Cosa nostra

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Zie Cosa Nostra (strip) voor de gelijknamige stripreeks.

Cosa nostra (Nederlands: Onze zaak) is de naam van de overkoepelende criminele organisatie van de verschillende Siciliaanse maffiafamilies.

De belangrijkste families uit deze organisatie zijn die van Catania, Palermo, maar vooral die van Corleone, die halfweg de jaren negentig de macht binnen de Cosa nostra naar zich toe hebben weten te trekken. Hoewel het bestaan van deze criminele organisatie lange tijd werd ontkend, heeft de organisatie van oudsher connecties met het bedrijfsleven en de politiek. De Italiaanse christendemocratische partij Democrazia Cristiana was betrokken bij de maffia, waarbij Giulio Andreotti die enige malen minister en minister-president geweest is, een grote rol heeft gespeeld. De christendemocraten werden op hun beurt gesteund door de VS vanwege de angst voor het communisme.

Ook in de VS bestaat een maffia van Siciliaanse immigranten die La Cosa nostra wordt genoemd en die mogelijk de Cosa nostra in Italië steunt.

Na de processen in de jaren negentig is het rustig geworden in Palermo, de tijd van brute moordaanslagen op klaarlichte dag lijkt voorbij. Toch speelt de maffia nog steeds een rol in de Siciliaanse maatschappij.

Geschiedenis[bewerken]

Oorsprong[bewerken]

Cosa nostra ontstond in de beginjaren van de 19e eeuw uit de sociale klasse van de "massari", de "fattori" (rentmeesters) en de "gabellotti" (geldhouders) die het dagelijks beheer hadden over de landgoederen van de Siciliaanse adel, en de "braccianti", dagloners die er werkten. Het waren gewelddadige mensen, die de schakel vormden tussen de laatste feodale eigenaars en de laatste horigen in Europa: en om hun metier beter uit te kunnen oefenen omgaven zij zich met "scagnozzi": ingehuurde en omgekochte trawanten, een soort lijfwachten. Deze groepen werden snel permanent en werden sektes, broederschappen of bendes genoemd. Het eerste document waarin melding wordt gemaakt van een maffiabende dateert van 1837, waarin Pietro Calà Ulloa, de "procuratore generale" van Trapani, aan zijn superieuren in Napels melding maakt van de activiteiten van vreemde sekten die zich toeleggen op misdadige bedrijven die ook ambtenaren corrumpeerden.

De uitdrukking maffia (Italiaans: mafia met één f) kwam vanaf 1863 in zwang door het succesvolle Siciliaanstalige toneelstuk I mafiusi di la Vicaria van Giuseppe Rizzotto en Gaetano Mosca, dat in het Italiaans, Napolitaans en Milanees werd vertaald, zodat het begrip over heel Italië werd verspreid. De maffia was dus een entiteit buiten de staat, maar wel nauw ermee verbonden.

Doordat Sicilië vanaf 1860 deel ging uitmaken van het unitaire Italië werd het reeds ingezette proces van de ontmanteling van de op het platteland nog bestaande feodale structuur versneld. Dit gebeurde toen de Sicilaanse economie werd geïntegreerd in die van de rest van het land. Bovendien nam de Piëmontese regering de plaats in van de Bourbons, zonder dat zij er echter in slaagde een goede verhouding met de Siciliaanse maatschappelijke structuur te verkrijgen.

Zo ontstond de behoefte van de grootgrondbezitters van het binnenland aan hulp die een totale controle over hun bezittingen kon garanderen. Dit verklaart waarom het Risorgimento de ontwikkeling van de maffia bevorderde.

De antimaffia[bewerken]

Het is niet mogelijk om het fenomeen Cosa nostra volledig te begrijpen zonder een verhandeling over de tegenbeweging.

De antimaffiabeweging kan volgens drie criteria worden onderverdeeld:

  1. Spontaan: voortkomend uit individueel initiatief, bijvoorbeeld Peppino Impastato, Libero Grassi en Pino Puglisi.
  2. Georganiseerd: organisaties met het oogmerk om de maffia te bestrijden en een wettelijke structuur te scheppen, zoals de Fasci siciliani opgericht aan het einde van de 20e eeuw, het Centro di Documentazione Peppino Impastato, en organisaties als Sos impresa en Libera.
  3. Van staatswege: bijvoorbeeld de pentiti-wetgeving, de Wet 41 bis over het strenge gevangenisregime, het oprichten van de Direzione investigativa antimafia (DIA) en de Direzione Distrettuale Antimafia (DDA).

