Daniël (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Daniël
Daniël in de leeuwenkuil (Briton Rivière, 1890)
Daniël in de leeuwenkuil (Briton Rivière, 1890)
Tijd 2e eeuw v.Chr.
Taal Hebreeuws, Aramees. De drie toevoegingen zijn alleen in het Grieks overgeleverd.
Categorie Apocalyptiek, Geschiedenis,
Hoofdstukken 12 plus drie toevoegingen
Vorige boek Ezechiël
(in de Tenach Esther)
Volgende boek Hosea
(in de Tenach Ezra)

Het Bijbelboek Daniël (Hebreeuws: דָּנִיֵּאל, "God is mijn rechter") beschrijft de lotgevallen van Daniël en zijn vrienden die na de verovering van Juda als gijzelaars zijn meegenomen door koning Nebukadnezar II. Het tweede deel beschrijft visioenen die deze Daniël kreeg over de voor hem nog verre toekomst. Daniël staat in de Tenach bij de Geschriften. In de Christelijke Bijbel heeft het een plaats gekregen tussen de grote en de kleine profeten.

Historische context[bewerken]

De historische achtergrond van het boek Daniël is tweeërlei:

  • 1. De achtergrond van het Babylonische en het Perzisch-Medische hof. In 605 v.Chr. neemt koning Nebukadnezar II Daniël en zijn vrienden, jonge mannen nog, als gijzelaar mee naar Babylon. De eerste zes hoofdstukken vertellen hoe de vier in een vijandige omgeving, God trouw blijven en carrière maken. Het begin van hun ballingschap wordt in het boek gedateerd in het derde jaar van koning Jojakim. dat is, nadat Nebukadnezar Egypte verslagen had bij Karkemish in 605 v. Chr, misschien een paar jaar later. Hoofdstuk 6 speelt zich af nadat de Perzen en de Meden de macht hebben overgenomen, dus na 538 v Chr.
  • 2. De achtergrond van de strijd die 370 jaar daarna gevoerd werd door de Makkabeeën tegen het verbod op de Joodse godsdienst door de Hellenistische vorst van Syrië. In 323 v.Chr. neemt de Griek Alexander de Grote, het Perzische rijk in. Na zijn dood valt zijn grote wereldrijk uiteen in vier door de Griekse cultuur beïnvloede (Hellenistische) rijken; het land Israël komt aanvankelijk bij het Egyptische rijk van de Ptolemeeën. Na enkele oorlogen tussen dit rijk en de Seleuciden die in Syrië regeren, komt Israel in 198 v.Chr. bij Syrië. In 168 v.Chr. verbiedt de tirannieke Syrische heerser Antiochus IV Epiphanes de Joodse godsdienst, waarna de Joden in opstand komen onder leiding van de Makkabeeën. Het tweede deel van het boek Daniël beschrijft deze gebeurtenissen in allerlei visioenen, waarin de wereldrijken worden uitgebeeld door afschuwelijke beesten. In hoofdstuk 10-12 worden alle diplomatieke en militaire confrontaties tussen het Syrische en het Egyptische rijk, met Israël, het sieraadland er tussen in, gedetailleerd beschreven.

Twee- of zelfs drietalig[bewerken]

Het boek is geschreven in twee of drie talen:

  • Aramees (2:4-7:28) en
  • Hebreeuws (tot 2:3 en vanaf 8:1). Ook de oude handschriften die gevonden zijn tussen de Dode Zee-rollen gaan op precies dezelfde plek over van de ene taal in de andere. Daarmee is het waarschijnlijk dat het boek zo geschreven is. Mogelijk geeft de tweetaligheid aan dat de verhalen over Gods macht (Aramees) voor alle volkeren bedoeld zijn en de visioenen (Hebreeuws) bestemd zijn voor het volk Israël.
  • Grieks (A,B en C): Daniël is in de Septuagint, het Griekse Oude Testament, aanmerkelijk langer dan in de Hebreeuws-Aramese tekst. In veel bijbels worden de gedeelten, waar de Griekse tekst langer is, weergegeven als aanhangsel bij de deuterocanonieke boeken die dan een plekje hebben gekregen tussen Oude Testament en Nieuwe Testament in.

