Domain Name System

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf DNS-server)
Ga naar: navigatie, zoeken
Internet- en netwerkprotocollen
Toepassingslaag DNS  FTP  Gopher  HTTP  HTTPS  IMAP  IRC  NNTP  POP3  RTP  SIP  SMTP  SNMP  SSH  TLS/SSL  Telnet  UUCP  XMPP
Transportlaag DCCP  SCTP  TCP  UDP
Netwerklaag ARP  ICMP  IGMP  IPv4  IPv6  RARP
Datalinklaag ATM  Ethernet  FDDI  PPP  Token Ring  Wifi
volgens het TCP/IP-model

Het Domain Name System (DNS) is het systeem en netwerkprotocol dat op het Internet gebruikt wordt om namen van computers naar numerieke adressen (IP-adressen) te vertalen en omgekeerd. Hoewel dit "vertalen" genoemd wordt gaat het gewoon om opzoeken in tabellen, waarin namen aan nummers gekoppeld zijn.

DNS is een client-serversysteem: een opvrager (client) gebruikt het DNS-protocol om aan een aanbieder (DNS-server) een naam of adres op te vragen, waarop de server een antwoord terugstuurt. Het opzoeken van een nummer bij een naam wordt lookup genoemd; het opzoeken van een naam bij een nummer reverse lookup.

De naamgeving is hiërarchisch opgezet: namen bevatten punten, en organisatorische eenheden corresponderen met onderdelen van de naam. Zo'n eenheid wordt een domein genoemd, en een naam een domeinnaam'. Zo is bijvoorbeeld de Nederlandstalige Wikipedia te vinden op de domeinnaam nl.wikipedia.org, die (op het moment van schrijven) correspondeert met het IP-adres 91.198.174.232. Deze naam is onderdeel van het domein wikipedia.org, waarvan de domeinnamen door de organisatie van Wikipedia worden beheerd.

DNS wordt ook gebruikt in het SMTP-protocol om de mailservers voor een domein op te zoeken, de computers die de e-mail ontvangen die aan de desbetreffende organisatie geadresseerd is. Daarnaast is er een protocol, het Sender Policy Framework (SPF), waarmee van een e-mail versturende computer via DNS kan worden opgezocht of die daartoe volgens zijn organisatie het recht heeft. Dit is één van de instrumenten die zijn ingezet ter bestrijding van wereldwijde spam.

Inhoud

[bewerken] Geschiedenis

Elke met het Internet verbonden computer moet een IP-adres hebben om van op afstand bereikbaar te zijn; zo'n computer wordt een host genoemd omdat hij fungeert als gastheer voor de gebruiker die er op afstand gebruik van maakt. Omdat zulke nummers voor mensen moeilijk te onthouden zijn, kreeg daarnaast elke computer een naam toegekend, en werd in de software die internetverbindingen maakt ingebouwd dat zulke namen gebruikt konden worden door hun nummer op te zoeken in een tabel.

Deze tabel was aanvankelijk een bestand, /etc/hosts (soms hosts.txt genoemd), dat op elke aan Internetverkeer deelnemende computer aanwezig moest zijn.

Naarmate het aantal en de omvang van de deelnemende netwerken groeide werd het actueel houden van dat bestand op elke deelnemende computer ondoenlijk. Daarom werd het DNS-protocol ontworpen, zodat deze informatie zelf over het Internet kon worden opgevraagd. Daardoor kan een organisatie de toewijzing van nummers aan namen altijd aanpassen zonder dat voor het doorvoeren van die wijziging bij anderen expliciete acties nodig zijn.

Alle software die Internetverbindingen gebruikt ondersteunt DNS, maar ook nog steeds het hosts-bestand. Soms wordt dit laatste bestand nog gebruikt om -bijvoorbeeld- lokale computers een makkelijke naam te geven of om tijdelijk voor een specifieke host het DNS systeem te negeren - soms handig bij het testen van een nieuwe website die nu nog een andere URL heeft of lokaal draait.

[bewerken] Basistechniek

DNS in praktische implementaties bestaat uit drie onderdelen:

  • De stub resolver
  • De caching/recursing resolver (ook wel recursor genoemd)
  • De authoritative nameserver

Het opzoeken van data met behulp van DNS wordt in de regel een lookup genoemd. Software, zoals een webbrowser, die een lookup wil doen vraagt dit aan de stub resolver. Dit is relatief simpele software die, afhankelijk van de configuratie, de vraag kan stellen aan een recursor of eerst kan kijken in een bestand (zoals het onder o.a. Unix-afgeleiden bekende /etc/hosts).

De stub resolver stelt een DNS-pakket samen en stuurt dit naar de recursor. Vaak levert de internetprovider een recursor en wordt deze gebruikt, alhoewel bij netwerken ook regelmatig een interne recursor wordt opgezet. De recursor is geavanceerder dan de stub resolver en zal in eerste instantie beginnen met het stellen van de vraag aan een DNS-rootserver. Deze kan dan doorverwijzen naar andere servers, vanaf waar weer doorverwezen kan worden naar andere servers, etc., totdat uiteindelijk een server bereikt is die het antwoord weet of weet dat de lookup niet mogelijk is. Van dit laatste kan sprake zijn indien de naam niet bestaat of de servers niet reageren. Het proces van het langslopen van verschillende authoritative servers heet recursie.