Maar de voorloper was echter de anti-maffiapool welke in de jaren zestig werd opgericht na een bloedige maffia oorlog. Deze pool (collectief) van magistraten en onderzoeksrechters had maar één taak en dat was het bestrijden van de maffia. De pool werd korte tijd stilgelegd en eind jaren zeventig weer opgericht na enkele excellente kadavers (cadaveri eccellenti, vermoorde mensen met een hoge maatschappelijke functie). Deze pool onder leiding van Antonino Caponetto boekte vooral grote successen halverwege de jaren '80 door Giovanni Falcone en Paolo Borsellino. Zij werden de kopstukken in de strijd tegen de maffia. Door hun toedoen werd de maffia erkend als een georganiseerde criminele organisatie en konden maffiabazen voor het eerst veroordeeld worden voor moorden die ze niet eigenhandig hadden gepleegd, want door de theorie van Buscetta (een kroongetuige, pentito) kon de Cupola aansprakelijk worden gesteld. Echter beide magistraten werden in 1992 vermoord, waardoor toen pas de DIA enz. werden ingevoerd.

Het fascistische tijdperk[bewerken]

De eerste aanvallen op de macht van de maffia kwamen van Benito Mussolini, die in 1925 Cesare Mori naar Sicilië zond met de opdracht om de maffia met alle middelen uit te roeien. Deze installeerde zich in Palermo op 22 oktober van dat jaar en verwierf al gauw de bijnaam Prefetto di ferro (de IJzeren prefect). Mori ging inderdaad spijkerhard te keer tegen met name de kleine en middelmatige vis van Cosa nostra, gebruikmakend van de medewerking van de grootgrondbezitters en de kleinere bezitters van onroerend goed. Zonder aandacht voor rechtsbeginselen richtten de inspanningen van Mori zich vooral op het behalen van een consistent aantal veroordeelden dat hij aan de Duce kon rapporteren als bewijs van het succes van zijn operatie. Honderden en honderden mannen werden gearresteerd en veroordeeld tijdens korte rechtszaken, zoals de baas Don Vito Cascio Ferro die de cel inging ondanks totale afwezigheid van bewijs. Na enkele spectaculaire arrestaties van capo's voelden zelfs de topmensen van Cosa nostra zich niet meer veilig en kozen ze een uitweg:

  • een deel emigreerde naar de Verenigde Staten
  • anderen werden lid van de fascistische partij.

Toen de IJzeren Prefect ettelijke connecties tussen vooraanstaande figuren van de fascistische partij en maffiose families ontdekte, werd hij gepromoveerd en ontheven van zijn taak. De grenzen van zijn handelen zou hij in opvolgende tijden leren kennen, toen hij tot senatore del regno (rijkssenator) werd benoemd voor zijn bestrijding van de maffia.

Onder andere de brute buitenwettelijke middelen gebruikt door de politie in verschillende acties uitgevoerd om het fenomeen maffia uiteen te slaan, leidden tot een vergroting van het wantrouwen van de bevolking tegen de staat, wat een van de belangrijkste bestaansredenen van de maffia aanwakkerde. Desondanks is het een feit dat Mori de eerste Italiaanse onderzoeker was die liet zien dat de maffia bestreden kon worden met een strijd zonder kwartier te geven, zoals later Giovanni Falcone ook staande zou houden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren het de Amerikanen die Cosa nostra terug aan de macht hielpen op Sicilië. Verscheidene Italo-Amerikaanse bosses die in de VS in de cel zaten (waaronder Lucky Luciano en Vito Genovese), werden gecontacteerd door de CIA. Met de belofte van invrijheidstelling werden ze belast met de zekerstelling van de geallieerde verovering van het eiland. Naast deze Amerikaanse maffiabazen werden ook Siciliaanse Dons ingeschakeld, waaronder Vincenzo Di Carlo, Calogero Vizzini en Giuseppe Genco Russo.

