De Nederlanden in de Middeleeuwen
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Geschiedenis van België |
|
..Naar chronologie
|
|
..Naar deelstaat
|
|
..Naar onderwerp
|
|
..Naar provincie
|
|
..Naar voormalige koloniën
|
| Geschiedenis van Nederland |
|
..Naar onderwerp
|
|
..Naar overzeese gebiedsdelen
|
|
..Naar voormalige koloniën
|
Dit artikel behandelt de geschiedenis van de Nederlanden in de Middeleeuwen.
De Nederlanden waren gedurende de Middeleeuwen geen staatkundige eenheid. Beoogd wordt een overzicht te geven van de geschiedenis van die gebieden die tegenwoordig het koninkrijk België, het koninkrijk der Nederlanden voor zover dat in Europa ligt, en het Groothertogdom Luxemburg vormen. Ook de geschiedenis van de gebieden die tegenwoordig deel uitmaken van de Franse Republiek, maar gedurende de Middeleeuwen deel waren van Nederlandse staatkundige verbanden, zullen aan de orde komen. De nadruk zal dus liggen op de landen ten noorden van de Somme in het zuiden en ten westen van de Eems in het oosten.
Overigens bestond gedurende de Middeleeuwen noch het woord, noch het begrip 'Nederlanden'. In de vijftiende eeuw was het gebruikelijk om de Nederlandse gewesten waar de hertog van Bourgondië regeerde aan te duiden met les pays de par-deçà, de landen van herwaarts over. Het eigenlijke Bourgondië werd aangeduid met les pays de par-delà, de landen van derwaarts over.
Gewoonlijk laat men de Middeleeuwen rond 300, 400, 500 of 600 na Christus beginnen. Ten aanzien van het einde van de Middeleeuwen bestaat grotere consensus. De meeste historici laten de Nieuwe Tijd, die hierop volgt, kort voor 1500 beginnen.
[bewerk] Vroege Middeleeuwen
Tijdens de Romeinse tijd maakten de latere Lage Landen ten zuiden van de Rijn deel uit van het Romeinse Rijk. Dit gebied was verdeeld over de Romeinse provincies Gallia Belgica en Germania inferior. Ten noorden van de Rijn lag Germania, dat slechts korte tijd onder Romeins gezag stond. De Lage Landen werden na de val van het West-Romeinse Rijk een deel van het Frankische of Karolingische rijk, aanvankelijk met uitzondering van Magna Frisia. Het Frankische rijk viel uiteen in drie delen waarbij de lage landen bij het Middenrijk kwamen ook wel genoemd Lotharingen naar de eerste keizer/koning Lotharius. Het latere hertogdom Lotharingen viel op zijn beurt eveneens uiteen in verschillende deelgebieden, die met de naam hertogdom of graafschap werden aangeduid. Het zou later deel gaan uitmaken van het Heilige Roomse Rijk.
Door de chaotische toestanden zoals plunderingen, branden en andere verwoestingen, die veroorzaakt werden door de vele invasiegolven van op drift geraakte volkeren zijn uit de vroege middeleeuwen weinig schriftelijke bronnen overgeleverd. De eertijds aanwezige Romeinse en vroegchristelijke archieven in de belangrijkste bestuurscentra zijn bijna geheel verloren gegaan. Hierdoor is ook veel informatie verloren gegaan, zodat onze kennis grote lacunes vertoont. Veel van de kennis uit vooral de Vroege Middeleeuwen, maar ook de Hoge Middeleeuwen is afkomstig uit archeologisch onderzoek.
[bewerk] Geologie; de ontwikkeling van de kustlijn
Meer dan voor andere landen was de wisselende grens tussen land en water van belang voor de geschiedenis van de Nederlanden. De kustlijn zag er toen geheel anders uit dan tegenwoordig. Een relatieve langzame zeespiegelstijging in combinatie met het waarschijnlijk vaker voorkomen van stormen kan één van de oorzaken zijn geweest van de kusterosie die begon tussen de 5e en de 1e eeuw v.Chr. in West-Nederland. Terwijl in de periode daarvoor de kustlijn zich gesloten had, afgezien van de riviermondingen van de Schelde (via de Oosterschelde), de Maas (bij Rotterdam), de Rijn (bij Leiden) en het Oer-IJ (bij Castricum), werden deze mondingen hierna weer steeds wijder. Het hoogveengebied achter de strandwallen raakte door de inbraken van de zee, maar ook door de toenmalige bewoners ontwaterd en klonk in. Vooral in Zeeland kwam het veen zo laag te liggen, dat het rond het begin van de jaartelling overspoeld werd door de zee en de veenvorming stopte. Hoewel er tot in de 3e eeuw op het veen werd gewoond, kwam de zee aan het einde van deze eeuw diep in Zeeland, wat in combinatie met selnering, het turfsteken voor de zoutwinning, zorgde voor erosie van het veen. Aan het einde van de Late Middeleeuwen was de kustbarrière hier bijna volledig verdwenen.
In het kustgebied vond ook erosie van het veen plaats, waardoor grote zeegaten konden ontstaan. Het Flevomeer ontwikkelde zich na de Romeinse tijd door de afslag van de oevers tot het Almere. Het Oer-IJ was toen al vrijwel geheel gesloten. Waarschijnlijk ontstond in de Vroege Middeleeuwen via het Vlie een verbinding tussen het Almere en de Waddenzee. In de 9e en de 10e eeuw ontstond door afbraak in Friesland de Middelzee.
In de Romeinse tijd vonden steeds meer avulsies - stroomgordelverleggingen - plaats. Door verzanding van de monding van het Oer-IJ werd vanaf 47 n. Chr. de Oude Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk voor enkele eeuwen. De Lek, de Waal, de benedenloop van de Hollandse IJssel, en de Gelderse IJssel ontstonden, terwijl de Linge net daarvoor was ontstaan. De Oude Rijn verzandde doordat de Rijn steeds meer via de Maas ging lopen.
De kusterosie zorgde ervoor dat het water kwam tot aan het castellum van Oudenburg, waarschijnlijk Portus Epiatici. Ook Brittenburg, de meest westelijke Romeinse fortificatie aan de Oude Rijn, kwam onder water te staan. De Romeinen konden de strijd tegen het water niet winnen en verlieten het gebied.
[bewerk] Verval van het Romeinse Rijk
De periode voor 230 kan beschouwd worden als een bloeiperiode. De zuidelijke Nederlanden werden in deze tijd verregaand geromaniseerd. In het rivierengebied lagen de grensversterkingen en waren vele soldaten gelegerd. Via de Rijn, de Waal en de Schelde werden graan, wijn en aardewerk geëxporteerd. Ten noorden van de Rijn woonden de Friezen met hun vee. Hun belangrijkste exportproducten waren wol, zuivelproducten en vis. Groot-Brittannië was een belangrijk afzetgebied; ook de stad Rome zelf was een belangrijke afzetmarkt. Ook de Tubanten, de Chamaven en de Cananefaten woonden ten noorden van de Rijn. Dankzij de Romeinen was er ten zuiden van de Rijn een uitgebreid wegennet aangelegd. Ook een aantal steden, waaronder Nijmegen en Tongeren, zijn door hen gesticht. Deze steden en wegen waren vooral gericht op het bestuur van het land en veel minder op handel zoals later in de Middeleeuwen. Daarnaast ontstonden spontaan, veelal bij kruisingen van wegen of bij doorwaadbare rivieren, vele kleine dorpjes en gehuchten (Latijn: vicus). Veel huidige dorpen en steden ten zuiden van de Rijn hebben dan ook een Romeinse kern wat door archeologische opgravingen bewezen is.
