De civitate Dei

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Openingstekst uit omstreeks 1470

De civitate Dei (letterlijk: Over de stad Gods) is een boek dat in het Latijn is geschreven door de kerkvader Augustinus van Hippo tussen 413 en 426.

Het werk telt 22 boeken en is een apologie van het christelijk geloof. Het bestaat uit een reeks verhandelingen over uiteenlopende onderwerpen, zoals de Griekse filosofie, het ontstaan van de godsstaat en de wereldse staat en de strijd tussen die twee. Ook sociale, economische en politieke problemen komen aan de orde.

Het boek ontstond als een reactie op de plundering van Rome door Alarik I in 410. Augustinus begon zijn werk in 412; in 426 schreef hij de laatste 4 delen. In de eerste vijf boeken bestrijdt hij de beschuldiging van niet-christenen dat de val van Rome een godenstraf zou zijn voor het verlaten van de oude Romeinse godsdienst. In de volgende vijf delen poogt hij de stelling te weerleggen dat offeren aan vele goden gunstig is voor het leven in het hiernamaals, en vooral in de boeken VIII, IX en X gaat Augustinus in op de argumenten van de neo-platonische filosofen. Boek XI tot en met XXII handelt over de stad van God en de stad van de wereld, hun ontstaan, hun ontwikkeling en hun toekomst.

Op het werk zijn vele commentaren geschreven en het is in veel talen vertaald. De invloed ervan op het christelijke denken is groot geweest.

Nederlandse vertaling[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikisource Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina De civitate Dei op de Latijnse versie van Wikisource