoud[bewerken]

De inhoud van een conservenblik kan velerlei zijn, het meest bekende is:

Wanneer een blik beschadigd blijkt te zijn en lekt, of wanneer het bol staat, moet het weggegooid worden. Er is dan een gevaar voor voedselvergiftiging (o.a. botulisme).

Geschiedenis[bewerken]

De basis voor het conservenblik werd in 1809 gelegd door de Fransman Nicolas Appert. Bij Apperts methode werden echter glazen flessen gebruikt. In 1810 vond de Brit Peter Durand het metalen conservenblik uit en kreeg ook het patent erop. De eerste conservenblikken waren zware trommels die moeilijk te openen waren, met messen of zelfs beitels. Pas nadat blikken van dunner metaal werden gemaakt, zo'n 50 jaar later, werden er ook speciale blikopeners ontwikkeld. Tegenwoordig zijn er veel blikken die zonder opener kunnen worden geopend door aan een lipje te trekken.

Bouteille à conserve Appert

Techniek[bewerken]

De meeste blikken worden in drie delen gemaakt. Een cirkelvormige boven- en onderkant, en een cilindervormige zijkant. Het is ook mogelijk om de zijkant en onderkant uit één stuk metaal te trekken. Dan hoeft alleen nog maar het deksel er op gemonteerd te worden.
De zijkant is gegolfd of heeft ribbels om voor stevigheid te zorgen en om eventuele drukverschillen op te vangen. En om makkelijk persbaar te maken.

De binnenkant van een conservenblik bevat meestal een coating om het voedsel te beschermen. Dit was vroeger een metaallaagje of soms een soort verflaag, maar tegenwoordig is dat vrijwel altijd een kunststof laag.

Standaardconservenblik[bewerken]

De meest voorkomende conservenblikken, gevuld met bruine bonen, sperziebonen, erwtensoep of een ander product, zijn blikken met een diameter van 10 cm en met een hoogte van 11 cm, zodat de inhoud hiervan, rekening houdend met de materiaaldikte van 0,25 mm, ongeveer 0,85 liter is. Op de wikkel van veel blikken staat, dat er 0,8 liter inzit, zodat de blikken niet tot de rand gevuld zijn. Dat is ook wel nodig, om het uitzetten van het product op te kunnen vangen. Verder moet er natuurlijk voor worden gezorgd, dat de door de spreiding bij vulproces niet te weinig in zo’n blik terecht komt. Dat houdt dus in, dat er meestal iets meer van het product in het blik wordt gedaan, om zeker te zijn, dat de afnemer tevreden is.

Het ligt natuurlijk zeer voor de hand, dat de fabrikant die grote hoeveelheden standaardblikken moet gaan vullen, graag wil, dat de stuksprijs hiervan zo laag mogelijk is. Het standaardblik moet dus liefst een zo klein mogelijk oppervlak hebben, want dan wordt er zo min mogelijk materiaal gebruikt. Ook bij het transport van de gevulde blikken moet natuurlijk zo min mogelijk ruimte worden ingenomen. Wat betreft het oppervlak van het conservenblik is hier dus sprake van een minimum. Wat betreft de inhoud van het blik is hier sprake van een maximum, namelijk 0,85 liter. Deze twee uitersten zullen in één product verenigd moeten worden.

Het oppervlak van A van een aan de onder- en de bovenzijde afgesloten cilinder met diameter d is: A = ½πd² + πdh. De inhoud V van een cilinder met hoogte h wordt als volgt uitgedrukt: V = h . A’, waarbij A’ het oppervlak is van het grondvlak.

We zullen nu eens onderzoeken waar het minimumoppervlak bij de cilinder ligt. Uitgaande van een inhoud van 0,85 liter, kan bij elke diameter d en de daaruit af te leiden hoogte h steeds het oppervlak A van de cilinder worden berekend. Wiskundig kan dit allemaal natuurlijk op eenvoudige wijze worden berekend met limieten, maar dan mis je toch tamelijk snel het inzicht van wat er gaande is. Om die reden zullen we hier dan ook met een rekenvoorbeeld werken.

Als we om te beginnen eens twee uitersten nemen, bijvoorbeeld een cilinder met een diameter d1 = 20 cm en een cilinder met een diameter d2 = 5 cm, dan volgt hieruit, dat bij het eerste blik de hoogte h1 = 2,75 cm en bij het andere blik h2 = 44 cm. Dat zijn nogal uitzonderlijke blikken; een laag, nogal plat blik alleen geschikt voor het opbergen van crêpes, en een hoog, uitermate slank blik, alleen geschikt voor het inblikken van asperges. De oppervlakken van deze twee blikken zijn 801 cm² en 730 cm².

Ons gevoel zegt, dat we wel ergens halverwege d1 = 20 cm en d2 = 5 cm, moeten uitkomen. Weer uitgaande van de inhoud van 0,85 liter, kan bij aanname van een aantal diameters in de buurt van de 10 cm steeds het oppervlak A worden berekend. We zien dan vanzelf wel waar we uitkomen. In bijgaande tabel zijn de uitkomsten netjes gerangschikt.

Verhouding van oppervlakte en diameter
d (cm) h (cm) A (cm²)
7 22,5 563
8 17,2 525
9 13,6 505
10 11 497
10,27 10,27 496
11 9,1 499
12 7,6 509
13 6,5 527
14 5,6 551
15 4,9 580
16 4,3 614


Het kleinste oppervlak A = 496 cm² - het minimum dus – blijkt aanwezig te zijn, als de diameter d gelijk is aan de hoogte h. Dit is het geval als h = d = 10,27 cm, zoals ook bijgaande grafiek laat zien.

In de praktijk blijkt het blik iets af te wijken van de ideale afmetingen. De diameter van een standaardblik is 10 cm en de hoogte is 11 cm, maar dit heeft, zoals uit de tabel en uit de grafiek blijkt, nauwelijks invloed op het blikoppervlak A, zodat toch goed wordt voldaan aan de gestelde eis met betrekking tot het materiaalverbruik en dus de kosten. Andere eisen aan de afmetingen worden bijvoorbeeld ingegeven door afmetingen van de tray en/of het pallet waarmee blikken worden getransporteerd.

Zie ook[bewerken]