Apocalyptiek[bewerken]

Het boek Daniël behoort tot het genre Apocalyptiek, waartoe ook de Openbaring van Johannes (Nieuwe Testament) en allerlei apocriefen behoren, zoals Henoch en 4 Ezra. Enkele kenmerken:

  • het optreden van hemelse figuren zoals engelen,
  • visioenen,
  • symbolen,
  • het openbaren van een verborgen waarheid.

Apocalyptische literatuur werd vaak geschreven tegen de achtergrond van vervolging. De buiten-Bijbelse apocalyptische literatuur was vaak pseudepigrafisch en werd op naam van een grootheid uit het verleden (zoals Henoch of Ezra) gesteld.

Tijdstip van ontstaan en auteurschap[bewerken]

Volgens wetenschappers die schriftkritisch te werk gaan, is het boek geschreven rond 165 v.Chr., tijdens de strijd van de Makkabeeën. Veel orthodoxe gelovigen gaan er van uit dat Daniël het boek zelf geschreven heeft rond 540 v.Chr.. Bij de keuze moet worden afgewogen:

  • De visioenen geven erg veel aandacht aan de gebeurtenissen van Alexander de Grote tot de strijd van de Makkabeeën.
  • De gebeurtenissen rond de strijd van de Makkabeeën worden gedetailleerder weergegeven dan we meestal zien in de profetische literatuur.
  • Anderzijds kunnen sommige beelden moeiteloos op het ook in de tijd van de Makkabeeën nog ver weg liggende Romeinse Rijk worden toegepast.
  • Er is wel gedacht dat er historische fouten zitten in Daniëls beschrijving van het Babylonische/Perzische hof. Bij nader inzien blijkt dit niet het geval: Belsassar was inderdaad geen opvolger van Nebukadnezar, maar gebleken is dat de opvolger, Nabonidus, zich langdurig liet vervangen. Het was Cyrus, niet Darius die het Babylonische rijk veroverde. Waarschijnlijk werd Cyrus in Medië Darius genoemd.
  • Apocalyptische literatuur kiest vaak een pseudoniem, mogelijk omdat het schrijven van zo’n kritisch boek gevaarlijk was in een tijd van geloofsvervolging.

Inhoud[bewerken]

Het boek bestaat uit twee delen. De eerste zes hoofdstukken zijn verhalend, de overige hoofdstukken beschrijven visioenen.