In 235 werd keizer Severus Alexander vermoord, waarna de crisis van de 3e eeuw volgde waarin de ene soldatenkeizer de andere opvolgde, bijna altijd met geweld. Voor de onderlinge strijd van de troonpretendenten werden dikwijls de grenslegers ingezet die hierdoor sterk aan gevechtskracht inboetten. Feitelijk was het Romeinse Rijk decennialang in burgeroorlog verwikkeld met alle chaotische en verwoestende gevolgen van dien. Hierdoor verdween de invloed van het centrale Romeinse gezag in Germania Inferior en kwam in de tweede helft van de 3e eeuw de rijksgrens steeds meer onder druk te staan. Er kwamen steeds meer overvallen van plunderende 'over-Rijnse' Germaanse volkeren - die op hun beurt onder druk stonden van de Hunnen - en ook de met veel geweld gepaard gaande troonswisselingen van de keizers ondermijnden het Romeins gezag. Tenslotte was er de steeds extremere belastingdruk, nodig om o.a. het almaar uitdijende leger te bekostigen, die de bevolking sterk verarmde. Vanaf 256 trokken Frankische krijgers - in het oosten van de Nederlanden vooral de Saliërs en Chamaven, afkomstig uit het Salland, de Veluwe, de Achterhoek en het aangrenzende Westfalen - de Rijn over en werd geheel Gallia geplunderd en werden vele steden en dorpen verwoest. Rond 280 werden de invallers verdreven, maar de Saliërs bleven - zelf onder druk van de Saksen - de Romeinse gebieden binnenvallen. Ze vestigden zich in het Romeinse gebied ten zuiden van de Rijn tussen de Bataven in de door de Gallo-Romaanse bevolking op den duur verlaten grensgebieden, in het bijzonder aan de Schelde en later in de zuidelijke Nederlanden en Noord-Frankrijk. De interne politieke en militaire chaos eindigde pas in 284 toen Diocletianus aan de macht kwam die orde op zaken stelde door grootscheepse hervormingen van het Romeinse bestuur. Vanaf circa 297 werd Belgica door keizer Diocletianus gesplitst in Belgica Prima in het zuidoosten en Belgica Secunda in het westen. Het in het noordoosten gelegen Germania Inferior was al op het einde van de eerste eeuw van Belgica losgemaakt.
Uiteindelijk werd er tussen de Romeinen en de Saliërs rond 296 een verbond gesloten en werden ze als verdedigers aangesteld van de rijksgrens tussen Nijmegen en de zee, de limes. De Romeinen trachtten stand te houden door de bouw van verdedigingssystemen, zoals de garnizoensstad in Oudenburg en de grote verkeersweg te Liberchies. De Bataven en de Cananefaten zijn waarschijnlijk opgegaan in de Franken, hoewel ook wel wordt aangenomen dat zij tegelijkertijd met de Romeinen zijn vertrokken. Meerdere Romeinse pogingen zich van de Franken te ontdoen faalden, en in 358 n. Chr. kregen de Salische Franken toestemming van keizer Julianus de Afvallige om zich te vestigen in het Romeinse gebied Toxandrië, nadat hij hen een paar keer had verslagen. Zij kregen hierbij de status foederati, aan de Romeinen verbondenen.
Nadat de Germaanse opperbevelhebber van het Romeinse leger Stilicho in 402 de troepen langs de Rijn had weggeroepen om Italië te verdedigen tegen de Goten en om de pretendent voor de keizerlijke troon in Brittannië het hoofd te kunnen bieden, vond op 31 december 406 de slag bij Mainz plaats tussen de Ripuarische Franken en de Vandalen, Sueven en Alanen. Nadat de Franken, die als Romeinse foederatii de grens verdedigden, verslagen waren, trokken de Germanen Gallië binnen en verwoestten volgens Hiëronymus van Stridon onder meer Atrecht, Doornik en Boulogne. De Franken trokken weg uit Toxandrië naar het zuiden langs de Schelde. Rond 430 veroverden de Salische Franken onder Chlodio Doornik, Kamerijk en later Atrecht.
In 476 werd Romulus Augustulus, de laatste keizer van het West-Romeinse rijk, afgezet door Odoaker. Deze bood aan de Oost-Romeinse keizer Zeno de westelijke keizerskroon aan.
De Friezen hielden zich voornamelijk bezig met de veeteelt. Dit veranderde in de 3e en 4e eeuw toen het Friese land regelmatig overstroomd werd. Hierdoor gingen ze zich meer toeleggen op de visserij en de handelsvaart, waardoor ze een zekere rijkdom verwierven.
[bewerk] Taal en recht
De val van het West-Romeinse Rijk zorgde op veel gebieden voor grote sociaal-politieke veranderingen, onder meer omdat delen van de Germaanse bevolking ten noorden de limes zich in het voormalige Romeinse rijk vestigden, waarna de door hen verlaten nederzettingsgebieden weer door andere groepen bevolkt werden. Hoewel van veel nederzettingen vast staat dat ze werden verlaten en de omvang van de bevolking vrijwel zeker aanzienlijk afnam, bleven veel nederzettingen bewoond.
Niet overal was er een breuk met het verleden. Wel was er sprake van een economische achteruitgang. Veel steden en oppida verdwenen of werden aanzienlijk kleiner, doordat een deel van de Gallo-Romeinse bevolking wegtrok met de Romeinse bestuurders en soldaten en de grote Romeinse landbouwnederzettingen, de villae rusticae, werden verlaten. Landbouwgronden werden nog steeds wel bewerkt, maar nu vanuit Germaanse dorpen en hoeven, die van een andere opzet waren dan de Romeinse nederzettingen. De Romeinen verbouwden vaak één product in grote hoeveelheden, dat vervolgens verhandeld werd, onder andere met de steden. De Germanen bedreven landbouw vooral door stukken woeste grond plat te branden en het zaad in de as te strooien. Daarnaast werden in Drenthe, de Utrechtse Heuvelrug en de westelijke Veluwe ook kleine akkertjes, celtic fields, permanent bebouwd en bemest. Ze bebouwden meerdere producten om in hun eigen onderhoud te kunnen voorzien, waardoor het land minder efficiënt kon worden bebouwd. De uitstekende Romeinse heerwegen zoals te zien op kopieën van de Tabula Peutingeriana werden verwaarloosd, zodat reizen moeilijker werd en ook gevaarlijker. Door dit alles nam de handel af. In de handel raakte geld in onbruik ten gunste van ruilhandel. Geld werd in deze tijd nog wel als maatstaf gebruikt om de waarde van te ruilen goederen uit te drukken. De agrarisch-urbane samenleving van de Romeinen veranderde in een agrarische samenleving die zich voornamelijk op het platteland afspeelde.
