Verlichting (stroming)
De Verlichting of de Eeuw van de Rede (van omstreeks 1650 tot de Franse Revolutie) is de reactie op het dogmatische absolutisme die als filosofische beweging het denken, de wetenschap, de economie, de politiek, de cultuur, de opvoeding en de religie in de Westerse wereld wijzigde.[1] De Verlichting wordt gezien als een van de pijlers van de Westerse beschaving die de doorslag gaf in de wording van de moderniteit via processen van individualisering, emancipatie, feminisme, secularisering en globalisering. Het gelijkheidsbeginsel, de mensenrechten en de burgerrechten vinden er hun wortels, net zoals het socialisme en het liberalisme, het anarchisme en het vrijdenken'. De Verlichting kent een kritische en een constructieve zijde. De kritische zijde neemt het (geïnstitutionaliseerd) geloof en onredelijkheid op de korrel. De constructieve kant zoekt kennis (wetenschap) en nieuwe samenlevingsvormen met als idealen rechtvaardigheid en democratie. Het tegenovergestelde van de Verlichting is het obscurantisme. 17e-eeuwers en de 18e-eeuwers beschouwden hun tijd als verlicht, een tijd waarin zij het duistere verleden achter zich laten.
Inhoud |
[bewerken] De filosofen
|
Immanuel Kant, 1791
|
|
Voltaire, 1718
|
|
Jean-Jacques Rousseau, 1753
|
Baruch Spinoza, Pierre Bayle, Voltaire en Diderot zijn de belangrijkste Verlichtingsfilosofen. Anderen zijn John Locke, Charles de Montesquieu, Isaac Newton, Gottfried Wilhelm Leibniz, David Hume en Adam Smith. Rousseau wordt onterecht tot de Verlichting gerekend: zijn ideeën waren eerder op emotie dan op de ratio gericht. Voltaire spotte met Rousseau. De drie Kritieken van de Duitse Verlichtingsfilosoof en laatste universalist, Kant, gelden vanwege hun intellectuele diepgang als een mijlpaal in de Westerse wijsbegeerte. Zijn meest toegankelijke tekst is het pamflet "Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?" (De beantwoording van de vraag: wat is de Verlichting?) uit 1784. Het was zijn bijdrage aan een prijsvraag.
[bewerken] Definitie
Uit dat werk komt de bekendste definitie van de Verlichting. Kant zegt:
- "Aufklärung ist der Ausgang des Menschen aus seiner selbstverschuldeten Unmündigkeit. Unmündigkeit ist das Unvermögen, sich seines Verstandes ohne Leitung eines anderen zu bedienen."
- (Verlichting is het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Onmondigheid is het onvermogen zich van zijn verstand te bedienen zonder de leiding van de ander.) [2]
Deze onmondigheid is geen gebrek aan verstand maar aan een gebrek aan moed en vastberadenheid en het blind vasthouden aan overgeleverde waarden. De zinspreuk van de Verlichting is 'Sapere aude': durf je van je eigen verstand te bedienen. René Descartes legt met de uitspraak Cogito ergo sum het fundament voor de Verlichting, namelijk dat de waarheid te vinden is met de ratio of (de rede, het verstand), die steeds toeneemt. De verlichting gaat hiermee in tegen absolute waarheden van wereldlijke autoriteiten de (adel) en de kerkelijke autoriteiten clerus.
[bewerken] Geschiedenis
[bewerken] Aanloop
In de feodale maatschappij die tijdens de middeleeuwen ontstond, was er geen plaats voor de burgerij die in aantal toenam in de groeiende steden. De economische betekenis van deze klasse was niet in evenwicht met haar politieke inspraak. Die in handen was van de adel en de clerus. De intellectuele toplaag van de burgerij bekritiseerde steeds openlijker de situatie en stelde eigen theorieën op over hoe de wereld zou kunnen functioneren. Deze filosofieën stonden haaks op de macht van de adel en de bijbel-interpretatie, die de geestelijkheid als een eeuwige wet presenteerde.