De drie mannen in de brandende oven
  • Hoofdstuk 1 De aankomst in de ballingschap in Babel, en de lotgevallen van Daniël en zijn drie vrienden Sadrach, Mesach en Abednego. Zij krijgen toestemming de Joodse spijswetten te handhaven en stellen het ondanks alles toch goed.
  • Hoofdstuk 2 Nebukadnezars droom en uitlegging door Daniël. Na het gouden Babylonische rijk zal er een zilveren (het Perzische) komen, daarna het bronzen (Griekse)., daarna een ijzeren (volgens sommigen de Romeinen, volgens anderen Antiochus IV Epiphanes); dit ijzeren rijk raakt vermengd met leem en wordt ten val gebracht.
  • Hoofdstuk 3 De drie vrienden van Daniël in de vurige oven. Dat is hun straf, omdat ze weigeren het afgodsbeeld van Nebukadnezar te aanbidden. Maar God stuurt een engel en beschermt ze tegen het vuur. In dit hoofdstuk komt Daniël niet voor.
  • Hoofdstuk 4 Nebukadnezars tweede droom: zijn hoogmoed wordt gestraft met een tijdelijke geestesziekte, tijdens welke hij gras eet als het rund.
  • Hoofdstuk 5 Gods oordeel over Belsazar. Deze laat het uit Jeruzalem geroofde tempelgerei ophalen tijdens een feest. Een hand schrijft op de muur; Daniël verklaart het schrift: die nacht valt het Babylonische rijk.
  • Hoofdstuk 6 Daniël in de leeuwenkuil. Koning Darius laat zich verleiden gebed te verbieden. Daniël trekt zich hier niets van aan en wordt in de leeuwenkuil gegooid. De leeuwen doen Daniël echter niets, omdat God een engel stuurt die hem beschermt. Dit hoofdstuk lijkt een beetje op hoofdstuk 3, maar een groot verschil is dat de koning in dit geval de veroordeling niet gewild heeft.
  • De Oud-Griekse vertaling, de Septuaginta, bevat nog enkele aanvullende delen, die in de Hebreeuws/Aramese versie (en dus in de protestantse canon) niet voorkomen:
    • A Het gebed van Azarja in de vurige oven en een lied toen ze uit de vurige oven verlost waren.
    • B Daniël en Susanna. De wijze Daniël weet de valse beschuldigingen tegen Susanna te weerleggen.
    • C De priesters van Bel en Bel en de draak. De wijze Daniël toont aan dat afgodendienst op bedrog berust.
  • Hoofdstuk 7 Het gezicht van de vier dieren: Vier wereldrijken, culminerend in de beschrijving van het oordeel door de Mensenzoon, een titel die Jezus op zichzelf betrekt. (NBV: iemand die er uitzag als een mens).
  • Hoofdstuk 8 Het gezicht van de ram en de geitenbok: Perzië en Griekenland.
  • Hoofdstuk 9 Daniëls gebed en het gezicht van de 70 (jaar)weken; Daniël krijgt inzicht in hoe de tijd zal verlopen. Er is sprake van een gezalfde, een messias, die zal worden omgebracht; volgens sommigen de hogepriester tijdens de Makkabeese opstand, volgens anderen Jezus, misschien wel allebei.
  • Hoofdstuk 10-12 Gezicht bij de rivier Tigris. (Een minutieuze beschrijving van de internationale politieke toestand aan de vooravond van de opstand van de Makkabeeën.

Toevoegingen aan Daniël[bewerken]

De Toevoegingen aan Daniël zijn drie deuterocanonieke teksten die wel in de Griekse versie van het boek Daniël staan, maar niet in de Hebreeuws/Aramese grondtekst. Ze maken deel uit van de rooms-katholieke Bijbel, maar in de protestantse canon ontbreken ze.

Gebed van Azarja[bewerken]

In de Hebreeuwse/Aramese versie van het boek Daniël wordt verhaald dat drie vrienden van Daniël (waarvan Azarja er een was) in een vurige oven gegooid worden, omdat zij weigeren te buigen voor een godenbeeld dat de koning gemaakt heeft (de Thora verbiedt immers het vereren van andere goden of van gesneden beelden). Een engel komt de vrienden te hulp en zo overleven zij hun straf op wonderbaarlijke wijze. Het gebed van Azarja is een toevoeging die we alleen vinden in de Griekse versie van dit verhaal. Het is de weergave van het gebed dat Azarja gebeden zou hebben terwijl hij met de twee andere veroordeelden in de vlammen liep. Het gebed wordt gevolgd door een loflied aan God, dat de drie mannen samen zingen. Het gebed en het lied getuigen van godsvertrouwen en van volledige toewijding aan de God van Israël. Het gebed van Azarja en het lied van de drie vrienden zijn ook opgenomen in het boek Oden.

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Het gebed van Azarja en het gezang der drie mannen in het vuur op Wikisource

Susanna[bewerken]

Massimo Stanzione. Susanna en de oudsten. 1631-1637. Olieverf op doek. Omaha, Joslyn Art Museum.

Het verhaal van Susanna speelt, evenals de rest van het boek Daniël, in de diaspora. Susanna is een mooie, godvrezende vrouw. Op een warme dag baadde zij zich in een afgesloten tuin, in de veronderstelling dat niemand haar daar kon zien. Twee rechters ('oudsten'), die als 'wetteloos' worden omschreven, hadden zich echter in de tuin verscholen, ziek van verlangen naar de mooie Susanna. Nadat zij haar begluurd hadden, deden zij haar oneerbare voorstellen. Wanneer Susanna zou weigeren, zouden zij haar aanklagen en veroordelen wegens overspel (waar volgens de Thora de doodstraf op stond). Susanna weigerde op de avances van de mannen in te gaan.

