De roep van Cthulhu

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Roep van Cthulhu
Oorspronkelijke titel The Call of Cthulhu
Auteur(s) H. P. Lovecraft
Land Verenigde Staten
Taal Engels
Uitgegeven februari 1928
Medium Print
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De Roep van Cthulhu (originele titel The Call of Cthulhu) is een sciencefiction/horror-Novelle, geschreven door H. P. Lovecraft. Het verhaal werd voor het eerst gepubliceerd in het tijdschrift Weird Tales in februari 1928.[1] Het is het enige verhaal van Lovecraft waarin de godheid Cthulhu een grote rol speelt.

Het verhaal is geschreven als een documentaire, met drie verschillende vertelperspectieven verbonden door 1 verteller.

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Het verhaal bestaat uit een manuscript dat door de verteller wordt gevonden tussen de papieren van de recentelijk overleden Francis Wayland Thurston.[2] In het manuscript omschrijft Thurston een ontdekking gedaan door zijn oudoom, George Gammell Angell, een vooraanstaande professor in Semitische talen.

Het eerste deel van het verhaal draait om een kleifiguurtje, dat door de verteller tussen de papieren wordt gevonden. Het stelt een wezen voor dat zich nog het beste laat omschrijven als een mengeling tussen een octopus, een draak en een humanoïde wezen.[3] Het blijkt gemaakt te zijn door Henry Anthony Wilcox, een student aan de Rhode Island School of Design, die het wezen zou hebben gezien in zijn droom. Hij zag in zijn dromen ook een vreemde stad met monolieten en vreemde hiërogliefen. Twee woorden komen in zijn omschrijvingen van zijn droom steeds terug; Cthulhu en R'lyeh.[4] Angell onderzocht volgens het manuscript Wilcox’ droom, en ontdekte dat er rond dezelfde tijd wereldwijd mensen dergelijke dromen hebben gekregen of zich spontaan bezig zijn gaan houden met vreemde rituelen. Vooral patiënten van mentale inrichtingen werden door het verschijnsel getroffen.

In het tweede deel omschrijft Thurston het verdere onderzoek van zijn oudoom naar de betekenis van het woord Cthulhu. Hij had dit woord al eerder gehoord, in 1908, toen een politie-inspecteur uit New Orleans, John Raymond Legrasse, een groep geleerden, waaronder Angell, bijeen had geroepen om een standbeeld gemaakt van een onbekende groen-zwarte steensoort te onderzoeken. Dit beeld was kort daarvoor afgenomen van een sekte. Geen van de geleerden kon de herkomst van het beeld achterhalen. Legrasse had volgens het manuscript verschillende leden van de sekte laten ondervragen en zo ontdekt dat ze een groep wezens genaamd “de Grote Ouden” aanbidden. De sekte zou volgens de gearresteerde leden al zo oud zijn als de mensheid zelf; de oprichters hadden hun kennis van de Grote Ouden zelf ontvangen via hun dromen. Doel van de sekte zou zijn om de Grote Ouden te helpen bij hun ontwaking en terugkeer naar de aarde zodra de sterren weer in de juiste positie staan.

In het derde deel gaat Thurston, nieuwsgierig geworden door de notities van Angell, zelf op zoek naar meer info over de Cthulhusekte. Hij ontdekt na lang zoeken een artikel uit de Australische krant “Sydney Bulletin”, daterend van 8 april 1925. Hierin wordt gesproken over de vondst van een gestrand schip, met slechts 1 overlevende aan boord; de Noorse zeeman Gustaf Johansen. Volgens Johansen waren hij en zijn collega’s aangevallen door een ander schip, de Alert, waarvan de bemanning niet meer voor rede vatbaar leek. Ze konden de aanval afslaan .De volgende dag ontdekten de matrozen een eiland in de buurt van 47° 9' S, 126° 43' W, hoewel daar volgens de kaart geen eilanden zijn. Veel van de matrozen stierven tijdens het verkennen van het eiland. Het krantenartikel stopt hier, maar Thurston beseft dat de bemanning van de Alert deel uit moet maken van de Cthulhusekte. Hij bezoekt de vrouw van de inmiddels overleden Johansen, die hem een manuscript geeft geschreven door haar man. Hierin leest Thurston hoe Johansen en zijn nog levende collega’s getuige waren van hoe Cthulhu even ontwaakte uit zijn slaap, maar samen met zijn eiland weer naar de bodem van de zee zonk nadat Johansen hem ramde met het schip.

