Declinatie (astronomie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Declinatie

Declinatie (afgekort tot dec.) is een term in de astronomie, gebruikt om de positie van een hemelobject ten opzichte van de hemelevenaar aan te duiden. Voor de positiebepaling van zowel de declinatie als de rechte klimming (RK) gebruikt men hemelcoördinaten. De declinatiecoördinaat geeft de positie van het object ten noorden (+) van de hemelevenaar aan of ten zuiden (-) daarvan. De grootte van de declinatie wordt aangegeven in booggraden, die worden ingedeeld in zestig boogminuten, die weer worden ingedeeld in zestig boogseconden. Een object op de hemelevenaar heeft een declinatie van 0 graden. Een object dat op de positie van een hemelpool staat is 90 graden.

Zichtbaarheid[bewerken]

De declinatie bepaalt of een object gezien vanaf een bepaalde breedtegraad ooit boven de horizon uitkomt, en of een object vanaf die plek gezien circumpolair is. Op een breedte van 52º noord zijn hemellichamen met een declinatie groter dan (90 - 52) = 38º circumpolair, en objecten met een declinatie van minder dan (52 - 90) = -38º komen nooit boven de horizon uit. Hiertussen zal het object dagelijks op- en ondergaan, naarmate de declinatie hoger is zal het object langer te zien zijn. Objecten met een declinatie die gelijk is aan de breedtegraad van de waarnemer zullen in hun dagelijkse baan precies door het zenit gaan.

Voor de vaste sterren zijn de hemelcoördinaten constant (afgezien van eigenbeweging en precessie), ze gaan dus op een vaste plek op en onder. Een ster op de hemelevenaar (zoals Mintaka) komt precies in het oosten op, en zal precies in het westen ondergaan. Ook duurt de periode dat ze boven de horizon staan precies een halve sterrendag (11:58). Objecten in ons zonnestelsel verplaatsten zich voortdurend, en hierbij varieert dus de declinatie en ook de plek waar ze op en onder gaan.