Bij het opzoeken van een domein wordt begonnen op het hoogste niveau (root genaamd) en daarna wordt steeds specifieker gezocht. Bij het zoeken naar een domein wordt meteen aan de DNS-rootserver gevraagd voor bijvoorbeeld nl.wikipedia.org. Er is geen tussenstap waarbij alleen om org gevraagd wordt. Het is immers theoretisch mogelijk dat de rootserver zelf al het antwoord voor nl.wikipedia.org weet. Zo weten rootservers bijvoorbeeld wel het antwoord voor a.root-servers.net. In de regel zal door de DNS-rootserver echter wel verwezen worden naar de nameservers voor org. Deze zou in het geval van nl.wikipedia.org dan verwijzen naar de nameservers voor wikipedia.org die vervolgens het antwoord weten.

Vereenvoudigde weergave van recursie bij het resolven van nl.wikipedia.org

Deze servers waar de recursor vragen aan kan stellen zijn de authoritative nameservers. Deze zijn ook relatief dom en geven simpele antwoorden. Deze antwoorden zijn vaak in bestanden of in een database opgeslagen. Een authoritative nameserver kan een antwoord geven, wat zowel een verwijzing naar een andere server of een direct antwoord op de vraag kan zijn.

Zowel de recursor als de authoritative nameserver worden vaak DNS-server genoemd. Het is mogelijk om deze beide functies te combineren in één programma. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan in BIND, een van de bekendste en meest gebruikte DNS-servers. Er bestaan ook programma's die slechts een van beide functies vervullen. NSD is een voorbeeld van een puur authoritative nameserver. Bij programma's die beide functies combineren, is het vaak mogelijk om een van beide uit te schakelen of alleen open te stellen voor het interne netwerk.

[bewerken] Caching

Om te voorkomen dat recursors zeer regelmatig overbodige query's doen (DNS-data verandert relatief weinig) hoort een recursor caching te implementeren. Dit wil zeggen dat een eenmaal ontvangen antwoord enige tijd bewaard wordt. Deze tijd kan de beheerder per record aanpassen en wordt Time to live (TTL) genoemd. In de regel ligt deze tussen enkele minuten en enkele dagen.

[bewerken] Redundantie

In de regel zijn er meerdere authoritative servers voor dezelfde data. Dit om de mogelijke gevolgen van het uitvallen van een server te beperken.

In principe moet een recursor, als geconstateerd wordt dat een bepaalde authoritative server niet werkt, alle andere proberen. Uiteindelijk zal er een gevonden worden die wel werkt, of kan de recursor concluderen dat het niet mogelijk is om de naam te vertalen.

[bewerken] Resource records

Data in DNS wordt opgeslagen in een Resource Record. Zo'n resource record bevat een type, een TTL, een naam en data. De data kan bijvoorbeeld een IP-adres zijn of een andere naam. Dit is afhankelijk van het type van het resource record.

Veel voorkomende types zijn:

  • SOA Start-Of-Authority, met instellingen voor het (sub)domein, zoals TTL (Time-To-Live), serienummer, primaire server, responsible person
  • A voor het bepalen van het IPv4-adres bij een naam
  • AAAA voor het bepalen van het IPv6-adres bij een naam
  • CNAME Canonical name voor het configureren van alias van een A of AAAA record
  • PTR voor het bepalen van een naam bij een IPv4- of IPv6-adres (zie verder bij Omgekeerde lookups)
  • MX voor het bepalen van de mailservers voor een domein, waarbij elke mailserver een eigen prioriteit toegewezen krijgt
  • NS voor het aangeven welke nameservers de authoritative nameservers zijn (ook gebruikt voor het verwijzen naar andere nameservers)
  • TXT aanvankelijk gebruikt voor ieder door de gebruiker gewenst commentaar. Nu mede in gebruik door het SPF anti-spam initiatief.
  • SRV een relatief nieuwe record die gebruikt wordt om services aan te duiden.

[bewerken] Omgekeerde lookups

Omgekeerde of "reverse" lookups kunnen dienen om te weten te komen welke naam bij een IP-adres hoort. Voor het bepalen van de naam bij een IPv4- of IPv6-adres heeft DNS een op het eerste gezicht ingewikkelde constructie. Voor het bepalen van een naam bij een IPv4-adres, moet men de juiste naam opvragen die zich bevindt onder in-addr.arpa.

Voorbeeld: 1.2.3.4 wordt vertaald naar 4.3.2.1.in-addr.arpa. En 52.61.63.53 wordt vertaald naar 53.63.61.52.in-addr.arpa. Voor deze naam (deze naam is vanuit DNS-perspectief niet veel anders dan een naam als wikipedia.org) wordt het PTR-record opgevraagd. Hieruit komt vervolgens de naam behorend bij het IP-adres.

Voor IPv6 is dit vergelijkbaar, maar veel langer en de records bevinden zich in ip6.arpa. De reverse van bijvoorbeeld 2001:200:0:8000::42 kan worden verkregen door het opvragen van het PTR-record voor 2.4.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.0.8.0.0.0.0.0.0.2.0.1.0.0.2.ip6.arpa.

[bewerken] Nameserver tools

Voor het effectief beheer van een nameserver zijn verschillende diagnostische tools beschikbaar. De zogeheten BIND-tools zijn de bekendste. Hieronder vallen bijvoorbeeld nslookup, host en dig.

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Externe links

Enkele DNS-RFC's (er zijn er nog vele andere met aanpassingen en toevoegingen)
  • RFC1034: Domain names - concepts and facilities
  • RFC1035: Domain names - implementation and specification
  • RFC1912: Common DNS Operational and Configuration Errors
  • RFC2182: Selection and Operation of Secondary DNS Servers
Overige links


Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen