De Bezige Bij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit artikel is in bewerking voor de Schrijfwedstrijd. Crystal wp.png
Wil je een grotere wijziging in dit artikel doorvoeren, dan is het misschien beter deze eerst op de overlegpagina voor te stellen. Voor uitleg hierover zie hier.
De Bezige Bij
Oprichting 12 december 1944
Eigenaar WPG Uitgevers
Land Vlag van Nederland Nederland
Website http://www.debezigebij.nl
Portaal  Portaalicoon   Economie

De Bezige Bij is een Amsterdamse uitgeverij, die op 12 december 1944 illegaal werd opgericht door Geertjan Lubberhuizen en Rut Matthijsen. De uitgeverij was toen al twintig maanden actief om met haar uitgaven geld te genereren voor het Utrechts Kindercomité, dat joodse kinderen door de oorlog hielp. Na de oorlog ontwikkelde De Bezige Bij zich tot de grootste literaire uitgever van Nederland met een fonds met als voornaamste kenmerk dat het uitgebreid en divers is. De Bezige Bij behoort tot het concern van WPG Uitgevers.

Geschiedenis[bewerken]

1943: 'De achttien dooden'[bewerken]

Geertjan Lubberhuizen, student scheikunde te Utrecht, was actief in het verzet en benutte zijn studie door persoonsbewijzen en stamkaarten te vervalsen, maar was ook betrokken bij het in brand steken van de Utrechtse studentenadministratie en het verspreiden van illegale aanplakbiljetten, uiteenlopende activiteiten die hij onder de schuilnaam Bas Ruys verrichtte en die hem de bijnaam 'Bezige Bas' en 'The Busy Bee' opleverde. Hij werkte vaak samen met zijn studiegenoot Rut Matthijsen en raakte als fondsenwerver betrokken bij het Utrechts Kindercomité, dat was opgericht om joodse kinderen de oorlog door te helpen. Ook Sjoerd Leiker was voor deze organisatie actief. Het vinden van onderduikadressen werd bemoeilijkt doordat mogelijke onderduikfamilies vaak geen extra mond konden voeden. Om de geldschieters als tegenprestatie iets aan te kunnen bieden, werd een rijmprent vervaardigd die ook verkocht kon worden.

De tekst hiervan was het gedicht 'De achttien dooden' van de verzetsstrijder en dichter Jan Campert, die wegens 'jodenhulp' naar concentratiekamp Neuengamme werd gedeporteerd, waar hij op 12 januari 1943 overleed. Het gedicht verscheen in februari 1943 voor het eerst in de ondergrondse bladen Het Parool en Vrij Nederland. Lubberhuizen kreeg de tekst begin 1943 van Anne Maclaine Pont, een medewerkster van het kindercomité. Lubberhuizen nam contact op met Fedde Weidema, met wie hij voor de oorlog in een jazzorkest had gespeeld en die een opleiding tot graficus volgde, om het vers van een illustratie te voorzien. Om aan papier te komen liep Lubberhuizen kantoorboekhandels af. Clichéfabriek Photogravure maakten clichés en bleven dat de hele oorlog doen voor De Bezige Bij. De vermenigvuldiging werd verzorgd door drukker van illegale bladen Jan Hendriks, die drie dagen nodig had voor de eerste druk van 500 exemplaren. Deze druk is de allereerste uitgave van De Bezige Bij en dateert van na april 1943.[1] De vierde druk van de rijmprent vermeldt voor het eerst de naam van de illegale uitgeverij en het bijenvignet - eveneens door Weidema vervaardigd - dat tot op de dag van vandaag wordt gebruikt.[2] Een goedkope druk kostte een tientje en een romeins genummerde vijfentwintig gulden en na aftrek van de kosten kwam dit bedrag ten goede aan het Kindercomité. In september had de rijmprent al 75.000 gulden opgebracht, genoeg om ook kunstenaars en toneelspelers die geweigerd hadden zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten en dus geen werk meer hadden, te kunnen steunen. Zo werd de uitgeverij vanzelf ook een huis voor schrijvers die geen lid van de Kultuurkamer waren. Volgens schattingen van betrokkenen bereikte de oplage van de rijmprent gedurende de oorlog de 15.000.[3]

De aankomende chemici Lubberhuizen en Matthijssen wisten niets van drukken of boekverzorging. Ze bestudeerden bibliofiele uitgaven en Matthijsen kocht een boek over grafische technieken. Aan het einde van 1943 waren de belangrijkste krachten Lubberhuizen en Charles van Blommestein. Lubberhuizen zette medewerkers van het Kindercomité in voor zijn uitgeefpraktijk en trok aldus een wissel op de energie van het comité, maar dat kon niet anders omdat het geld van de uitgaven nodig was om de organisatie op de been te houden.