[bewerken] Ontstaan
De Verlichting ontstond in de West-Europeese hogere kringen in Engeland en Schotland, Frankrijk, Duitsland en Nederland en kende invloeden van de Renaissance, de Reformatie en de ontdekkingsreizen. De reisboeken en -verslagen die Europa eind 17e eeuw overspoelden, maakten komaf met de blanke en christelijke superioriteit. Men ontdekte dat andersgelovigen of heidense volken, zoals de Chinezen waardevolle culturen zijn. Dit soort beschrijvingen, al dan niet fictief vormden al snel (impliciete) kritiek op de Europese maatschappij. In zijn fictieve reisverslag Perzische Brieven laat Montesquieu's twee Perzen Europa kritisch bezoeken.
[bewerken] Verspreiding
In salons of in het genootschap (als Nederlandse variant) zoals de Salon van Madame Geoffrin interesseerden aristocraten zich voor de beweging. Sommigen traden op als beschermers voor wie in juridische of financiële moeilijkheden raakte. De Verlichting verschilde van land tot land.
In Frankrijk deed de strenge censuur velen vluchten of in de gevangenis belanden. In Amsterdam, waar de hugenoten eerder al hun toevlucht zochten, waren enkele Franse drukkerijen, waarvan de geschriften naar Frankrijk werden gesmokkeld.
In andere landen waren het vaak juist de heersers die belangstelling toonden. Frederik de Grote bijvoorbeeld was een groot aanhanger van Voltaire.
In Duitsland werd de Verlichting vertegenwoordigd door onder meer Lessing.
In Rusland drong de Verlichting nauwelijks door, ondanks de inspanningen van de met Voltaire bevriende tsarina Catharina de Grote.
De beweging verspreidde zich naar de Europese kolonies en inspireerde de voor onafhankelijkheid strijdende Amerikanen Thomas Paine, Benjamin Franklin en Thomas Jefferson.
De Verlichtingsidealen stonden haaks op de slavernij en droegen bij tot de afschaffing ervan. Ze beïnvloedden Franse Revolutie in 1789 indirect, omdat de aanhangers eerder optimisten waren die geloofden in geleidelijke hervorming, niet in revolutie.
[bewerken] Uitwerking
[bewerken] In de wetenschap en de encyclopedie
De wetenschappen doorbraken met de Empirische kennis, de kennis uit vrij onderzoek en experimenten en het (rationalisme) de eeuwenoude hegemonie van de theologie en vervingen de traditionele kennis en gewoonten. Het idee dat in de natuur wetmatigheden staken, veroorzaakte een wetenschappelijke revolutie. Isaac Newton meende dat in het heelal te ontdekken wetten golden. Voor de filosofen golden die wetten op alle vlakken: van de natuurwetenschappen tot de sociale wetenschappen. Meer wetenschap betekende: meer macht en mogelijkheden om de maatschappij te veranderen. Vooruitgang door wetenschappelijk inzicht in natuur en technologie is in de Verlichting een breed gedragen wens. Kennis is macht, aldus. Kenmerkend is de poging tot een kritisch en samenvattend overzicht van de stand van het weten via de beroemde Encyclopédie. Deze kwam tot stand tussen 1750 en 1776 onder leiding van de redacteurs Denis Diderot en Jean d'Alembert. Voltaire, Rousseau en Montesquieu schreven mee. De Encyclopédie kende tegenstanders en werd in 1759 verboden. De Encyclopédie bedreigde de aristocratie door de nadruk op religieuze tolerantie, de vrijheid van gedachten en de democratische geest. De encyclopedisten bestreden van de heksenwaan en toonden hoe mechanische wetmatigheden en natuurwetten de wereld sturen. Dat stond haaks op het Middeleeuwse magische denken.
[bewerken] Ideeën ethiek en moraal
Vóór de Verlichting gaat men er vanuit dat de mens tot het kwade neigt en afhankelijk is van god en de kroon. De verlichte denkers zien de mens als van nature goed, autonoom en onafhankelijk. Nuttigheid, de waardigheid van de mens en zijn streven naar geluk in dit aardse leven (en niet in het hiernamaals) vormden het uitgangspunt in de ethiek. De denkers streven naar een rationele en universele moraal, geldig voor het handelen van alle mensen op aarde en onafhankelijk van een godsdienst en opdat iedereen de vruchten van de Verlichting zou plukken, hechtten ze waarde aan populariserende en pedagogische activiteiten. De nieuwe kennis kon het onderwijs verspreiden, waardoor er sprake zou zijn van morele vooruitgang.