1945-1975[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog onderging de Siciliaanse samenleving een grondige gedaanteverwisseling. Het gewicht van de landbouw in de economie nam af ten faveure van andere sectoren zoals de handel en de dienstensector. In deze periode werd het overheidsbestuur op Sicilië de belangrijkste entiteit in de economie. Cosa nostra wist natuurlijk de vruchten te plukken van deze verandering en katapulteerde zichzelf naar de nieuwe belangrijkste sociale en economische sectoren. Om hierin te slagen, moest Cosa nostra nog meer dan voorheen de politiek omhelzen, met name de politici van de grootste partij in Italië en op Sicilië: de Democrazia Cristiana.

Uit deze overeenkomst trok de maffia de winst (door oneerlijke aanbestedingen) uit het verwerven van opdrachten voor bouwkundige projecten voor de infrastructuur en voor de nieuwe wijken van de grote steden, door de inning van belasting voor rekening van de staat en voor het aannemen van personeel voor de verschillende staatsorganen. De DC als partij won erbij omdat Cosa nostra, door haar greep op haar territorium, in staat was om grote hoeveelheden stemmen te ronselen. De politici hadden individueel baat bij de grote sommen geld waarmee zij werden omgekocht. Het is dus logisch dat de staat tot aan het eind van de jaren zeventig, toen de situatie begon te veranderen, het bestaan van de maffia heeft ontkend.

Maffiaoorlog[bewerken]

Het overschakelen van de smokkel van sigaretten op de veel winstgevender drugshandel betekende een grote verandering in de structuur en methodes van Cosa nostra. De traditionele bevelsstructuur verzwakte, en in 1978 barstte een onderlinge maffiaoorlog uit die ook de interne onderverdeling in families deed ontploffen - en dat was de belangrijkste noviteit: deze oorlog bestond eigenlijk uit een campagne ter vernietiging en beschadiging van de andere rivaliserende facties door de Corleonesi, die er op deze wijze in slaagden om zich van een ongeëvenaarde dominante positie binnen Cosa nostra te verzekeren.

De Corleonesi, wier exponenten op dat moment Luciano Liggio, toen in de gevangenis, Bernardo Provenzano en Toto Riina waren, waren een extreem meedogenloze groep, die om hun macht te demonstreren een reeks opmerkelijke moorden pleegden, waarbij ze alle overheidsdienaars die een obstakel konden zijn uit de weg ruimden: zo stierf de generaal van de Carabinieri Carlo Alberto Dalla Chiesa, held van de strijd tegen het terrorisme, vermoord door de maffia in Palermo precies 100 dagen na zijn installatie. Ook vermoord werden Pio La Torre, Rocco Chinnici, Piersanti Mattarella, prefect van de regio Sicilië, Ninni Cassarà en vele anderen. In deze periode doken ook lokale filialen van Cosa nostra op in Lombardije, Latium en de Marche.

De maxiprocessi[bewerken]

De wreedheden begaan tijdens de maffiaoorlog in die jaren dreven echter ook enige maffiosi naar samenwerking met de overheid. Onder hen was maffiabaas Tommaso Buscetta,die in 1984 Giovanni Falcone voor het eerst ontmoette. Buscetta koos ervoor om deze magistraat te vertrouwen en begon te praten, waarmee hij brak met de omerta. Met zijn onthullingen konden Falcone, Borsellino en hun team de beroemde maxiprocessi di Palermo opzetten waarin maar liefst 1400 personen werden aangeklaagd. Hiermee brachten zij de eerste harde klap toe aan Cosa nostra.

De aanval op de staat[bewerken]

Op dit eerste proces volgden nog verschillende andere. Het was een tijd van interne vergiftiging van de Italiaanse magistratuur en politiek, terwijl de maffia probeerde weer op te krabbelen: in het begin van de jaren '90 reorganiseerde de Corleonesi-clan dat wat over was gebleven van Cosa nostra en begon het een reeks terroristische aanslagen met de aanslag van de Via dei Georgofili in Florence en de bom in de pinacotheek van Milaan. De beruchtste aanslagen waren echter de aanslag van Capaci en de aanslag van de Via d'Amelio bij welke Giovanni Falcone het leven liet, samen met zijn echtgenote Francesca en een deel van hun escorte. Zijn opvolger Paolo Borsellino werd enkele maanden later ook geliquideerd.