Naast Hendriks werd een tweede drukker ingeschakeld, Fokke Tamminga uit Den Haag. Daarnaast drukte Huib de Koningh, Haags boekbinder, op een degelpers de Moffenspiegel, een uitgave waarop de Duitsers erg gebeten waren. Een Groningse drukker die met de uitgave niets uitstaande had, werd doodgeschoten omdat bij een inval in diens drukkerij een exemplaar werd aangetroffen en hij er dus van verdacht werd de drukker ervan te zijn.[4] Het betrof een reeks cartoons waarin de bezetter belachelijk gemaakt werd. Zo werd op een prent het invorderen van fietsen behandeld, waarbij Duitsers fietsers op straat aanhouden om hun fiets in beslag te nemen. Het zijn evenwel aftandse, nauwelijks berijdbare wrakken die de begeerte van de bezetter opwekken. In 1943 werd begonnen met de reeks Quousque Tandem, met als logo de letters QT. De naam van de serie is ontleend aan een zin van Cicero, waarin gevraagd wordt: 'Hoe lang nog, Catilina, zult ge misbruik maken van ons geduld.'[5] De eerste uitgave in de reeks was De zeven hoofdzonden van Hector Mantinga. De boekverzorging was in handen van binderij Danner uit Utrecht, waar Lubberhuizen een kamer huurde.

1944: Drie executies en plannen voor een coöperatie[bewerken]

In 1944 liet De Bezige Bij de roman Le Silence de la Mer (De stilte der zee) vertalen, geschreven door Vercors, achter welk pseudoniem de tekenaar en typograaf Jean Bruller schuilging, de oprichter van de illegale uitgeverij Les Éditions de Minuit. De eerste uitgave van die uitgeverij was deze roman in 1942. De Gestapo trof de drukproeven aan bij een inval bij de Utrechtse Typografen Associatie en schoot nog dezelfde dag de typograaf en twee drukkers dood. In de hongerwinter verscheen een nieuwe vertaling bij Drukkerij D.A.V.I.D. Deze uitgave was in meerdere betekenissen illegaal, want de Nederlandse vertaalrechten waren verkocht aan uitgeverij Manteau. Na de oorlog, en na stevige onderhandelingen met Manteau, kon het boek verschijnen in de door Manteau bestelde vertaling van Hubert Lampo.[6]

Nog hetzelfde jaar werden plannen gemaakt voor de voortzetting van de uitgeverij na de oorlog, het Plan voor de Coöperatieve Uitgeverij De Bezige Bij in hoofdlijnen. Naast het opstellen van statuten was het zaak geld opzij te zetten als bedrijfskapitaal en tegelijk de doelstelling van de uitgeverij niet te corrumperen. Daarom verschenen onder een imprint twee illegale uitgaven. Onder de uitgeversnaam De Doezende Dar werd WA Man van Theun de Vries (onder de naam M. Swaertregen) gepubliceerd, een novelle over een NSB'er. Bij De Weduwe de Bije verscheen Het raadsel van Arend en Hendrik Goudt door D. Hoek (onder de naam Jan Jacob ten Hove. Deze titels leverden na aftrek van kosten 25.000 gulden op. Op 12 december 1944 werd dit bedrag via een notaris in de kas van het Nationaal Steun Fonds gestort onder voorwaarde dat het tegoed na de bevrijding aan de uitgeverij teruggegeven zou worden. Deze storting betekende de officiële oprichting van De Bezige Bij, twintig maanden nadat de eerste uitgave was verschenen.[7] De eerste bestuursleden waren Henriëtte van Eyk, Halbo Kool en Sjoerd Leiker. De woning van Van Eyk fungeerde als het trefpunt voor de groep die belast was met het organiseren van de verkoop: naast de net genoemden waren dat Han G. Hoekstra en Jan H. de Groot. In mei gaf Lubberhuizen de rechtenstudent Cees van Leeuwen opdracht zich te beraden op de juridische gestalte die de uitgeverij na de oorlog zou aannemen.