Het geschreven Romeinse recht maakte plaats voor het mondelinge gewoonterecht van de Germanen. Pas onder de Merovingische koning Chlodovech I werd dit opgetekend, de Lex Salica. Zo werd ook de Lex Ripuaria later opgetekend. De Karolingen vaardigden capitularia uit, maar het belang van het geschreven recht was in de Vroege Middeleeuwen ondergeschikt, aangezien de plaatselijke machtsverhoudingen van groter belang waren.
De Friezen hadden hun eigen recht. Tot in 1599 waren er in Holland gebieden met aasdomsrecht, rechtspraak naar Fries model. Het Lex Frisionum, het Friese gewoonterecht, werd uiteindelijk rond het jaar 790 in opdracht van Karel de Grote opgetekend.
De taalgrens ontstond in de 4e eeuw doordat de Latijn sprekende Gallo-Romeinen wegvluchtten uit de onveilige Romeinse grensgebieden voor de Germaans sprekende Franken. Boven de taalgrens ontstond het Oudnederlands uit het Oud-Westnederfrankisch. De geletterdheid nam af en alleen de geestelijken konden nog lezen en schrijven en die waren daarmee belangrijk bij het bestuur van het land. Het Latijn was nog steeds de taal van het schrift.
Door zich in de voormalige hoofdplaatsen van de Romeinse civitates te vestigen, probeerden de stammen met hun heer hun bestuur te baseren op dat van de Romeinen. Ook sloegen ze naar Romeins voorbeeld munten, waarvan de eersten in Soissons aan het einde van de 5e eeuw. De Galloromeinse en Germaanse adel ging via huwelijken na verloop van tijd in elkaar op. Ook slavernij, zoals op de markt van Kamerijk, zou blijven bestaan tot de opkomst van het christendom.
[bewerk] Franken, Friezen en Saksen
Na de val van het West-Romeinse Rijk in West-Europa - het Oost-Romeinse Rijk bleef nog eeuwenlang bestaan - en de daaropvolgende volksverhuizingen raakte het gebied door etnogenese in de 6e en vroege 7e eeuw in drie delen verdeeld. De Friezen woonden langs de kusten, de Saksen in het oosten en de Franken in het zuiden. De Saksen hadden stammen opgenomen als de Tubanten, de Franken onder andere de Chamaven en de Cananefaten. Grensstad van de Franken was lange tijd Nijmegen, waar zij een palts vestigden. Vanaf de 7e eeuw breidde de Frankische invloedssfeer zich in noordelijke richting uit. In de 8e eeuw kwam midden-Nederland en in de 9e eeuw Noordoost-Nederland onder het gezag van het Merovingische en later het Karolingische rijk. Hierdoor vond er daar zogenaamde frankisering plaats, zoals de introductie van het hofstelsel en kerstening. Door beide veranderde het cultuurlandschap in belangrijke mate. Kloosters en kerken werden gesticht en om het land - onder de Franken viel al het land toe aan de koning en zijn adellijke gevolg - efficiënter te exploiteren werden nederzettingen verplaatst of anders ingericht en werden er nieuwe gesticht, bijvoorbeeld Deventer.
Na de ineenstorting van het Romeinse Rijk bleken de Friezen plotseling een centrale ligging te hebben tussen de opkomende Germaanse koninkrijken van de Franken, Angelsaksen en de Scandinaviërs op de Noordwest-Europese handelsroutes. Deze positie werd vanaf ongeveer 550 versterkt door het verbreken van de Noord-Zuid landroute tussen de Oostzee en de Middellandse Zee door de inval van Slavische volkeren in Oost-Europa. Veel wijst erop dat hun invloed in de 6e eeuw een stuk zuidelijker uitstrekte, mogelijk tot het huidige Antwerpen.
Tussen 560 en 785 ontstonden er oorlogen tussen de Friezen en de Franken. Zo trad Pippijn I al op tegen de Friezen. Een bekende veldslag was de slag aan de Boorne tussen de Friese koning Poppo en de Frankische hofmeier Karel Martel. Al rond 560 had de Frankische Chlotarius I een deel van Friesland onder zijn gezag gebracht. In 734 wist Pippijn III een belangrijke overwinning op de Friezen te halen. Uiteindelijk werd geheel Friesland door de Franken een aantal keer onderworpen, maar de bevolking wist zich ook meerdere keren te bevrijden. Dit gebeurde vaak doordat tijdens troonswisselingen van de Frankische vorsten het gebied verdeeld werd onder de zonen van de overleden koning, die daarna regelmatig in een onderlinge strijd verwikkeld raakten, zoals bij de dood van Pepijn. De Friezen waren tegen die tijd een volk van zeevaarders. Een gewild product was het Friese laken, dat van grote kwaliteit moet zijn geweest. Tegen de zin van de Franken verhandelden ze Frankische zwaarden met het noorden. Ook handelden ze in slaven die vooral bestemd waren voor de slavenmarkten in Spanje en Caïro. De Friese vloot werd rond 785 door Karel de Grote vrijwel geheel vernietigd, wat waarschijnlijk één van de redenen was dat de Vikingen richting het zuiden kwamen; ze moesten nu zelf hun handel halen. Karel de Grote wist naast de Friezen in deze periode ook de Saksen en de Longobarden aan zich te onderwerpen, waarbij ze onder dwang bekeerd werden. Widukind was de leidende kracht in de Saksische strijd voor onafhankelijkheid in de Saksenoorlogen.
[bewerk] Utrecht
De Frankische koning Dagobert I lukte het rond 630 enkele voormalige Romeinse forten aan de Rijn te veroveren, waaronder Traiectum, het latere Utrecht. Hij stichtte hier een kerkje en schonk het aan bisschop Kunibert van Keulen, met de opdracht vanuit dit kerkje de bekering van de heidense Friezen in het noorden te ondernemen. Maar hier kwam weinig van terecht; na de dood van Dagobert in 639 heroverden de Friezen het fort en verwoestten het kerkje. In 688 versloeg de Frankische hofmeier Pepijn van Herstal op zijn beurt de Friese koning Radboud bij Dorestad en opnieuw kwam Utrecht in Frankische handen.
In deze tijd begon de definitieve kerstening van de Friese gebieden. In 690 arriveerde Willibrord uit Engeland in de lage landen. Nadat hij zich verzekerd had van de steun van het Frankische hof en zich in Rome tot aartsbisschop der Friezen had laten wijden, vestigde hij zich in 695 in Utrecht. Vanuit Utrecht werd nu de missionering van de Friezen ter hand genomen.
Een laatste onderbreking van de Frankische heerschappij vond plaats toen de Friezen in 714 nog eenmaal Utrecht in handen kregen. Na de dood van Radbod in 719 werden zij echter definitief verdreven door de Frankische hofmeier Karel Martel. In dat jaar kreeg Willibrord gezelschap van zijn landgenoot Bonifatius, die zich enkele jaren later naar het Germaanse gebied ten oosten van de Rijn begaf. Karel Martel schonk het castellum met het omliggende gebied in 723 aan de Utrechtse kerk, waarmee de basis gelegd werd voor het wereldlijke gezag van de kerk.