Het antwoord van de staat[bewerken]

Als gevolg van de aanslagen ontstond oppositie tegen de maffia in de tot dan toe apathische Siciliaanse samenleving. De angst, de omerta en de traditionele gedaante van Cosa nostra leken verdwenen en het overgrote merendeel van de bevolking had genoeg van al het bloedvergieten. Grote demonstraties werden gehouden, lakens met anti-maffia leuzen verschenen voor de ramen: de opstand van de lakens. Op Sicilië werden progressieve politici gekozen die tot alles bereid waren om de maffia te bestrijden. Redevoeringen over de wet en de burgerlijke vorming werden gehouden door tegen de maffia gekeerde rechters, officieren van justitie en ouders van slachtoffers.

Daarbovenop kwam het militaire antwoord van de staat, die met de operatie Vespri Siciliani (Siciliaanse vespers) een goede 20.000 soldaten naar het eiland stuurde (van 25 juli 1992 tot 8 juli 1998). Kwetsbare objecten zoals rechtbanken, woningen van officieren van justitie, luchthavens, havens enz werden bewaakt. Een citaat van Francesco Forgione: "la Sicilia del dopo stragi somiglia più alla Colombia che non all'isola libera, aperta, gioiosamente mediterranea che abbiamo conosciuto da secoli" ("Het Sicilië van na de aanslagen lijkt meer op Colombia dan op het vrije, open, plezierig mediterrane eiland dat we al eeuwen kennen").

Het effect van het leger werkte gunstig op de plaatselijke veiligheid, ondanks de verschillende kritieken dat het eiland gemilitariseerd was geraakt. De misdaad daalde behoorlijk en er vonden opnieuw enkele belangrijke arrestaties plaats, waaronder die van Toto Riina en Leoluca Bagarella. De openbare aanklager Giancarlo Caselli kwam naar Palermo op 15 januari 1993 dezelfde dag dat Riina gearresteerd werd. De inspanningen van het openbaar ministerie werden verhevigd, niet alleen dankzij de aanwezigheid van het leger, maar ook door het werk van de succesvolle Caselli.

Huidige situatie[bewerken]

De bestrijding was in 2007 bijzonder succesvol: meer dan 1000 arrestaties en beslaglegging op meer dan 350 miljoen euro.

Ook al is "Cosa nostra" niet meer zo zichtbaar als vroeger, dit betekent niet dat zij verdwenen is. Cosa nostra heeft er de voorkeur aan gegeven om zich uit de openbaarheid terug te trekken en onzichtbaar veel effectiever te werk te gaan. Dit betekent ook niet dat de maffia nu minder gevaarlijk is, zij heeft nog steeds contacten met de politieke wereld.

Veel progressieve burgemeesters, provinciale en regionale bestuurders zijn inmiddels weer vervangen door personen die net als de grote maffiabazen tijdens de grote antimaffiaprocessen verborgen bleven.

Zonder de steun van de maatschappij kunnen de onderzoeksactiviteiten van de ordediensten en justitie geen relevante resultaten voortbrengen.

De politieke wil ontbreekt inmiddels ook om nog langer jacht te maken op de maffia en de maffiosi. Noch rechts noch links zien dit als een prioriteit. Dit bleek bijvoorbeeld uit de schokkende woorden van minister Lunardi van mei 2002 waarbij hij verklaarde dat het noodzakelijk is om met de maffia samen te leven.

De VN-commissaris voor de strijd tegen misdaad en drugs, Pino Arlacchi, heeft echter op een VN-congres over misdaad en drugshandel verklaard dat de maffia in 2010 definitief verslagen zal zijn.