Thurston beëindigt zijn manuscript met een pessimistische boodschap; hij zal spoedig sterven net als Angell en Johansen daar hij nu te veel weet en de sekte nog steeds bestaat. Hij benadrukt de lezer dat zijn manuscript nooit openbaar mag worden. Ook twijfelt hij er niet aan dat Johansen met zijn daad Cthulhu’s terugkeer slechts wat vertraagd heeft, en dat het een kwestie van tijd is voor de Grote Ouden echt zullen terugkeren.

Inspiratie[bewerken]

De Amerikaanse theoloog Robert M. Price noemde in zijn boek The Cthulhu Cycle het gedicht The Krakken van Alfred Tennyson een belangrijke inspiratiebron voor Lovecrafts verhaal. Beide gaan over enorme, octopusachtige monsters die onder de zee wachten op het moment dat ze kunnen terugkeren.[5] Ook had Lovecraft zich volgens hem laten inspireren door de werken van Lord Dunsany.

S. T. Joshi en David E. Schultz noemen Guy de Maupassants Le Horla en Arthur Machens The Novel of the Black Seal (1895) als mogelijke inspiratiebronnen voor Lovecraft.[6]

Significantie[bewerken]

"De Roep van Cthulhu" werd aanvankelijk geweigerd voorWeird Tales door redacteur Farnsworth Wright. Hij veranderde pas van gedachten toen Lovecrafts vriend en collegaschrijver Donald Wandrei hem wist over te halen.[7]

Het verhaal werd met uiteenlopende reacties ontvangen. Sommige lezers vonden het een opmerkelijke prestatie. Zo noemde Robert E. Howard het verhaal in een brief aan Weird Tales een meesterwerk.[8] Anderen waren er minder over te spreken.

De Franse schrijver Michel Houellebecq noemt in zijn boek H. P. Lovecraft: Against the World, Against Life het verhaal Lovecrafts eerste grote werk.[9]

Publicatie[bewerken]

Het verhaal is meerdere malen opgenomen in verhalenbundels:

Bewerkingen[bewerken]

De Atlanta Radio Theatre Company maakte als onderdeel van de Dragon Con van 1987 een audioversie van het verhaal.[10]

In 1989 werd het boek bewerkt tot een audioboek door Landfall Productions.

In 1988 voorzag John Coulthart het verhaal van illustraties.

In 2005 maakte de H. P. Lovecraft Historical Society een stomme film-versie van het verhaal, getiteld The Call of Cthulhu.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Straub, Peter, Lovecraft: Tales, The Library of America, 2005, p. 823 ISBN 1-931082-72-3.
  2. Lovecraft, The Call of Cthulhu, p. 125.
  3. Lovecraft, The Call of Cthulhu, p. 127.
  4. Lovecraft, The Call of Cthulhu, p. 129-130.
  5. Robert M. Price, "The Other Name of Azathoth", introduction to The Cthulhu Cycle. Price credits Philip A. Shreffler with connecting the poem and the story.
  6. S. T. Joshi and David E. Schultz, Call of Cthulhu, The, An H. P. Lovecraft Encyclopedia, pp. 28-29.
  7. S.T. Joshi, More Annotated Lovecraft, p. 173.
  8. Quoted in Peter Cannon, "Introduction", More Annotated Lovecraft, p. 7.
  9. Michel Houellebecq, H. P. Lovecraft: Against the World, Against Life.
  10. History of Dragon*Con