[bewerken] Recht, staat en politiek
In het recht en de staatsorganisatie werden onredelijke tradities bestreden en worden hervormingspogingen ondernomen. Verlichtingsdenkers keerden zich tegen macht die alleen op het goddelijke of de traditie berust: de aristocratie, de monarchie en de kerk. De afwijzing van goddelijk gezag, introduceert de scheiding tussen kerk en staat.
Omdat iedereen verantwoordelijk is voor zijn leven en omdat men zich verzet tegen overgeërfd en van god gegeven gezag, verliest de monarchie haar legitimiteit. De kritiek op de monarchie leidde doorgaans niet tot afschaffing maar tot aanpassingen van de leiderschapsstijl van de vorsten. Deze stijl noemt men verlicht despotisme.
In plaats van het goddelijke gezag kwam de theorie van het maatschappelijke verdrag. De meeste Verlichtingsdenkers bepleitten de vervanging van de standenstaat door de democratie. In 1748 publiceerde Charles de Montesquieu zijn De L'Esprit des Lois waarin hij concludeert dat de scheiding der machten de vrijheid en gelijkheid van de burger garandeert. De trias politica bestaat uit drie elkaar controlerende machten: wetgevende macht, de uitvoerende macht en de rechtsprekende macht. Het idee was niet nieuw: John Locke formuleerde de scheiding der machten al eerder. Het boek beïnvloedde Catharina II van Rusland. Deze nieuwe ideeën over recht, staat en politiek gaven mede aanleiding tot revoluties zoals de Amerikaanse onafhankelijkheid, de Franse Revolutie en de Belgische Revolutie. De repectievelijke grondwetten zijn voor een groot stuk op deze theorie gebouwd.
[bewerken] Geschiedschrijving, literatuur en architectuur
Montesquieu en Voltaire vernieuwden de geschiedschrijving. Vóór de Verlichting golden de klassieken, zoals Tacitus, als betrouwbare bronnen voor geschiedschrijving. Volgelingen van René Descartes wezen er op dat deze bronnen vaak strijdig waren met archeologische vondsten en Egyptische bronnen. De literatuur concentreerde zich op de actualiteit en het menselijke. De satire (zowel poëzie als proza) ontwikkelde zich tot het belangrijkste genre en is te lezen in het werk van Alexander Pope en Jonathan Swift's Gulliver's Travels. In de architectuur uitten de idealen van de Verlichting zich in burgerlijke gebouwen: ordelijk, sober en streng.
[bewerken] Religie en theologie
Religiekritiek is een pijler van de Verlichting. Het proces van secularisering dringt de religie uit de ethiek en moraal, de politiek en wetenschap. De 'wetenschap' neemt gaandeweg de plaats in van "God" als essentie der dingen. John Toland - een radicale Iers-Britse denker (pantheïst) - beweerde in 1696 met zijn Christianity Not Mysterious dat de Bijbel een gedeeltelijke vervalsing was en dat de kerk het volk misleidde. Pierre Bayle doorprikte het bijgeloof in kometen die onheil voorspelden. De Nederlander Balthasar Bekker deed met de heksenprocessen hetzelfde. Spinoza (eveneens pantheïst) schreef in zijn Theologisch-politiek Tractaat uit 1670 dat jodendom en christendom historische fenomenen waren en niet berusten op iets absoluuts. John Locke's werk Brieven over de Verdraagzaamheid uit 1689 beïnvloedde het idee van de gedachten- en geloofsvrijheid. Hoewel de Verlichtingsdenkers kritiek uitoefenden op religie, bleven de meesten geloven als deïst en zien God als de oorzaak en schepper die niet meer ingrijpt. Isaac Newton en zijn collega's verklaarden het universum steeds nauwgezetter en mysteries die voorheen aan God werden toegeschreven verklaarden ze mechanistisch. Vandaar dat het deïsme God als een klokkenbouwer ziet. De vroege, radicale Verlichting, met Spinoza en Diderot als vertegenwoordigers, werd door zijn tegenstanders beschreven als een a- en anti-religieuze of atheïstische stroming. Nauwkeuriger is ze te bestempelen als pantheïstisch of deistisch. In de gematigde, latere Verlichting moderniseert de religie zich en verloor het zijn centrale plaats en wordt het niet meer gezien als een obstakel voor de vooruitgang, zoals bij de radicale Verlichting.