De volgende dag klaagden de rechters Susanna inderdaad aan en zij werd ter dood veroordeeld. Daniël, een jongeman nog, was echter in het publiek aanwezig en riep luid dat hij zich distantieerde van het oordeel. Toen hem gevraagd werd zijn standpunt toe te lichten, ondervroeg hij de twee rechters onafhankelijk van elkaar, waarbij hij vroeg onder welke boom het overspel plaatsvond. Ze gaven een verschillend antwoord, waaruit bleek dat Susanna onschuldig was. De rechters kregen de doodstraf, die zij Susanna hadden toebedacht.

In het verhaal lopen twee thema's door elkaar heen. Het thema van de 'vervolging van de rechtvaardige' is een thema dat in de Bijbel vaker voorkomt. Verder wordt Daniël geïntroduceerd als bijzonder wijs man, die door zijn wijsheid een leven redt.

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina De historie van Susanna en Daniël op Wikisource

Bel en de draak[bewerken]

De laatste toevoeging bestaat eigenlijk uit twee verhalen, die wat thematiek betreft echter sterk met elkaar verwant zijn. In het eerste verhaal ontmaskert Daniël de Babylonische godheid Bel als een afgod. Elke avond werd namelijk voedsel neergezet voor het beeld van de godheid, dat in een afgesloten tempel stond. Elke volgende morgen was het voedsel verdwenen. Iedereen, de koning incluis, dacht dat Bel het voedsel at. Door 's avonds voor het afsluiten van de tempel as te strooien op de grond, weet Daniël aan te tonen dat niet Bel het voedsel eet, maar dat de priesters van Bel zich 's nachts door een geheime gang toegang verschaffen tot de tempel om het voedsel weg te halen. Wanneer de koning het bedrog ontdekt, rekent hij af met de priesters van Bel en Daniël mag het beeld en de tempel vernietigen.

Peter Paul Rubens. Daniël in de leeuwenkuil. Ca. 1613-1615. Washington, National Gallery of Art.

In het tweede verhaal is sprake van een grote draak die door de Babyloniërs vereerd wordt. De koning daagt Daniël uit: Bel bleek geen levende god te zijn, maar deze draak is dit zeker wel. Waarom wil Daniël hem dan niet als god vereren? Daniël werpt echter tegen dat wanneer hij in staat zal blijken het dier zonder zwaard of stok te doden, daarmee is aangetoond dat de draak geen echte godheid is. De koning zegt dat Daniël dat dan maar moet proberen. Daarop maakt Daniël koeken met graten erin, waardoor de draak van binnen wordt opengereten en sterft. De Babyloniërs zijn echter woedend. Als wraak gooien zij Daniël in de leeuwenkuil, waar hij zes dagen lang verblijft. Doordat de profeet Habakuk hem echter op wonderbaarlijke wijze met soep en brood te hulp komt, blijft hij in leven. Als Daniël op de zevende dag nog blijkt te leven, wordt hij uit de leeuwenkuil bevrijd.

In beide verhalen staat opnieuw Daniëls wijsheid centraal. Verder vormen de verhalen een duidelijke apologie voor het monotheïsme: er is maar één God en alle andere vermeende goden zijn niet meer dan krachteloze afgoden. Deze thematiek vinden we vaker in Joodse verhalen uit deze periode.

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Van den Bel en den Draak te Babel op Wikisource

Plaats in de tekstoverlevering[bewerken]

Er zijn twee Griekse vertalingen van het boek Daniël in omloop: de Septuaginta en de vertaling van Theodotion. De tekst van beide versies wijkt nogal eens af. Ook verschilt de plaats waar de drie toevoegingen in het boek zijn opgenomen (maar in beide versies zijn deze toevoegingen aanwezig). Gewoonlijk neemt men voor de tekst de Theodotion-versie als uitgangspunt.

Literatuur[bewerken]