Daniël Wyttenbach

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Daniël Wyttenbach.

Daniël Albert Wyttenbach (Bern, 7 augustus 1746 - Oegstgeest, 17 januari 1820) was hoogleraar in de klassieke talen aan de Leidse Universiteit en tevens bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek.

De vader van Wyttenbach was hoogleraar theologie aan de Universiteit van Bern en later Marburg. De jonge Wyttenbach was voorbestemd om eveneens theologie te studeren en op zijn veertiende begon hij zijn studie aan de universiteit van Marburg. Gaandeweg raakte hij echter meer geïnteresseerd in de oude talen en na het lezen van het werk van David Ruhnken ging hij in 1768 in Göttingen studeren. In 1769 schreef hij daar zijn Epistula critica super nonnullis locis Iuliani Imp. cui accesserunt Animadversiones in Eunapium et Aristaenetum, een reactie op het werk van Ruhnken. Deze pennenvrucht werd goed ontvangen en Wyttenbach besloot hierop in 1770 in Leiden onder Ruhnken en Valckenaer te gaan studeren.

Al in 1771 verkreeg hij een professoraat aan het Remonstrants Seminarie in Amsterdam. Deze positie zou hij acht jaar bezetten en in deze periode verscheen het eerste deel van zijn levenswerk, de Bibliotheca Critica. Toen in 1777 Petrus Burmannus Secundus met emeritaat ging als hoogleraar klassieke talen aan het Athenaeum Illustre verwachtte Wyttenbach hem op te zullen volgen. Hij werd echter gepasseerd voor Herman Tollius. In 1779 werd hij alsnog hoogleraar aan de Amsterdamse instelling, ditmaal in de wijsbegeerte. Toen Tollius daarna vroegtijdig vertrok werd hij in 1785 opgevolgd door Wyttenbach. In opdracht van de universiteitsuitgeverij van Oxford begon Wyttenbach kort daarna aan een editie van de Moralia van Plutarchus.

In 1799 verruilde hij zijn functie in Amsterdam voor een aanstelling in Leiden, nadat deze betrekking vrij was gekomen door het overlijden van Ruhnken. In Leiden werd hij ook bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek. De Leidse buskruitramp vernielde in 1807 zijn huis aan het Steenschuur en hij vestigde zich hierna permanent in Oegstgeest. Hier had hij in 1806 een buitenhuis gekocht, de hofstede Den Hoogenboom. In deze jaren werkte hij aan een uitgave van Plato's Phaedo. In 1817 ging Wyttenbach met emeritaat en in dat jaar trouwde hij ook met de dochter van zijn zus. Deze Jeanne Gallien (1773-1830) was al jaren zijn assistent en huishoudster en het huwelijk op Wyttenbachs late leeftijd verzekerde haar van een weduwepensioen. In zijn laatste jaren ging de gezondheid en vooral het gezichtsvermogen van Wyttenbach snel achteruit. Hij werd begraven in de tuin van zijn huis Den Hoogenboom.

Detail van de zuil ter nagedachtenis aan Daniël Wyttenbach in Oegstgeest. De Latijnse inscriptie Daniel Wyttenbach Civis Bernas betekent Daniël Wyttenbach, inwoner van Bern.

Na het overlijden van zijn weduwe in 1830 werd het woonhuis in overeenstemming met haar wens afgebroken en werd er een gebroken zuil opgericht ter herinnering aan Daniël Wyttenbach.

Selectieve bibliografie[bewerken]

  • Epistola critica super nonnullis locis Juliani Imp., Göttingen 1769
  • Plutarchi Liber de sera numinis vindicta, leiden 1771.
  • Oratio de conjunctione philosophiae cum elegantioribus litteris , Amsterdam 1772.
  • Bibliotheca Critica (in 12 delen) Amsterdam 1777-1808. online
  • Oratio de Philosophia, auctore Cicerone laudatarum artium omnium procreatrice et quasi parente, Amsterdam 1779.
  • Oratio de vi et efficacia historiae ad studium virtutis Amsterdam 1785.
  • Selecta principum historicorum Herodoti, Thucydidis, Xenophontis, Polybii illustres loci et Plutarchi Vitae, Demosthenis et Ciceronis, Amsterdam 1794.
  • Plutarchi Chaeronensis Moralia id est Opera, exceptis Vitis, reliqua, Gr. et Lat. etc., Oxford 1795-1810.
  • Vita Davidis Ruhnkenii Leiden en Amsterdam 1799. online
  • Notae in Juliani Librum in Constantini laudem, Leipzig 1802.
  • Platonis Phaedon etc., Leiden 1810. online
Bronnen, noten en/of referenties