[bewerken] Zelfvertrouwen, optimisme en vooruitgangsgeloof
De Verlichting distantieerde zich van het verleden en gelooft dat de eigen tijd en de toekomst superieur zijn. De Verlichting zette zich af tegen het middeleeuwse bijgeloof en verliest de bewondering die de Renaissance koestert voor de Oudheid. Van de toekomst waren de verwachtingen hooggespannen: een geloof in een constante toename van de rede, het ontdekken van het onbekende en het besef dat de mens meester van zijn lot is stemt optimistisch. Dit vooruitgangsgeloof uitte zich in het vermogen om de omgeving te veranderen en de maakbaarheid van de maatschappij.
[bewerken] De filosofen
- Nederland
- Balthasar Bekker (1634–1698), zijn boek De Philosophia Cartesiana (1668);
- Baruch Spinoza (1632–1677), lenzenslijper en filosoof;
- Belle van Zuylen (1740-1805), schrijfster en componiste, zette zich af tegen de standenmaatschappij, kerkelijke regels en vrouwendiscriminatie.
- Eise Eisinga (1744-1828), amateur-astronoom en bouwer van een planetarium.
- Franciscus van den Enden (1602-1674), leermeester van Benedictus de Spinoza (1632-1677), noemde zich ook 'Affinius';
- Hugo de Groot (1583-1645), rechtsgeleerde, internationaal vooral bekend als (Hugo) Grotius;
- Joan Derk van der Capellen tot den Pol (1741-1784), was een Nederlands politicus en edelman die een rol speelde in de Patriottenbeweging;
- Pierre Bayle (1647–1706), hoogleraar aan de Illustere School van Rotterdam.
- Frankrijk
- Antoine Lavoisier (1743–1794);
- Baron d'Holbach (1723–1789);
- Montesquieu (1689–1755);
- Denis Diderot (1713–1784), stichter van de Encyclopédie;
- Franse Encyclopedisten;
- François Quesnay (1694–1774), econoom;
- François-Marie Arouet (pennaam Voltaire) (1694–1778);
- G.L. Buffon (1707–1788);
- Jean Le Rond d'Alembert (1717–1783), wiskundige;
- Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) (Frankrijk / Zwitserland);
- Joseph-Alexandre-Victor Hupay de Fuveau,(1746-1818), schrijver en filosoof;
- Marquis de Condorcet (1743–1794), filosoof;
- Pierre Bayle (1647–1706);
- Voltaire (1694-1778), schrijver en filosoof.
- Verenigd Koninkrijk
- Adam Smith (1723–1790), econoom.
- David Hume (1711-1776), historicus;
- Edmund Burke (1729–1797), parlementslid;
- Edward Gibbon (1737–1794), historicus;
- James Boswell (1740–1795), biograaf;
- James Burnett, Lord Monboddo (1714-1799), filosoof;
- John Locke (1632–1704), filosoof;
- Mary Wollstonecraft (1759-1797), schrijver, filosoof, en feminist;
- Robert Hooke (1635–1703), natuurkundige en architect;
- Sir Isaac Newton (1643-1727), filosoof, natuurkundige, alchemist en theoloog;
- Thomas Hobbes (1588–1679), filosoof, schreef Leviathan;
- Verenigde Staten
- Benjamin Franklin (1706–1790), staatsman;
- James Madison (1751–1836) vierde president van de Verenigde Staten.
- John Adams (1735-1826) tweede president van de Verenigde Staten;
- Thomas Jefferson (1743–1826) derde president van de Verenigde Staten;
- Thomas Paine (1737–1809), Engeland / VS;
- Polen
- Ignacy Krasicki (1735–1801).
- Italië
- Cesare Beccaria (1738-1794), politicus en strafrechtdeskundige.
- Spanje
- Gaspar Melchor de Jovellanos, prominent staatsman;
- Leandro Fernández de Moratín (1760–1828), toneelschrijver.
- Portugal
- Sebastião de Melo, Marquis van Pombal (1699-1782).