Ook na de dood van Willibrord in 739 bleef Utrecht het religieuze centrum van deze streken. Van een georganiseerd bisdom was aanvankelijk nog geen sprake, maar Bonifatius wist de plaats uit handen van de Keulse bisschop te houden, die er aanspraak op maakte op basis van de oude schenking van Dagobert. De Utrechtse kloosterschool beleefde onder Gregorius van Utrecht een grote bloei en had leerlingen als Lebuïnus en Liudger. De opvolger van Gregorius, Alberik I, werd in 777 in Keulen tot bisschop van Utrecht gewijd. Het bisdom omvatte bijna het hele gebied van het latere Nederland boven de rivieren en Zeeland, en werd een suffragaanbisdom van het tot aartsbisdom gepromoveerde Keulse diocees.
Twintig kilometer stroomopwaarts van Utrecht maakte de internationale handel ondertussen een weergaloze bloei door in Dorestad. De sterke specialisatie van deze twee naburige plaatsen is opvallend en nog niet verklaard. Voor Dorestad begon de neergang met de plundertochten van de Noormannen, die in 834 de plaats voor het eerst aanvielen en plunderden. Ook Utrecht werd steeds meer bedreigd, zodat bisschop Hunger het in 857 raadzaam achtte zijn zetel te verlaten en steun te zoeken bij keizer Lotharius. Via een omweg belandde de bisschop in Deventer, waar hij zo’n vijfenzestig jaar resideerde.
[bewerk] De Merovingische en Karolingische periode
Het gezagsvacuüm dat in Noord-Gallia ontstond werd door de Salische Franken aangegrepen om verder naar het zuiden af te zakken en ze maakten Doornik tot de hoofdstad van hun nieuwe rijk. De heersende familie was die der Merovingers. Het was Chlodovech I (481-511), die vanuit Doornik de basis legde van het Frankische rijk. Hij wist door zijn overwinningen op Syagrius en de Bourgonden, Alemannen en Visigothen het rijk uit te breiden tot in het zuiden van Gallië en maakte van het Romeinse Lutetia (tegenwoordig bekend als Parijs) zijn hoofdstad. Zijn belangrijkste opvolgers, Chlotarius I en Dagobert I, brachten verdere eenheid in het Frankische rijk. Volgens de Frankische gewoonte was zijn rijk echter een persoonlijk gebied en werd als zodanig bij zijn dood onder zijn zonen verdeeld. In 639 werd het rijk daardoor verdeeld in het oostelijke Austrasië en westelijke Neustrië. De grens liep dwars door het huidige België.
De macht van de koningen nam echter zienderogen af, terwijl de hofmeiers, de beheerders van de koninklijke domeinen, hun positie wisten te versterken. Zeer machtig werd het geslacht der Pippiniden, dat over Austrasië heerste en afkomstig was uit de landen tussen Maas en Rijn. Dikwijls jaagden zij in de Ardennen. De koningen en hofmeiers hadden geen vaste residentie, maar trokken van palts naar palts. Herstal, Jupille, Meerssen en Elsloo lagen alle aan de Maas. De Pippiniden breidden het rijk uit in noordelijke richting en werkten nauw samen met de diverse evangeliepredikers die hier actief waren.
In 719 liet Karel Martel zich uitroepen tot hofmeier van het gehele Frankische rijk. Na de dood van koning Theuderik IV oefende Karel Martel in eigen naam de koninklijke macht uit. In 732 wist hij de opmars van de Moren tijdens de Slag bij Poitiers tot staan te brengen, wat zijn prestige enorm ten goede kwam.
In 751 kwam de zoon van Karel Martel, Pippijn III, de paus te hulp toen deze bedreigd werd door de Langobarden. In ruil hiervoor werd hij gezalfd tot rex Francorum, koning der Franken, en Patricius Romanorum, beschermheer van Rome. Hiermee werd de laatste Merovingische vorst, Childerik III, afgezet en vestigde zich de dynastie van de Pippiniden. Onder hen verschoof het machtscentrum naar Aken. De bekendste vorst was Karel de Grote die in 800 gekroond werd tot Imperator Romanorum, 'Keizer van de Romeinen'. Vanaf hier wordt het geslacht de Karolingen genoemd. Ook de macht van de Rooms-Katholieke kerk nam sterk toe. Onder het bewind van Karel de Grote en zijn opvolger Lodewijk de Vrome (814-840) heerste er in dit gebied vrede en bloeide de economie op.
Onder Karel de Grote beheerste het Frankische rijk rond 800 vanuit zijn kern in het huidige België en Noord-Frankrijk een groot deel van Europa, waaronder het huidige Duitsland en Noord-Italië. Door de grote omvang van het rijk was hij genoodzaakt om het land te laten besturen door leenmannen (vassus) die aan hem verantwoording schuldig waren. Door de geringe handel, de negatieve handelsbalans met het Byzantijnse Rijk en de moslims en het verdwijnen van de gouden muntslag was de economie echter min of meer veranderd in een ruileconomie. De leenmannen konden alleen beloond worden door hen gronden (beneficium, vanaf de 10e eeuw feodum) en het vruchtgebruik daarvan te geven. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme. De leenmannen streefden naar erfelijkheid, wat steeds meer regel werd en in 877 gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hiermee werd het onmogelijk nog een groot rijk te vormen.
[bewerk] Verdrag van Verdun, Verdrag van Meerssen
Na de dood van Lodewijk de Vrome in 840 was er volgens de Frankische gewoonte wederom een rijksdeling. Het rijk werd bij het Verdrag van Verdun in 843 in drieën verdeeld; West- (Francia Occidentalis), Midden- (Francia Media) en Oost-Francië (Francia Orientalis). De Schelde vormde de grens tussen West- en Midden-Francië. Het noordelijke deel van Midden-Francië, de Nederlanden, kreeg later de naam Lotharingen, naar de eerste keizer, Lotharius. Toen Lotharius in 855 overleed, werd zijn rijk weer in drieën verdeeld, waarbij zijn tweede zoon Lotharii regnum verkreeg, het noordelijke stuk tussen Friesland en de Jura.
Na het Verdrag van Meerssen van 870 werd het middenrijk verdeeld tussen het West-Frankische Rijk, het latere Frankrijk, en het Oost-Frankische Rijk, het latere Heilige Roomse Rijk, wat een eeuwenlange strijd tot gevolg had tussen Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk. Het gebied van het huidige Nederland maakte deel uit van het Oost-Frankische Rijk, behalve Zeeuws-Vlaanderen, de Schelde was de grens. Vlaanderen viel onder West-Francië. In het noorden was dit aanvankelijk slechts een deling op papier, de feitelijke macht was in handen van de Vikingen en Friezen. Al in 826 werd Friesland een Deens rijk onder de Vikingen Harald en Rorik, dat daarna maar in leen werd gegeven door de keizer.