Karakteristiek van het fonds tijdens de bezetting[bewerken]

Ruim zeventig uitgaven vormden het fonds dat tijdens de bezetting verscheen, waarbij het criterium om van een uitgave te spreken is dat de tekst opnieuw moet zijn gezet. Hiermee is de Bij de grootste ondergrondse uitgeverij, ver voor de nummer twee, A.A.M. Stols met ruim zestig uitgaven, waarvan bovendien bijna de helft bestond uit herdrukken van klassieke Franse werken waar de bezetter weinig op tegen kon hebben.[8] De geschatte omzet bedroeg acht ton, waarbij het niet te zeggen is hoeveel mensen daarmee gebaat waren. Vast staat dat het Utrechts Kindercomité, waar het meeste geld heen ging, gedurende de oorlog vierhonderd kinderen heeft geholpen. Tijdens de hongerwinter ontpopte de uitgeverij zich ook als voedselorganisator.[9]

Het fonds was reeds tijdens de bezetting 'zeer divers',[10] zowel wat de boekverzorging als de aard betreft. Oudhollandse spreuken verschenen op geschept papier en politieke gedichten op zurig oorlogspapier, er waren mooi gebonden linnen boeken zonder politieke lading en prentbriefkaarten met gewaagde satirische cartoons. Ook was er een kalender met op het voorblad een vanuit Londen boven Nederland gedropte foto van koningin Wilhelmina. De Bij gaf protestantse (W.A.P. Smit, onder de naam Evert. J. Pott), katholieke (Anton van Duinkerken) en dichters van niet-kerkelijke signatuur uit. Om deze ruimdenkendheid beschouwde P.J. Meertens de uitgeverij als liberaal. De literaire kwaliteit verhoudt zich omgekeerd evenredig met het politieke karakter van de poëzie: de verzetsgedichten zijn geen literaire uitblinkers, terwijl de geslaagde poëzie nauwelijks een politieke strekking heeft.

Meer dan de poëzie had het proza, dat een belangrijke plaats in het fonds opeiste, een verzetskarakter. In de brochure Het Nieuw Geuzenlied uit 1944 noemde de auteur Gerrit Kamphuis (onder de naam G. Miles) het nazibewind uit voor 'tyrannie', 'barbaarsche terreur' en 'Teutoonsche moordpelotons'.[11] Referenties aan de Tachtigjarige Oorlog werden gebruikt om zich indirect tegen de huidige bezetter te keren. De lezer zou zelf de strekking wel actualiseren. Onder meer vanwege dergelijk indirect verzet acht Renders het onderscheid tussen zonder toestemming van de bezetter verschenen niet-politieke clandestiene uitgaven enerzijds en ondergrondse uitgaven die zich wel degelijk tegen de bezetter keren, niet zinvol. Volgens medewerker Max Nord zijn twee andere criteria van groter belang om het fonds van De Bij illegaal te noemen, namelijk het risico om gepakt te worden en het afstaan van de verdiensten ter ondersteuning van politieke actie.[12] In deze zin zijn alle uitgaven van de Bij illegaal geweest, omdat ze zonder uitzondering bedoeld waren om verzetsgroepen te financieren.

Ruim tien procent van de uitgaven, acht van de meer dan zeventig, kan beschouwd worden als een eerbetoon aan het koningshuis.[13] Wilhelmina's proclamatie van 10 mei 1940 verscheen in mei 1944 als eerste aflevering van de serie Documents Humains. Een foto van de vorstin was op het eerste blad van alle exemplaren van de beide drukken van de Vrijheidskalender geplakt.

1945-1950: De eerste naoorlogse jaren[bewerken]

De uitgeverij beschouwde de periode van de bezetting als moreel kapitaal voor de tijd die na de bevrijding aanbrak. Met het politieke imago werd zorgvuldig omgegaan in prospectussen en andere reclame-uitingen in de eerste naoorlogse tijd. Zo werden goedlopende boeken die buiten het progressieve beeld vielen, uit de prospectussen weggelaten. Aanvankelijk werd ook met de uitgaven zelf voortgeborduurd op de bezettingstijd. Al in maart 1945 schreef Lubberhuizen aan Van Blommestein dat hij na de oorlog een Jappenspiegel wilde publiceren naar het voorbeeld van de Moffenspiegel, die hij wilde laten herdrukken. De erven Campert hadden de rechten bij A.A.M. Stols ondergebracht, maar met toestemming werden in 1945, na de bevrijding, nog 16.000 exemplaren gedrukt.[14]