- Duitsland
- Christian Jacob Wagenseil;
- Christian Felix Weiße;
- Christoph Martin Wieland;
- Christian Wolff (1679-1754), medestichter van de Duitse verlichting;
- Friedrich Nicolai;
- Christian Garve;
- Thomas Abbt (1738–1766);
- Johann Gottfried von Herder, theoloog;
- Immanuel Kant (1724–1804), filosoof;
- Adam Weishaupt (1748–1830);
- Hugo Kołłątaj (1750–1812), Polen;
- Gotthold Ephraim Lessing (1729–1781);
- Leibniz (1646-1716), wiskundige, filosoof, logicus, natuurkundige, historicus, rechtsgeleerde en diplomaat.
- Andere
- Benito Jerónimo Feijóo y Montenegro (1676–1764);
- Ekaterina Dashkova;
- Emanuel Swedenborg (1688–1772), filosoof;
- Mikhail Lomonosov;
- Mikhailo Shcherbatov;
- Nikolay Novikov (1744–1818), Rusland, filantroop.
[bewerken] Kritiek
Zowel in de achttiende, negentiende als twintigste eeuw kwam er fundamentele kritiek. Sommigen hanteren begrippen zoals contraverlichting of tegenverlichting om de kritiek onder een noemer te brengen. Het conservatisme en de Romantiek zijn vroege reacties. In de 20ste eeuw bekritiseerde Louis-Ferdinand Céline in zijn 'Reis naar het einde van de nacht' de vooruitgangsgedachte. Max Horkheimer en Theodor Adorno deden dit met hun De dialectiek van de Verlichting. Recenter positioneert het postmodernisme zich tegenover de Verlichting en verwerpt radicaal de zekere kennis in de wetenschap, de moraal, de politiek en religie en de daarop gebaseerde hoop.
- Verlichtingsdenkers gaan uit van de redelijke vermogens van de mens, dat kennis op te bouwen is en dat handelen op basis hiervan vooruitgang brengt. Tradities en instituties worden daarom geactualiseerd en dreigen zo te verdwijnen.
- De kritiek gaat er van uit dat de rede en het kenvermogen van de mens beperkt is. Ingrijpen in de maatschappelijke werkelijkheid blijft dus moeilijk en kan aldus gevaarlijk zijn.
- De Verlichting en de moderne wetenschap persen mensen in een keurslijf en leiden tot nieuwe vormen van onvrijheid en onderwerping.
- Het idee dat de moderne wetenschappelijke kennis tot doorzichtigheid en beheersbaarheid van de maatschappij leidt, is volgens de kritiek niet juist. Rede, kennis en rationaliteit leiden tot vooruitgang op het wetenschappelijke en technische vlak en niet in de moraal, de politiek en het menszijn.
[bewerken] Zie ook
- Haskala, de joodse vorm van de Verlichting
[bewerken] Literatuur
- Alphons van Dijk (1999). Over (de) Verlichting; een inleiding tot het boeddhisme voor humanistisch geïnspireerde mensen. Leende: Damon.
- Jonathan Israel (2001). Enlightenment Contested. Philosophy, Modernity, and the Emancipation of Man 1670-1752. Oxford: University Press.
- Jonathan Israel (2005). Radicale Verlichting. Franeker: Van Wijnen.
- Carel Peeters (2008). Gevoelige ideeën; over de andere Verlichting. Amsterdam: De Harmonie.
- David Sorkin (2008). The Religious Enlightenment. Protestants, Jews and Catholics from London to Vienna. Princeton: University Press.
[bewerken] Externe links
- "Beantwoording van de vraag: wat is verlichting?" (Immanuel Kant, originele (Duitse) tekst)
- "Beantwoording van de vraag: wat is Verlichting?" (Immanuel Kant, Vertaling in het Engels)
- Aantekeningen over Licht en Verlichting
- Verlichting met en zonder kapitaal
- De encyclopédie van Diderot online
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ Tijdens de Verlichting werd ze niet gezien als een stroming of als een tijdperk, maar als een maatschappelijk proces waarvan de ontwikkeling kon worden nagestreefd. Het is niet mogelijk om het exacte begin en einde ervan aan te duiden, en de gegeven periode is slechts een indicatie. Wanneer de Verlichting als een proces wordt opgevat, strekt haar invloed zich ook na de periode uit. Zo zou men kunnen stellen dat de Verlichting nog niet ten einde is.
- ↑ Immanuel Kant: 'Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?' Essay uit 1784