[bewerk] De na-Karolingische periode en de middeleeuwse landsheerlijkheden
[bewerk] IJzeren eeuw
De periode tussen ongeveer 850 en 950 wordt wel de ijzeren eeuw genoemd. Met het uiteenvallen van het Karolingische Rijk trad weer een neergang op door de chaos die ontstond door het verbrokkelen van de macht. Veel gewesten kregen weer hun oude naam en versterkten hun eigen identiteit. In de Lage Landen ging dit niet op, aangezien de namen Austrasië en Neustrië in onbruik waren geraakt en er nog geen duidelijk omlijnde gebieden waren. Zo bestond het pagus Flandrensis, de Vlaanderengouw, nog slechts uit het gebied rond Brugge. De rivieren golden zowel als scheidingslijn tussen de gebieden, als bindend element, doordat deze transport en communicatie vereenvoudigden. Uiteindelijk groeide het gebied hierdoor langzaam naar elkaar toe.
Aken werd opgevolgd als belangrijkste stad van de Karolingen door Orléans en later Parijs, waardoor het zwaartepunt naar het zuiden verschoof. Het zwaartepunt van de macht van de Duitse koningen verschoof afhankelijk vanuit welke dynastie ze kwamen. De heersers van West- en Oost-Francië verloren hierdoor grotendeels hun interesse voor het gebied der Nederlanden.
Het centrale gezag van de twee Frankische rijken wist geen weerstand te organiseren tegen de invallen van de Vikingen, waardoor de bevolking het vertrouwen in hun verre heersers verloor. Het Heilige Roomse Rijk bleef hierdoor geen politieke eenheid. Lokale leenmannen, de zogenaamde gouwgraven, in feite ambtelijke bestuurders en officieel de vertegenwoordigers van de keizer, zagen hun kans schoon en gingen het gezag in eigen naam uitoefenen. Ze vormden hun graafschappen en hertogdommen om tot kleine privé-vorstendommen, en waren nog slechts in naam afhankelijk van de keizer. De vele lokale leenmannen hielden zich tenslotte hoofdzakelijk bezig met het vergroten van hun persoonlijke macht ten koste van hun buren. Hierdoor konden langzaam machtige en relatief onafhankelijke landsheerlijkheden ontstaan, waarvan Vlaanderen de eerste was en lange tijd de belangrijkste. Een uitzondering hierop was Friesland, waar het feodalisme nooit echt wortel schoot. Er is wel sprake van gouwen, maar een grafelijke dynastie heeft zich nooit ontwikkeld. In hoeverre dat een gevolg was van de Friese Vrijheid, dat door Karel de Grote middels het Karelsprivilege aan de Friezen verleend zou zijn, is niet bekend.
Karel de Kale, de eerste koning van westelijk Frankenrijk, maakte Boudewijn I van Vlaanderen in 869 gouwgraaf van pagus Flandrensis dat zou uitgroeien tot het machtige graafschap Vlaanderen, nadat deze zijn dochter Judith in 861 had geschaakt. Hoewel gouwgraaf een ambtelijke functie was, werd hun zoon Boudewijn II van Vlaanderen hierna graaf van Vlaanderen, waarmee de overgang van ambtenaar naar vorst compleet was. Boudewijn en zijn opvolgers wisten een grote mate van zelfstandigheid te verwerven ten opzichte van de Franse koning. De graven bouwden hun machtsgebied uit tot alle gebieden ten zuiden en westen van de Schelde, het hedendaagse Zeeuws-Vlaanderen inbegrepen. Arnulf I van Vlaanderen wist het gebied uit te breiden naar het zuiden tot de Somme, waar het in 911 door Rollo gestichte Normandië hem verhinderde verder te gaan.
Hierna richtte men de aandacht naar het oosten, waar in het Oost-Frankische Rijk de Karolingen waren uitgestorven. Hendrik de Vogelaar wist in 925 het stamhertogdom Lotharingen te annexeren. Onder hem en zijn opvolgers, de Ottonen, leefde de Renovatio Imperii op, waardoor zij hun aandacht vooral richtten op Italië. Dit zorgde voor een verbrokkeling van Oost-Francië, die uiteindelijk tot in de 19e eeuw zou duren. Onder de Ottonen wer het Oost-Frankische Rijk omgevormd naar het Heilige Roomse Rijk. Bruno de Grote werd door zijn broer Otto I van het Heilige Roomse Rijk aangesteld als hertog van Lotharingen. Na zijn dood werd dit verdeeld in Opper-Lotharingen, ongeveer het tegenwoordige Lotharingen, en Neder-Lotharingen, wat ongeveer overeenkwam met de Nederlanden, afgezien van het gebied ten westen van de Schelde. Neder-Lotharingen had echter weinig praktische betekenis met de opkomst van de landsheerlijkheden in de 11e eeuw.
Quentowic werd in de 6e eeuw een belangrijke stad en nam de handel met Engeland over van Boulogne. Hierlangs liep ook de via rectissima, de weg voor Engelse pelgrims naar Rome. Een andere belangrijke handelsplaats was tot de 9e eeuw het Friese Dorestad. Dorestad onder de invallen van Noormannen, maar verdween waarschijnlijk door verzanding van de haven. Karel de Grote trad op tegen de plunderingen door de Vikingen door garnizoenen en vlooteenheden te plaatsen naar Romeins voorbeeld van de Rijnmonding tot Ponthieu. In 866 en 882 vonden Vikingaanvallen plaats in de IJsselstreek waarbij handelsplaats en kerkelijk centrum Deventer en de hof en nederzetting van Zutphen werden geplunderd. In 882 bezetten Vikingen zelfs het Valkhof te Nijmegen om daar te overwinteren. Om aan de aanvallen van de Vikingen een eind te maken, werden gebieden beleend aan Vikingen, in de hoop dat zij aanvallen van andere Vikingen zouden afweren. Zo werd Friesland beleend aan Godfried de Zeekoning. Deze maakte van zijn positie echter gebruik voor verdere Vikingaanvallen, waaronder de verwoesting van Dorestad in 863. Hij werd in 885 vermoord door Gerolf, die daarmee de Friezen bevrijdde van de Vikingen en stamvader werd van het Hollandse Huis, hoewel de naam Holland pas later in gebruik kwam. De Vikingaanvallen zijn onder andere beschreven in de Annales Regni Francorum en de Annales Bertiniani.
Sint-Omaars en Atrecht kregen rond 880 verstevigde muren om de aanvallen van Vikingen af te weren. Wat vooral hielp was dat in Vlaanderen en Zeeland langs de kust een defensiesysteem werd opgericht van cirkelvormige burchten van Broekburg tot Burg op Schouwen. Arnulf van Karinthië wist in 891 een einde te maken aan de overheersing van de Noormannen door ze bij Leuven te verslaan. De meeste Noormannen trokken daarna zich terug tot Boulogne. Anderen bleven echter, integreerden en vermengden zich met de autochtone bevolking. Tegen het jaar 1000 verminderde de plaag uit het noorden en hield op toen de Vikingen overgingen tot het christendom.
