De vreemdeling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De vreemdeling
Oorspronkelijke titel L'étranger
Auteur(s) Albert Camus
Land (Frans-)Algerije
Taal Frans
Onderwerp Existentialisme, absurdisme
Genre Filosofische roman
Uitgever Galllimard
Uitgegeven 1942
Pagina's 184 (Folio-editie)
Verfilming Lo straniero (1967)
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

De vreemdeling (L'Étranger) is een roman van Albert Camus. De eerste druk verscheen in 1942 bij uitgeverij Gallimard. In 1967 maakte Luchino Visconti een verfilming. De roman wordt in het algemeen gezien als een existentialistische parabel. In 2011 werd het boek opnieuw verfilmd door Felix van Cleeff met Philippe Saba in de hoofdrol.[1]

Samenvatting[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De hoofdpersoon, Meursault, is een in zichzelf gekeerde, wereldvreemde man die een moord pleegt waarvoor hij ter dood wordt veroordeeld. In het eerste deel – dat vanuit het perspectief van Meursault wordt verteld (hij is de ik-figuur) – komen wat voorafging aan de moord en de moord zelf aan bod.

Meursault is kantoorbediende bij een rederij. Als hij bericht krijgt van de dood van zijn moeder, keert hij terug naar het dorp waar zij in een tehuis woonde. Tijdens de begrafenis toont hij geen verdriet, noch betrokkenheid. Hij blijkt een man zonder ambitie, zonder emotionele betrokkenheid bij anderen en volstrekt onverschillig tegenover het leven. Voor Meursault staat geluk gelijk aan een routinematig bestaan dat vrij is van veranderingen. Hij ontmoet Marie, een vrouw op wie hij ooit verliefd was. De dag na de begrafenis begint hij met haar een relatie.

Buurman Raymond Sintès, die ervan verdacht wordt een pooier te zijn, dringt zijn vriendschap aan Meursault op. Sintès heeft een maîtresse die hij met hulp van Meursault een vuile streek levert. Haar broer (een Arabier) zweert wraak. Wanneer Meursault, Masson (een vriend van Raymond Sintès) en Sintès op het strand het pad kruisen van de broer en diens vrienden ontstaat een vechtpartij. Een van de vrienden van de Arabier trekt een mes en verwondt Raymond. Zijn vrienden brengen hem naar hun strandhuisje en wanneer Meursault terugkeert met het pistool van Sintès, komt hij weer de Arabier, de broer van de maîtresse, tegen. Door de hitte van dat moment en een verdachte beweging van de ander trekt hij het pistool en vuurt op de man. Achteraf beschiet hij hem nog vier maal.

Het tweede deel van de roman behandelt de berechting van Meursault. In het proces lijkt niet zozeer de moord zelf centraal te staan (het betrof ‘slechts een Arabier’) maar de vraag of Meursault in staat is berouw te tonen. Het feit dat hij geen verdriet toonde bij het overlijden van zijn moeder en dat hij zo kort na de begrafenis een relatie begon, maken hem verdacht. Dat hem verweten wordt goddeloos te zijn raakt hem niet. Gedurende het hele proces voert hij niets aan ter verdediging. Uiteindelijk worden hem zijn gebrek aan berouw en schijnbare gevoelloosheid zwaar aangerekend: hij wordt ter dood veroordeeld.

In de dodencel krijgt Meursault bezoek van een aalmoezenier die hem tracht te bekeren. Meursault ontsteekt hierop in woede, waarna hij zich lijkt te verzoenen met zijn lot. Voor het eerst staat hij open voor de "tedere onverschilligheid van de wereld" en zijn dood zal het hoogtepunt worden van zijn absurde bestaan.

Achtergronden[bewerken]

Albert Camus heeft als schrijver aanvankelijk het existentialisme omarmd. Maar later ontwikkelde Camus een eigen visie op de zin van het bestaan (of preciezer: het ontbreken daarvan). Deze visie, die absurdisme wordt genoemd, bracht Camus voor het eerst tot uitdrukking in De Mythe van Sisyphus.

Terwijl het existentialisme nog een heldenrol voor de mens ziet weggelegd, zolang hij maar boven zichzelf uitstijgt en onafhankelijk zonder verantwoordingsplicht werkelijk existeert, ziet het absurdisme de held als iemand die de zinloosheid van het leven als zodanig erkent en toch wil voortleven. Dit thema vormt het filosofische kader waarin De vreemdeling zich afspeelt.

Meursault is emotioneel onafhankelijk en vrij, hij treurt niet om zijn moeder die in zijn ogen ontsnapt is aan de absurditeit van het bestaan. Maar werkelijke vrijheid kent hij niet. Hij zit opgesloten in onbegrip en later wordt hem in zijn cel ook de fysieke vrijheid ontnomen. Bij het naderen van zijn dood ziet hij echter de gelegenheid ontstaan werkelijk vrij te zijn door – hoe tegenstrijdig ook – de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven te nemen. Hij hoopt dan ook vurig dat zijn executie door veel mensen zal worden bijgewoond, opdat zijn heldendom niet onopgemerkt voorbijgaat.

Meursault is allerminst een immorele of onrechtvaardige man. Hij beschouwt het als immoreel wanneer hij zijn lot zou ontlopen door zichzelf anders voor te doen dan hij werkelijk is. En zijn gevoel voor waarheid en rechtvaardigheid noodzaken hem niet toe te geven aan de veronderstelde plicht berouw te tonen. Hij voelt geen berouw en sterft liever dan daarover te liegen.

Meursault was, net als Albert Camus zelf, een pied-noir (= “zwartvoet”), oftewel iemand van Europese (Franse) afkomst die als kolonist leefde in [Algerije]. In die zin was hij letterlijk een vreemdeling. Maar ook zijn positie als de onbegrepen man maakt hem tot een vreemde held.

Trivia[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Externe link[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. IMDB