Het lied der achttien dooden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf De achttien dooden)
Ga naar: navigatie, zoeken
Monument voor Jan Campert in zijn geboorteplaats Spijkenisse (detail)
Gedenkmonument in het centrum van Emmen, dat bestaat uit een beeld van een opengescheurde archiefdoos. In de archiefdoos zijn fragmenten van archiefstukken van de gemeente afgebeeld, en het gedicht 'de achttien doden'.

Het lied der achttien dooden is een gedicht dat Jan Campert (1902-1943) schreef naar aanleiding van de executie van vijftien Geuzen (verzetsstrijders in de Tweede Wereldoorlog) en drie Februaristakers die op 13 maart 1941 plaatsvond op de Waalsdorpervlakte. De eerste strofe van dit gedicht is uitgehakt in een steen die zich op kamp Westerbork bevindt.

Ontstaan[bewerken]

Het gedicht is geschreven vanuit het perspectief van een van de achttien terechtgestelden, die in de cel op zijn executie wacht. Deze vorm heeft aanleiding gegeven tot het misverstand dat het gedicht ook echt voor de executie plaatsvond is ontstaan, al dan niet in verband met het andere misverstand dat de dichter zelf echt een van de achttien is geweest. Volgens Jan Campert-biograaf Hans Renders is het het meest waarschijnlijk dat Campert van de executie op de hoogte kwam doordat de illegale krant Het Parool daarover publiceerde op 9 april 1941.[1]

De Bezige Bij[bewerken]

'Het Lied der achttien dooden' werd voor het eerst gepubliceerd in de illegale krant Het Parool van 10 februari 1943 en verscheen op 21 februari in het ondergrondse blad Vrij Nederland. Onder de titel 'De achttien dooden' werd het in maart of april 1943[2] uitgebracht als rijmprent, met een tekening van Fedde Weidema, onder het pseudoniem Coen van Hart, door de Utrechtse student scheikunde Geert Lubberhuizen en in ruime kring verspreid en verkocht - de schatting is dat er gedurende de bezetting 15.000 exemplaren voor vijf gulden verkocht zijn. Daarnaast werd de tekst nagedrukt, geroofdrukt en in bloemlezingen opgenomen, zodat de werkelijke verspreiding in de oorlog niet te schatten valt. De met de prent gegenereerde gelden waren nodig voor het helpen onderduiken van Joodse kinderen via het Utrechts Kindercomité, waar Lubberhuizen en enkele medestudenten in betrokken waren geraakt. Met deze uitgave begon Lubberhuizen zijn werk als uitgever: de naam van uitgeverij De Bezige Bij wordt voor het eerst vermeld achterop de vierde druk van de prent.

Reputatie van het gedicht[bewerken]

Literatuurhistoricus Hans Renders noemt enkele factoren die er samen toe hebben geleid dat het gedicht uitgroeide tot het 'bekendste verzetsgedicht van Nederland.'[3] Het was een mooi gedicht, 'prachtig en emotioneel',[4] waarin een duidelijk standpunt tegen de bezetter samen ging met literair niveau. De aanleiding was dramatisch, want de Geuzengroep was de eerste verzetsgroep die werd opgepakt. Anders dan de meeste anti-Duitse geschriften hoefde het niet anoniem te verschijnen: aangezien de dichter zelf ook al dood was, kon zijn naam voluit onder het gedicht worden afgedrukt. Dit feit zorgde in samenhang met het gekozen vertelperspectief van een ik-figuur die één van de achttien gefusilleerden was, voor het misverstand dat Campert zèlf werkelijk een van die achttien was geweest. Tenslotte was Campert dermate vroeg in de oorlog overleden dat zijn postume reputatie in de bezettingstijd alle tijd had om te groeien.

Tekst[bewerken]

DE ACHTTIEN DOODEN
Een cel is maar twee meter lang
en nauw twee meter breed,
wel kleiner nog is het stuk grond
dat ik nu nog niet weet,
maar waar ik naamloos rusten zal,
mijn makkers bovendien,
wij waren achttien in getal,
geen zal den avond zien.
O lieflijkheid van lucht en land,
van Hollands vrije kust –
ééns door den vijand overmand,
vond ik geen uur meer rust;
wat kan een man oprecht en trouw,
nog doen in zulk een tijd?
Hij kust zijn kind, hij kust zijn vrouw
en strijdt den ijdelen strijd.
Ik wist de taak die ik begon
een taak van moeiten zwaar,
maar 't hart dat het niet laten kon
schuwt nimmer het gevaar;
het weet hoe eenmaal in dit land
de vrijheid werd geëerd,
voordat een vloek'bre schennershand
het anders heeft begeerd,
voordat die eeden breekt en bralt
het misselijk stuk bestond
en Hollands landen binnenvalt
en brandschat zijnen grond,
voordat die aanspraak maakt op eer
en zulk germaansch gerief,
een land dwong onder zijn beheer
en plunderde als een dief.
De rattenvanger van Berlijn
pijpt nu zijn melodie;
zoo waar als ik straks dood zal zijn,
de liefste niet meer zie
en niet meer breken zal het brood
noch slapen mag met haar –
verwerp al wat hij biedt of bood
die sluwe vogelaar.
Gedenkt, die deze woorden leest,
mijn makkers in den nood
en die hen nastaan 't allermeest
in hunnen rampspoed groot,
zooals ook wij hebben gedacht
aan eigen land en volk,
er komt een dag na elke nacht,
voorbij trekt ied're wolk.
Ik zie hoe 't eerste morgenlicht
door 't hooge venster draalt –
mijn God, maak mij het sterven licht,
en zoo ik heb gefaald
gelijk een elk wel falen kan,
schenk mij dan Uw genâ,
opdat ik heenga als een man
als ik voor de loopen sta.

Geëxecuteerden[bewerken]

Geuzen[bewerken]

  1. Jan Wernard van den Bergh
  2. George den Boon
  3. Reijer Bastiaan van der Borden
  4. Nicolaas Arie van der Burg
  5. Jacob van der Ende
  6. Albertus Johannes de Haas
  7. Leendert Keesmaat
  8. Arij Kop
  9. Dirk Kouwenhoven
  10. Jan Kijne
  11. Leendert Langstraat
  12. Frans Rietveld
  13. Johannes Jacobus Smit
  14. Hendrik Wielenga
  15. Bernardus IJzerdraat

Februaristakers[bewerken]

  1. Hermanus Coenradi
  2. Joseph Eijl
  3. Eduard Hellendoorn

Externe link[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Renders, Hans. (2004a). Wie weet slaag ik in de dood. Biografie van Jan Campert. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023414497
  • Renders, Hans. (2004b). Gevaarlijk drukwerk: Een vrije uitgeverij in oorlogstijd. Amsterdam: De Bezige Bij. ISBN 9023414306
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Renders (2004b), 20
  2. De Bezige Bij
  3. Renders (2004a), 316
  4. Renders (2004b), 23