[bewerk] Landsheerlijkheden in Lotharingen
In deze tijd werden in West-Francië de grondslagen gelegd van het hertogdom Brabant, het graafschap Henegouwen en het graafschap Vlaanderen. Lotharingse vorstendommen waren Limburg, Loon, Luxemburg en Namen die vanaf de veertiende eeuw in het Bourgondische verband werden opgenomen. Het prinsbisdom Luik bleef tot aan de Franse Revolutie een onafhankelijke staat binnen het Heilige Roomse Rijk. De Friezen bleven gevrijwaard van een landsheer door de naar vermeend door Karel de Grote verleende Friese Vrijheid.
Het gebied boven de rivieren viel onder het Heilige Roomse Rijk, waar later ook Brabant onder viel. Grote delen van de Lage Landen werden beheerst door elkaar onderling bestrijdende vorsten, zoals de hertog van Gelre, de hertog van Brabant en de bisschop van Utrecht. En ook de bisschoppen van Luik en Keulen mengden zich dikwijls met hun legers in de politieke strijd.
In de 11e eeuw waren deze landsheerlijkheden echter vrijwel niet te herkennen op de kaart, afgezien van Henegouwen en Vlaanderen. In Vlaanderen was toen al een eigenbesef aanwezig, wat onder andere blijkt uit De laude Flandriae (Lof van Vlaanderen) van Petrus Pictor uit het begin van de 12e eeuw. Dat het eigenbesef elders nog niet erg aanwezig was, kwam ook doordat de Duitse keizer via zijn rijksbisschoppen in Utrecht, Luik en Kamerijk daar vaak nog echt aan de macht was, hoewel de laatste meer onder invloed van de graven van Vlaanderen of Henegouwen.
Om de invloed van de lokale heersers en de Lotharingse hertog te beperken werd door de Ottonen het Rijkskerkenstelsel ingevoerd. Hierbij werden door de keizer bisschoppen aangesteld die wereldlijke macht kregen, zonder het gevaar dat er een dynastie gevestigd werd. Met het Concordaat van Worms kwam in 1122 echter een einde aan de Investituurstrijd en verloor de keizer zijn ultiem beslissingsrecht over de bisschopsbenoemingen en de investituur. Hiermee werd zijn invloed duidelijk minder en dit betekende het einde van de directe Duitse invloed in de Nederlanden, maar betekende ook een aantasting van de wereldlijke macht van de bisschoppen, aangezien de keizer er geen belang meer bij had hen te steunen.
Zoals Vlaanderen ontstaan was uit de versterking Brugge, zo ontstond Henegouwen rondom Bergen en Brabant vanuit Leuven. Door het uitgroeien van het machtsgebied kwamen zij meer met elkaar in aanraking, vaak militair. Conflicten waren vaak gebaseerd op vermeende aanspraken op bepaalde gebieden, die vaak voortkwamen uit onderlinge huwelijken. Deze huwelijken waren weer onderdeel van de huwelijkspolitiek, waarbij het dynastieke belang prevaleerde en het verbod van de kerk op zogenaamde incest, de verboden graden, moest worden omzeild. Met deze politiek groeide de invloed van de heerlijkheden.
[bewerk] Heidendom
Het is niet duidelijk in hoeverre de religie in de Nederlanden in die tijd vergelijkbaar is met de Noordse en Germaanse mythologie zoals die in de 13e eeuw door Snorri Sturluson in Proza-Edda beschreven werd. Aangenomen wordt dat voordat het christendom de overheersende godsdienst werd in de Nederlanden, er een mengelmoes van heidense geloven bestond, zoals de Keltische mythologie en de Germaanse mythologie, zoals Njord, Freyr en Freya, Wodan, Donar en Tīwaz. Ook Irmin werd vereerd. In cultusdomeinen werden door de stammen cultusfeesten georganiseerd als dienst voor de goden. De cultusdomeinen waren heilige bossen, rotsen of stenen die men als verblijfplaats van beschermgoden zag. Hier bracht men offers die meestal bestonden uit voedsel. Ook bouwde men eenvoudige altaren van opgestapelde stenen in de open lucht. De wil der goden werd bekend gemaakt door middel van orakels. Er bestonden geen priesters, de politieke leiders hadden ook het sacrale ambt in handen. Met de Romeinen werd de Romeinse mythologie geïntroduceerd. Onder de Romeinen volgde de eerste kerstening die vooral plaatsvond in de steden. De invloed van deze eerste kerstening was echter beperkt en verdween vrijwel na de volksverhuizingen.
In de 2e en 3e eeuw na Christus werd Nehalennia vereerd bij de monding van de Schelde. Zij was een voor-Keltisch-Germaanse beschermgodin van vissers en zeelui. Altaren ter ere van de godin zijn gevonden in Zeeland en bevestigen het handelsverkeer in die periode. Teruggevonden tempels te Elst, Kessel en Empel waren bijna zeker gewijd aan de oppergod Hercules Magusanus.
[bewerk] Ontstaan van christendom en kerk
Van het christendom zijn er voor 300 vrijwel geen sporen teruggevonden. De mysteriecultus van Attis en Kybele was echter invloedrijk. In de 4e eeuw werd het christendom vanuit Keulen, waar Maternus bisschop was, en Noord-Frankrijk in de Nederlanden verspreid. De bisschoppen vestigden zich ook hier in de bestuurlijke centra. De eerst genoemde was Servatius, bisschop van Tongeren, die zich later in Maastricht vestigde, dat beter te verdedigen was. Aanvankelijk bleef de christelijke invloed onder de Germanen echter beperkt en hingen deze nog verschillende heidense geloven aan.
Met de bekering van Chlodovech I rond 500 begon de tweede kerstening en werden de Franken langzaam tot het christendom bekeerd. In de 8e en 9e eeuw volgden ook de Friezen, veelal door rondtrekkende predikers, dikwijls Ierse of Engelse monniken zoals Willibrordus, Bonifatius en Adelbert van Egmond. Enkele generaties later werden ook de Saksen hardhandig bekeerd tijdens de Saksenoorlogen. Het hof van Karel de Grote speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de theologie - met hoftheoloog Alcuinus - het onderwijs en de kunsten.
Er ontstond in de kerk - tussen 730 en 843 - een strijd over afbeeldingen en beelden, het iconoclasme. In 787, tijdens het laatste oecumenische concilie, werd het vereren van beelden en afbeeldingen (iconen) toegestaan. Ook kwam er discussie over de leer van de predestinatie. Godschalk de Saks, een monnik, formuleerde de leer van de dubbele predestinatie.
Vanaf deze tijd werden kerken in steen gebouwd. Vooral in de bouwkunst kwam er een eigen Karolingische stijl. In Aken liet Karel de Grote een paltskapel bouwen.
Zonder actieve steun van de Karolingen zou de kerstening van de noordelijke Nederlanden minder snel resultaat gehad hebben. Dit was echter aanvankelijk vooral de acceptatie van de riten door de hoge standen. De uiterlijke kerstening van de bevolking werd echter pas veel later gevolgd door een innerlijke kerstening. Het zou nog eeuwen duren totdat het christendom als geloof volledig deel uitmaakte van het leven van ook de lage stand. Bepaalde heidense tradities leefden nog lang na de kerstening voort. Tot in de 12e eeuw werden openlucht-cultusplaatsen voor rituele doeleinden gebruikt. Zelfs heden zijn nog sporen van voorchristelijke gebruiken te vinden in veelal plaatselijke gebruiken op het platteland van de lage landen.
