David Jacob van Lennep (1774-1853)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
D.J. van Lennep, schilderij van Hendrik Hollander Cz uit ca. 1850-1871

David Jacob van Lennep (Amsterdam, 15 juli 1774 – aldaar, 11 februari 1853) was hoogleraar Latijn en Grieks aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre en dichter van Nederlandse en Neolatijnse gedichten.

Leven[bewerken]

David Jacob van Lennep was lid van de familie Van Lennep en zoon van Cornelis van Lennep (1751-1813) en Cornelia Henrietta van de Poll. Hij bezocht in Amsterdam van zijn 5e tot 10e jaar de Franse kostschool en vervolgens de Latijnse school waar Richéus van Ommeren rector was. In 1790 werd hij ingeschreven als student aan het Amsterdamse Athenaeum Illustre. In 1793 schreef hij een dissertatie De loco Ciceronis qui est de finibus bonorum. Daarna zette hij zijn studie voort in Leiden. In 1796 promoveerde hij op stellingen tot doctor in de beide rechten en vestigde hij zich als advocaat in Amsterdam. In 1799 volgde hij Daniël Wyttenbach op als hoogleraar aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam met de leeropdracht Grieks, Latijn, geschiedenis, welsprekendheid en oudheden.

Van Lennep trouwde in 1800 met de 22-jarige bankiersdochter Cornelia Christina van Orsoy (1778-1816). Ze kregen in 1802 een zoon, de latere schrijver Jacob van Lennep, en een dochter. Na Cornelia's dood in 1816 hertrouwde hij in 1819 met Anna Catharina van de Poll (1791-1860), met wie hij nog negen kinderen had.

Dichter[bewerken]

Van zijn vader erfde Van Lennep het buiten Manpad bij Heemstede, waar hij de zomers doorbracht. Hij was zeer gehecht aan dit huis en het buitenleven, waarover hij veel dichtte. Van Lennep was een van de laatste Nederlanders die nog echt de vaardigheid hadden Neolatijnse gedichten te maken. Hij was actief in de Amsterdamse gezelschappen Concordia et Libertate en Libertate et Concordia. In 1790 debuteerde hij met Carmina juvenilia (‘Jeugdgedichten’), dat zijn vader voor hem liet uitgeven ter gelegenheid van zijn eindexamen, en in 1796 volgde de bundel Rusticatio Manpadica (‘Het landleven op het Manpad’). Hierin staan tien elegieën en een gedicht in 216 hexameters. In 1850 verscheen nog postuum de Poematum fasciculus (‘Bundeltje gedichten’), waarin onder meer het gedicht ‘Ad Villae Manpadicae arbores’ (‘Aan de bomen van het Manpad’) staat, dat door zijn zoon Jacob in het Nederlands werd vertaald. David Jacob van Lennep was ook actief als Nederlandstalig dichter, onder meer in het Leidse genootschap Kunst Wordt Door Arbeid Verkreegen. In 1826 bracht hij Hollandsch duinzang uit. Een verzamelbundel van zijn Nederlandse gedichten verscheen in 1844: Gedichten van Mr. D.J. van Lennep.

Professor[bewerken]

Als hoogleraar hield Van Lennep zich vooral bezig met doceren, als wetenschapper was hij minder actief. Hij stond bekend als een goed docent die vele studenten trok. Hij sprak een uitstekend verzorgd Latijn en sprak dan ook de herdenkingsrede uit bij het tweehonderdjarig bestaan van het Athenaeum Illustre in 1832. Hij beschouwde de Oudheid als een leerschool op zedelijk en esthetisch gebied.

Zijn liefde voor het buitenleven bracht bij Van Lennep een speciale belangstelling teweeg voor het leerdicht Werken en dagen van Hesiodus. Hij maakte er een vertaling van in Nederlandse hexameters (Amsterdam 1823, herdr. 1834). Hesiodus was eigenlijk ook de enige auteur met wie Van Lennep zich als klassiek filoloog bezighield. Zijn edities van de Theogonie en van de Werken en Dagen verschenen in respectievelijk 1843 en 1847, die van het aan Hesiodus toegeschreven Schild van Hercules postuum in 1854, bezorgd door J.G. Hulleman.

Bestuurlijk werk[bewerken]

In 1808 werd Van Lennep – aanvankelijk met tegenzin – benoemd tot lid van de tweede klasse van het Koninklijk Instituut van Wetenschappen. Maar toen koning Lodewijk Napoleon aandrong weigerde hij niet langer, en gaf hij de vorst zelfs een tijdlang Nederlandse les op Paleis Het Loo. Maar vooral na de Napoleontische tijd was Van Lennep actief buiten de universiteit. Hij nam in 1813 zitting in het provisionele bestuur van Amsterdam, en maakte in de jaren 1814-1815 deel uit van de staatscommissie die een regeling ontwierp voor het hoger onderwijs dat leidde tot het Organiek Besluit van 1815. In 1815 werd Van Lennep bovendien lid van de Provinciale Staten van Holland.

Laatste jaren[bewerken]

In 1838 legde Van Lennep een deel van zijn functies als professor neer, maar bleef hij een aantal colleges geven. Op 19 november 1849 vierde hij zijn 50-jarig jubileum, waarbij hij zijn afscheidscollege hield. Hij overleed na een korte ziekte op 11 februari 1853 en werd begraven in Heemstede. Op 11 april van dat jaar hield H.J. Koenen een lijkrede op David Jacob van Lennep in het Athenaeum Illustre. Zijn zoon Jacob van Lennep verzamelde diverse bescheiden en biografische gegevens in Het leven van Mr. D.J. van Lennep, beschreven in verband met zijn tijd, toegelicht uit zijn gedichten en vermeerderd met ongedrukte brieven en bescheiden (2 delen, Amsterdam 1862).

Referenties[bewerken]

  • W. van den Berg, ‘David Jacob van Lennep (1774-1853). Geliefd leermeester zonder volgelingen’, in: E.O.G. Haitsma Mulier e.a. (red.), Athenaeum Illustre. Elf studies over de Amsterdamse Doorluchtige School, 1632–1877, Amsterdam: Amsterdam University Press 1997, 173-198
  • Piet Gerbrandy, 'Rura placent nobis, de Rusticatio Manpadica van David Jacob van Lennep', in: Hermeneus 60, 5 (1988) 314-319
  • Piet Gerbrandy, 'De Mus. Een pastorale pastiche door David Jacob van Lennep', in: Hermeneus 63, 3 (1991) 183-187
  • D.C.A.J. Schouten, Het Grieks aan de Nederlandse universiteiten in de negentiende eeuw, bijzonder gedurende de periode 1815-1876, diss. Utrecht 1964, 483-503

Externe links[bewerken]