Op 11 april 2006 is er een doorbraak gekomen in de strijd tegen de maffia. Bernardo Provenzano, tot op dat moment de hoogste maffiabaas, werd na een zoektocht van 43 jaar opgepakt op een boerderij nabij Corleone in Sicilië. Toch bewijst dit maar weer dat de Cosa nostra genoeg contacten binnen de politiek heeft om zo'n persoon voor zo'n lange tijd te doen verdwijnen. Over de opvolging wordt ook verwacht dat deze nieuwe leider(s) genoeg contacten met corrupte politici hebben. Met de arrestatie van Provenzano is het laatste vooraanstaande lid van de clan der Corleonezen gepakt.

Nieuwe topmannen[bewerken]

Na de arrestatie van Provenzano werden er twee personen genoemd als nieuwe baas der bazen. Het gaat hier om Salvatore Lo Piccolo (58) en Matteo Messina Denaro (44). Lo Piccolo was 23 jaar onvindbaar voor de politie en was de koning van de westelijke wijken van Palermo. Messina Denaro is een echte maffioso van de nieuwe generatie en staat bekend om zijn goede relaties in politiek. Na de arrestatie van Provenzano, en de arrestatie van Lo Piccolo op 5-11-2007, is Denaro de meest gezochte Italiaanse crimineel.

Structuur[bewerken]

De informatie over de interne organisatie van Cosa nostra danken we aan het werk van Giovanni Falcone, de eerste Italiaanse magistraat die regelmatig met succes de maffia wist te bestrijden.

De organisatie van Cosa nostra is strikt gecompartimenteerd in zgn. famiglie (families) waarin alle betrokkenen (nu 2005) ongeveer 5000 man elkaar kennen en bestuurd worden door een capomandamento (districtscommandant): iedere familie beheerst een duidelijk afgebakend gebied, dat in zones is onderverdeeld die bestuurd worden door een capobastone (stafcommandant). Elke capomandamento vertegenwoordigt de eigen familie in de cupola (koepel), een collegiaal orgaan dat het bestuur over Cosa nostra uitoefent. In de laatste jaren, na de reorganisatie gevolgd op de slagen die door de overheid werden toegebracht, is de structuur die al erg eenvoudig was zo mogelijk nog minder verticaal en minder gelokaliseerd. Men schat (harde feiten ontbreken tot nog toe) dat de nieuwe families van Cosa nostra verdeeld zijn op functie, in plaats van op territorium.

De criminele strategie van Cosa nostra is tweezijdig van de ene kant de zekerstelling van het beheersen van het territorium waar zij is gevestigd, van de andere kant de heffing van een soort belasting op alle bedrijfsmatige activiteit in dat gebied (de zogeheten pizzo ("beschermingsgeld") en de nietsontziende en directe bestraffing van wie dan ook die de rondgestuurde voorschriften overtreedt, en het corrumperen van de politieke macht en de functionarissen van de staat, met smeergeld en stemmen, om zo een onschendbaarheid te verkrijgen en een voet tussen de deur van het systeem om zo de politieke macht naar eigen goeddunken te kunnen misbruiken. Deze combinatie van onschendbaarheid en macht biedt Cosa nostra de mogelijkheid om om het even welke vijand het hoofd te bieden, hetzij andere misdadigers, hetzij overheidsorganen. Ze zijn ervan verzekerd dat zij altijd een beschermde vluchtplaats hebben en invloedrijke vrienden tot wie zij zich kunnen wenden.

Economie[bewerken]

Uit recente (2004) gegevens van Eurispes blijkt dat Cosa nostra € 8 miljard euro per jaar verdient aan drugshandel, € 2,8 miljard aan economische witteboordencriminaliteit (corrupte aanbestedingen, witwassen van zwart geld), € 176 miljoen aan de prostitutie 1,5 miljard aan de wapenhandel en 351 miljoen aan uitpersing en woekerrentes. Dit alles betekent een jaaromzet van ongeveer € 13 miljard.

Namenlijsten[bewerken]

Maffiosi van Cosa nostra[bewerken]

Contacten van Cosa nostra[bewerken]

Vermoord door Cosa nostra[bewerken]

Bestrijders van Cosa nostra[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen en noten
  • Peter Gomez, Marco Tavaglio: La repubblica delle banane, Editori Riuniti, Roma 2001
  • Peter Robb: Middernacht op Sicilië, Het Spectrum, Utrecht 2000
  • Italiaanse Wikipedia