De weerstand bleek duidelijk uit de moord op Bonifatius in 754 in Dokkum en overkwam ook Lebuïnus, een Angelsaksische priester, die vanuit het missiecentrum Utrecht naar de IJsselstreek trok. Vanuit Deventer werden kerken gesticht in het Saksische land, zoals waarschijnlijk rond 770 in Oldenzaal. De kerk van Deventer werd echter een aantal keer verwoest, waarna het twintig jaar zou duren voordat de missiepriesters terugkeerden.
Liudger had meer succes, en slaagde met name in de provincie Groningen, maar ook bijvoorbeeld in Wichmond. Kort na 800 werd Liudger de eerste bisschop van het nieuwe bisdom Munster. Het grootste deel van Groningen en het graafschap Twente gingen tot dat Saksische bisdom behoren. De stad Groningen viel echter met Drenthe en het graafschap aan de IJssel, waar Deventer en Zutphen in de 10e eeuw deel van uitmaakten, goeddeels onder het Frankische bisdom Utrecht, hoewel dat tot in de 17e eeuw werd betwist door Munster.
Door het ontstaan van de eerste parochies in de 7e eeuw ontstonden er grote veranderingen in het aanzicht van het platteland. Boven de daken van de plattelandswoningen torenden opeens grote kerken en basilieken, zoals de Sint-Gertrudis-Kerk van Nijvel en de Sint-Baafs en Sint-Pieters te Gent. Deze laatste werden gesticht in 676 door Amandus van Gent, de apostel van Vlaanderen. In 675 werd de abdij van Stavelot-Malmédy opgericht door Remaclus, de apostel van Wallonië. Zo werden er tussen 630 en 740 circa 50 abdijen opgericht in de zuidelijke Nederlanden. Deze waren belangrijk voor de verspreiding van het geloof.
De eerste kloosters ten noorden van de rivieren ontstonden vanaf de 9e eeuw. Toen werd in Deventer het kapittelklooster gesticht, in de 10e eeuw ook in Oldenzaal en in de 11e eeuw Zutphen en Groningen. Kloosters op het platteland ontstonden vanaf de 12e eeuw, zoals die van de Benedictijnen en de Cisterciënzers. In de grotere steden vestigden zich vanaf de 13e eeuw bedelordekloosters van de Dominicanen en de Franciscanen en Heilige Geest-gasthuizen. Vanaf de 14e eeuw nam het aantal kloosters, zowel in de steden als op het platteland, sterk toe door de Begijnen en de Moderne Devotie.
In de Romeinse tijd werden de doden waarschijnlijk gecremeerd, rond 400 stapte de sociale elite over op begraven, of inhumaties.
[bewerk] Het dagelijkse leven
In de Karolingische tijd werd het hofstelsel of domaniaal systeem ingevoerd. Dit was een organisatie waarbij een stuk grond, het vroonhof, ook wel domein genoemd, economisch geheel zelfvoorzienend was. De grond was in bezit van een grootgrondbezitter die zijn horigen een deel van het land voor hem liet bewerken. Daarnaast woonden er boeren die een stuk land uitbaten op dit domein en daarvoor diensten of goederen verschuldigd waren. De uitwisseling van goederen en diensten was sterk gereguleerd vanuit de vroege steden, die belangrijk waren als bestuurs- en handelscentra.
Met het afnemen van de macht van de koning en de keizer kon de grootgrondbezitter, die economische macht had, uitgroeien tot een heer met juridische macht. Hieruit ontstond de heerlijkheid of seigneurie. Er was een grote mate van autarkie en het statische systeem zorgde ervoor dat boeren aan het domein gebonden waren. Er waren slechts weinig mogelijkheden om te reizen of om in een ander milieu terecht te komen. Het hofstelsel werd niet overal ingevoerd. Het systeem werkte bijvoorbeeld niet in gebieden waar veel ontginningen plaatsvonden en ook niet in Friesland door de Friese Vrijheid.
De meerderheid was boer en vaak erg arm en ondervoed. Bijna iedereen leefde op het platteland. Edellieden en de Kerk hadden heel veel macht. Omdat aan het einde van de Vroege Middeleeuwen iedereen lid was van de Kerk, konden de geestelijken iedereen via de preekstoel beïnvloeden. Kerkelijke gezagsdragers waren vrijwel de enigen die konden lezen en schrijven, wat hun machtspositie nog vergrootte. Het aardse bestaan was in de Middeleeuwen van ondergeschikt belang en het hele leven was gericht op het hiernamaals. De angst om in de hel te komen maakte de mensen zeer onderdanig aan de machthebbers. In de Vroege Middeleeuwen lag het in de meeste gevallen al bij de geboorte vast of men tot de groep van de boeren of van de edelen zou horen. Men kon alleen uit zijn stand komen door geestelijke te worden.
[bewerk] Vroege steden
De eerste stadsontwikkeling ontstond met steden die door de Romeinen werden gesticht of ontstonden uit voormalige castella, zoals Nijmegen, Maastricht en Utrecht, maar ook kleinere steden als Cuijk en Woerden. Daarna ontstonden Karolingische handelsplaatsen als Dorestad, Medemblik en Deventer. Deze nederzettingen lagen op een knooppunt van waterwegen en de bewoners namen deel aan lange-afstandshandel en hadden een eigen ambachtelijke productie. In de 10e eeuw ontstonden stedelijke nederzettingen als Stavoren, Tiel en de handelswijk in Utrecht. Groningen groeide door goede landverbindingen in de 10e eeuw ook uit tot een belangrijke handelsplaats, net als Zutphen en ook kleinere nederzettingen als Zwolle, Arnhem. Vanwege hun gunstige ligging werden hier vanaf de Karolingische en de Ottoonse tijd door de Frankische veroveraars bestuurlijke en kerkelijke centra gesticht en soms ook emporia, handelscentra. Deventer was, met tol en munt, rond 850 de belangrijkste opvolger van Dorestad en naast Utrecht het belangrijkste kerkelijke centrum, zeker na de omwalling die rond 890 plaatsvond naar aanleiding van Vikingaanvallen. Ook Zutphen, in de 9e eeuw in hetzelfde Karolingische graafschap aan de IJssel gelegen en het bestuurlijke en militaire centrum met gravenhof en ringwalburg, werd om die reden omwald. Zwentibold verleende Tiel, Utrecht en Deventer in 896 speciale handelsprivileges. Oldenzaal was de centrale plaats van het graafschap Twente en was dankzij een grafelijk hof, een vroege kerkstichting (ca. 775; vanaf de 10e eeuw kapittel) en een marktfunctie een bloeiende plaats.