Twee nieuwe reeksen werden opgezet, Tandem Aliquando ('eindelijk dan toch') en Periscoop, elk bestaande uit tien boeken die werden gedrukt in een oplage van 525 op Oudhollands papier, een symbolisch aantal omdat de meeste uitgaven onder de bezetting in dat aantal en op dat papier werd vervaardigd. Ook werden twee tijdschriften opgezet: in 1945 Ruim Baan, een jeugdblad met een linkse signatuur dat 34 nummers haalde, en in 1949 het minder succesvolle Hobbyclub van Leonard de Vries dat na enkele nummers stopte. In politieke en levensbeschouwelijke zin had het fonds iets van een kameleon: de individualistisch en liberale kant werd vertegenwoordigd met uitgaven van Ter Braak en Du Perron, communistisch angehauchte auteurs (Gerrit Kouwenaar, Bert Schierbeek) zaten in het gezelschap van een communistenvreter als Arthur Koestler. Diens Nacht in den middag uit 1946 werd een bestseller, waarna nog enkele titels volgden. In 1950 werd de bundel opstellen van afvallige communisten De god die faalde een klapper. Een nieuwe actualiteit, de Koude Oorlog en McCarthyisme had de oorlog verdrongen.

Het jaar 1950 vormt een cesuur in de geschiedenis van de uitgeverij, waarbij twee factoren zich tegelijk voordoen. De eerste is dat de uitgeverij er na vijf jaar mee ophield om steeds aan de bezettingsjaren te herinneren. Tekenend hiervoor is dat geen prioriteit werd gegeven aan het manuscript van Leo Braat over Kunst in Verzet. Tot 1954 werd erover overlegd, maar uiteindelijk kwam het niet tot een uitgave. De tweede factor is dat zich een nieuwe literaire stroming manifesteert van auteurs die door de Bij worden uitgegeven: De Vijftigers.[15] Dat er een nieuwe periode aanbrak, blijkt ook hieruit: met Bert Voeten en Jan Gerhard Toonder bleek er zelfs plaats voor auteurs die lid waren geweest van de Kultuurkamer.

Officiële oprichting[bewerken]

Twee dagen na de oorlog ging De Bezige Bij verder als legale uitgever. Met Charles van Blommestein en Wim Schouten (een erkend uitgever) vormde Geert Lubberhuizen de directie van de 'Coöperatieve Vereeniging De Bezige Bij'. Het lukte Lubberhuizen, vanaf 1956 enig directeur, om vrijwel alle grote namen van de moderne naoorlogse Nederlandse literatuur aan zijn uitgeverij te binden. Zijn bekendste serie was de 'Literaire Reuzenpocket'.

Fonds[bewerken]

De uitgeverij is vooral bekend om de literatuur, fictieboeken, maar gaf ook uiteenlopende titels in andere segmenten uit. Daaronder de Amerikaanse 'Gouden Boekjes, een kinderserie die vanaf 1949 door Annie M.G. Schmidt en Han G. Hoekstra werd vertaald. In 1967 gaf De Bij de gebundelde uitgave van de krantenstrips van 'Tom Poes' en 'Ollie B. Bommel' van Marten Toonder uit. De uitgeverij beschikt over een fonds met honderden Nederlandse en buitenlandse auteurs.

In 1969 vierde de Bij z'n 25-jarig bestaan met een foto van alle auteurs in de bibliotheek van het Rijksmuseum Amsterdam. Hetzelfde deed de uitgeverij nog eens dunnetjes over met alle nog in leven zijnde auteurs voor het 60-jarig bestaan, dat werd gevierd op 12 december 2004.

Bronnen[bewerken]

  • Cartens, Daan, Suzanne Holtzer, Victor Schiferli en Jessica Swinkels (red). (2004). Hoger honing: 60 jaar De Bezige Bij. Schrijversprentenboek 53/ Uitgeversprentenboek 1. Den Haag en Amsterdam: Letterkundig Museum en De Bezige Bij. ISBN 9023415663
  • Renders, Hans. (2004a). Gevaarlijk Drukwerk. Een vrije uitgeverij in oorlogstijd. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023414306
  • Renders, Hans. (2004b). Wie weet slaag ik in de dood. Biografie van Jan Campert. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023414497
  • Roegholt, Richter. (1972). De Geschiedenis van De Bezige Bij, 1942-1972. LRP 421. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023404211

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Renders (2004a), 23
  2. Renders (2004a), 22
  3. Renders (2004a), 26 noot 38
  4. Renders (2004a), 29
  5. Renders (2004a), 35
  6. Renders (2004a), 41
  7. Renders (2004a), 38
  8. Renders (2004a), 40 en 79
  9. Renders (2004a), 34
  10. Renders (2004a), 28
  11. Renders (2004a), 31
  12. Renders (2004a), 33 noot 53
  13. Renders (2004a), 53
  14. Renders (2004a), 38
  15. Renders (2004a), 56

Externe link[bewerken]