De idioot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De idioot
Oorspronkelijke titel Идиот
Auteur(s) Fjodor Dostojevski
Vertaler Charles B. Timmer
Land Rusland
Taal Nederlands
Oorspronkelijke taal Russisch
Genre Roman
Uitgever Uitg. Maarten Muntinga
Uitgegeven 2010
Oorspronkelijk uitgegeven 1869
Pagina's 761
ISBN-code 978-90-417-0471-9
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De idioot (Russisch: Идиот) is een roman van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski uit 1868-1869.

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De vijf hoofdpersonen zijn:

  • Prins Ljew Nikolájewitsj Myskin, aristocraat met epilepsie
  • Nastásja Filíppowna Barasjkówja, misbruikt weesmeisje van een verbluffende schoonheid
  • Parfjón Semjónowitsj Rogózjin, erfgenaam van een rijke koopman
  • Aglája Jepántsjina, derde dochter van welgestelde ouders
  • Gawríla Ardaliónowitsj Iwólgin, ijverige jongeman van goede afkomst

Huwelijksplannen van de vier laatst genoemde hoofdpersonen worden doorkruist door de plotselinge komst van prins Ljew in Leningrad.

Dostojewski wilde in de figuur van Prins Mysjkin een goed mens neerzetten, iemand die de christelijke liefde iedere seconde in zijn hart draagt.

Ljew Mysjkin is een 26-jarige prins uit een oude adellijke familie. In het verleden is hij erg ziek geweest. Zware aanvallen van epilepsie beroofden hem tijdelijk van zijn verstand. Hij was zijn geheugen kwijt, kon zich niet behoorlijk uitdrukken, begreep niet wat mensen verlangden en had nergens benul van. Meer dan vier jaar heeft hij in een Zwitsers sanatorium verbleven om te genezen van zijn ziekte. Hij is daar heel gelukkig geweest. Als hij op een dag terugkeert in Rusland, kent hij daar niemand. Zijn ouders zijn al twintig jaar dood, zijn pleegvader is twee jaar geleden overleden. Ook zijn financiële situatie is penibel. Maar hij blijkt recht te hebben op een erfenis van circa 2,5 miljoen roebel. Hiervan is na betaling van dubieuze schuldeisers aan het eind van het boek nog 132.000 roebel over. De prins staat anders in het leven. Hij is iemand die iedereen liefheeft, een filosoof, een kindervriend en zelf nog een kind. Ook om deze redenen wordt hij een 'idioot' genoemd. Dostojewski wil hiermee laten zien dat Mysjkin, die in zijn kinderlijkheid, een puur en onschuldig christendom nastreeft, en daarmee in de ogen van anderen een idioot is, terwijl hij eigenlijk de enige is die het leven en de mens naar zijn waarde weet te schatten.

Onmiddellijk na terugkeer in Leningrad zoekt hij de familie Jepantsjin op, omdat de vrouw des huizes een ver familielid van hem is. De beeldschone en wispelturige Aglája Jepántsjina is de jongste dochter van het gezin. De prins wordt echter diep getroffen door het portret van Nastásja Filíppowna Barasjkówja. Als weesmeisje is zij vanaf haar negende opgevoed en onderhouden door haar pleegvader Totski, om vervolgens enkele jaren lang door hem seksueel te worden misbruikt. Nadat zij zich daarvan heeft bevrijd, wordt zij niettemin nog steeds door hem onderhouden. Hoewel buiten haar schuld is zij dus een 'gevallen' vrouw en door haar uitzonderlijke schoonheid in combinatie met haar intussen vrijgevochten gedrag heeft zij een slechte reputatie gekregen. Als 'femme fatale' is zij een van de grote vrouwenfiguren uit de literatuur. De prins houdt zielsveel van beide vrouwen, maar op een verschillende manier. Nastásja wordt in haar bruidsjurk op haar eigen verzoek voor de kerk meegenomen door de rivaal van de prins, Parfjón, en komt hierna zoals door de prins is voorspeld tragisch aan haar einde.

Religieuze achtergrond[bewerken]

Dostojevski hield vast aan het traditionele Rusland en gebruikt Ljew Mysjkin als zijn woordvoerder. Er werden nieuwe ideeën geïmporteerd vanuit het buitenland, maar hij verzette zich tegen deze vernieuwing. Voor hem waren socialisme en liberalisme allemaal hetzelfde. De socialisten waren niets anders dan de liberale landheren uit de tijd van het lijfeigenschap. Het was niet alleen een aanval op de gevestigde orde, maar op Rusland zelf. De vernieuwers haatten Rusland en gaven af op alles dat Russisch was. Daarom mochten oude adellijke geslachten niet verdwijnen. Zij moesten vooraanstaande en leidende figuren blijven in Rusland.

Dostojevski keerde zich nog feller tegen de Rooms-katholieke Kerk. De paus streefde naar universele wereldlijke macht zoals het West-Romeinse keizerrijk. Daarvoor had hij het zwaard opgenomen en zich bediend van leugen, list, bedrog, fanatisme, bijgeloof en misdaad. Het katholicisme predikte de Antichrist en was erger dan atheïsme. In Rusland was alleen bij de bevoorrechte kringen het geloof verdwenen, maar in Europa waren al grote massa’s van het volk hun geloof verloren uit haat tegen de Kerk. Atheïsme en socialisme kwamen voort uit het morele verzet tegen het katholicisme. Beide ideologieën wilden de mens redden, niet door Christus, maar door middel van geweld. Jezuïeten werden afgeschilderd als sluw gespuis en bedriegers.

Dostojevski wist heel goed hoe men in Rusland en Europa over elkaar dacht. In Rusland werd Europa beschouwd als beschaafd en in Europa werd Rusland beschouwd als barbaars. Daarom kon het westen gemakkelijk zijn nieuwe ideeën uitvoeren naar Rusland, maar Dostojevski probeerde de rollen om te draaien. Hij wilde de Russen niet langer bloot stellen aan westerse invloeden, ze een Russische wereld tonen en de Russische beschaving zelfs naar het westen brengen. Daarvoor had hij een groot en krachtig idee nodig, dat de mensen verbond en stuurde. Dostojevski beriep zich op de Russische gedachte, de Russische God en Christus. Dat betekende liefde voor het Russisch vaderland en de Russisch-orthodoxe Kerk. Wie zijn vaderland niet liefhad, had ook God niet lief. De Russische Christus was zuiver gebleven, zou in al Zijn glorie verschijnen en zorgen voor de opstanding van het hele mensdom. Er zou een reus verrijzen voor de ogen van de verbaasde wereld. Heel het buitenland, heel Europa was niets anders dan een illusie.

Vertalingen[bewerken]