In deze steden werd de macht van de Duitse vorst en de bisschop van Utrecht tot uitdrukking gebracht in de architectuur. In een tijd dat de meeste gewone huizen nog van hout en leembestreken vlechtwerkwanden waren, werden kerkelijke gebouwen en bestuursinstellingen in steen gebouwd om indruk te maken. De grootste huizen werden tot in de 13e eeuw opgetrokken uit natuursteen. Deze huizen waren vaak breed en diep en voorzien van verdiepingen. Door kantelen en arkeltorens kregen ze het aanzien van adellijke residenties. Ook waren ze in beperkte mate verdedigbaar met soms de ingang op de eerste verdieping, bereikbaar met een wegneembare trap. Bij de meeste huizen werd het deel aan de straatzijde gebruikt als werkplaats of winkel. Overigens werd ten zuiden van de grote rivieren het stenen bouwmateriaal vaak gesloopt uit oude romeinse gebouwen die daardoor grotendeels verdwenen. Vaak kan men heden nog in de oudste gedeelten van kerken, burchten en stadswallen stukken van romeinse pilaren, grafmonumenten en bakstenen zien.
[bewerk] Kunst en cultuur
In West-Europa duurde het tot ~750 voordat er sprake was van een opleving van de kunst. Ten tijde van de lange regeerperiode van Karel de Grote (768-814) kreeg de Karolingische renaissance gestalte, de opbloei van cultuur en wetenschap tussen ~750 en ~950. Deze opleving manifesteerde zich vooral aan diens hof en werd vooral gedragen door de clerus. Tijdens de regeerperiode van de Karolingen was er sprake van een toenemende belangstelling voor de klassieke cultuur. Byzantijnse invloeden, culminerend in het afbeelden van de menselijke figuur, werden versmolten met de Germaanse, grotendeels abstracte, ornamentiek. Verder zijn veel klassieke teksten in het Latijn bewaard gebleven in de vorm van handschriften die in de Karolingische tijd zijn vervaardigd. Dit gebeurde vooral in kloosterbibliotheken, waarvan het aantal en de omvang sterk toenamen tijdens en vlak na de regeerperiode van Karel de Grote.
[bewerk] Onderwijs, wetenschap, recht en bestuur
Na de Romeinse periode was er weinig over van onderwijs. Karel de Grote richtte weer scholen op. Voor de 12e eeuw speelde het intellectuele leven zich af in kloosters. De kloosterscholen waren centra van beschaving en cultuur. In de kloosters werd vooral aan liturgie en gebed gedaan en de studie van de zeven vrije kunsten. De monniken en de kloosters speelden een belangrijke rol bij het in stand houden en de verspreiding van het christelijke geloof. Latijn was de voertaal aan het hof en in de kerk.
Onder de Karolingen werd middels de capitularia weer overgegaan tot de actieve wetgeving, in tegenstelling tot het passieve gewoonterecht. Dingplaatsen, centrale gerechtsplaatsen zoals Dingspelerberg, functioneerden op bovenlokaal niveau. Het lokale bestuur werd door missi dominici, zendgraven, georganiseerd in de pagi, de gouwen. De gouwgraaf bestuurde dit als ambtenaar in dienst van de koning of keizer.
[bewerk] Hoge Middeleeuwen
Gedurende de Middeleeuwen werden de hertogen van Brabant en Gelre en de graven van Holland en van Vlaanderen heersers over de meeste gebieden van de Lage Landen. Door veroveringen en vooral door huwelijkspolitiek vond schaalvergroting plaats. Zo kwam Holland onder de invloedssfeer van de graven van Henegouwen, en beiden samen onder invloed van het Huis Wittelsbach van Beieren.
Er kwam ook weer beweging in de samenleving, zodat deze na tweehonderd jaar voor iemand die rond 1050 had geleefd niet meer te herkennen was, wat ook wel de Renaissance van de 12e eeuw genoemd. Eén van de kenmerken was de enorme toename van de ontginningen van nieuw land.
[bewerk] Economie
Vanaf ongeveer het jaar 1000 begon West-Europa zich te herstellen van de chaotische 'donkere middeleeuwen'. De bevolking groeide weer, talloze nieuwe steden ontstonden en de handel breidde zich sterk uit. Ook de Lage Landen profiteerden hiervan. Het economische zwaartepunt lag tussen 1100 en 1500 duidelijk in Vlaanderen waar Brugge en Gent door de toenemende handel zeer welvarend werden. Belangrijk was de handel tussen het Rijnland (glas, aardewerk, metalen) en Engeland (wol) die hier samenkwam. Brugge, het belangrijkste Hanzekontor, had zeewaarts een verbinding met Londen met het Stalhof als kontor, maar ook de handel met het zuiden van Frankrijk (baaizout, wijn) en het Iberisch Schiereiland was belangrijk. Over land was er de verbinding met de handel van de Westfaalse en de Rijnlandse Hanzesteden en de Italiaanse steden (kruiden, zuidvruchten zoals gedroogd fruit).
In het oosten waren het de IJsselsteden die zeer grote welvaart bereikten door de handel binnen het Hanzeverbond (voornamelijk wol, graan, hout) (Doesburg, Zutphen, Deventer, Kampen, Elburg, Harderwijk om de belangrijkste te noemen).
Vanaf de 14e eeuw begon ook het gewest Holland belangrijker te worden. Rond 1200 was de rol van Holland nog marginaal, maar tegen 1300 was het een belangrijke lokale macht. De voornaamste stad van dat gewest was in die dagen Dordrecht.
[bewerk] Vorming van het land
Tussen circa het jaar 1000 en 1600 vond de vorming van de Jonge Duinen langs de Hollandse kust plaats. Hierachter ontstonden meren die door afslag langzaam groter werden. Later kwamen er nieuwe meren, plassen geheten, omdat ze door turfwinning ontstonden.
Het Vlie werd rond 1250 steeds groter, waardoor het Almere verzoutte en erosie van het veen optrad waarmee de Zuiderzee ontstond. West-Friesland was toen al omdijkt, waardoor hier de erosie niet optrad. Andere gebieden werden ook bedijkt, waardoor gebied werd teruggewonnen, zodat de Middelzee in de 16e eeuw weer was drooggelegd. Vanaf het begin van de 15e eeuw werden voor het eerst windmolens gebruikt om gebieden droog te malen.
Door de kusterosie kwamen de inbraken van de zee bij de Maas steeds verder landinwaarts, met als hoogtepunt het tijdens de Sint-Elisabethsvloed in 1421 ontstaan van de Biesbosch.
Door de verzanding van de Oude Rijn kon in 1122 bij Wijk bij Duurstede de Kromme Rijn-Oude Rijn worden afgedamd. Dit gebeurde in 1285 ook met de Hollandse IJssel en in 1307 met de Linge. In de 12e en de 13e eeuw werden de rivieren bedijkt, waardoor de stroomloop niet meer kon veranderen.
[bewerk] Grote Ontginning
Met de bevolkingstoename van de 10e eeuw ontstond er behoefte aan meer landbouwgronden. Voor deze tijd vonden ontginningen slechts op beperkte schaal plaats om uitgeputte gronden te vervangen. Uitgebreidere ontginningen werden beperkt door het Karolingische domeinstelsel dat een gesloten, sterk hiërarchische en planmatige organisatie was. Onder druk van de demografie kwam langzaam een einde aan het statische domeinstelsel. Vanaf de 10e eeuw werd vanuit de oudere nederzettingen begonnen met de ontginningen van de