Danziger gulden
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Danziger Gulden | |
|---|---|
| Land: | Vrije Stad Danzig |
| Verdeling: | 100 pfennig |
| ISO 4217-code: | (geen) |
| Afkorting of valutateken: | DZG |
| Wisselkoers: | 0.7 Reichsmark = 1 Gulden Officiële koers bij annexatie door Duitsland (1939). |
| Actuele wisselkoers: | Exchange-rates.org (en) XE.com |
|
Bankbiljet: 20 Danziger gulden
|
|
De Danziger gulden was de munteenheid van de voormalige Vrije Stad Danzig (1920-1939). Er waren munten van 1, 2, 5, 10 en 20 pfennig en 25, 10, 5, 2, 1, en 1/2 gulden. Biljetten waren er in 1, 10, 20, 25, 50, 100, 500, en 1000 gulden.
[bewerken] Geschiedenis
Na de Eerste Wereldoorlog werd Danzig (Gdańsk) een onafhankelijke staat. Om die onafhankelijkheid t.o.v. zowel Polen als Duitsland te versterken, werd er gekozen voor een eigen munteenheid: de Danziger gulden.
Omdat zelf munten slaan geen optie was, werd uitgeweken naar Duitsland en Nederland. Met tussenkomst van het bankiershuis van Mendelsohn kreeg 's Rijksmunt in Utrecht de opdracht tot het leveren van de zilveren munten van 5, 2, 1 en een halve gulden. Voor 's Rijks Munt was dit de eerste buitenlandse opdracht. Met goedkeuring bij Koninklijk Besluit (13 november 1923) kon Muntmeester Dr. C. Hoitsema een aanvang maken met de productie. In totaal moesten er onder meer 3.500.000 guldens geslagen worden. In aanvulling op de opdracht van 3.500.000 guldens zijn nog eens 530 stuks met gepolijste stempels op gepolijste muntplaatjes geslagen.

