Deelnemingsvrijstelling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De deelnemingsvrijstelling is in Nederland een fiscale regeling in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (artikel 13). Deze regeling bepaalt dat een "lichaam" in de zin van de wet (grosso modo zijn lichamen alle soorten rechtspersonen) dat een deelneming heeft in een andere vennootschap ten aanzien van het resultaat hieruit is vrijgesteld van winstbelasting. De deelnemingsvrijstelling is er om economisch dubbele belastingheffing te voorkomen. Omdat de deelnemingsvrijstelling onderdeel uit maakt van de Wet op de vennootschapsbelasting, is deze niet van toepassing voor natuurlijke personen welke belastingplichtig zijn voor de inkomstenbelasting.

Deelneming[bewerken]

Voorwaarde voor de deelnemingsvrijstelling is dat een "lichaam" een aandeel heeft van minimaal 5% in het nominaal gestorte kapitaal van een andere vennootschap. Sinds 2010 kan onder bepaalde voorwaarden sprake zijn van een beleggingsdeelneming. Ten aanzien hiervan is de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing, tenzij sprake is van een kwalificerende beleggingsdeelneming.

Genoten voordelen[bewerken]

De deelnemingsvrijstelling houdt in dat een "lichaam" dat een deelneming heeft in een andere "onderneming" geen vennootschapsbelasting hoeft te betalen over de uit de dochteronderneming genoten voordelen. Aan de andere kant zijn negatieve resultaten uit een deelneming niet aftrekbaar. De achterliggende gedachte is dat de dochteronderneming als zelfstandig belastingplichtige over haar winst reeds belasting heeft afgedragen. De genoten voordelen uit de dochteronderneming kunnen dividenden (winstuitkeringen) betreffen, maar ook vervreemdingsvoordelen. Wanneer een moederonderneming een dochteronderneming bijvoorbeeld met winst verkoopt, hoeft de moederonderneming hierover geen vennootschapsbelasting te betalen, omdat de waardetoename (=de winst) van de dochteronderneming reeds belast geworden is in de vennootschapsbelasting die de dochteronderneming in de loop der jaren heeft moeten betalen.

Voorbeeld[bewerken]

Stel, BCA heeft een BV genaamd Oeffelt BV, en Oeffelt BV heeft weer een 50% deelneming in CFM BV, en CFM BV heeft al belasting betaald, dan is de winstafdracht die BCA BV krijgt van CFM BV vrijgesteld van belasting.

Ratio[bewerken]

De ratio achter de deelnemingsvrijstelling is het voorkomen van juridische dubbele of meervoudige belasting in het algemeen. De deelnemingsvrijstelling is een uitwerking van het zogenoemde "klassieke stelsel" volgens welk vennootschappen ieder afzonderlijk voor hun afzonderlijke winsten belast worden.

Belastingvoordeel[bewerken]

In de praktijk kan de deelnemingsvrijstelling groot belastingvoordeel opleveren. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de onderneming waarin de deelneming wordt gehouden zich bevindt in een ander land met een lagere winstbelasting dan de Nederlandse. In dat geval wordt de winst van de dochteronderneming in het buitenland laag belast, terwijl de winstuitkeringen aan de moederonderneming zonder winstbelasting kunnen worden ontvangen. Om misbruik tegen te gaan geldt de deelnemingsvrijstelling niet voor een (niet-kwalificerende) beleggingsdeelneming. Het is overigens goed te onderkennen dat de dochtermaatschappij zelf in haar land van vestiging belast wordt gelijk andere in dat land gevestigde maatschappijen die aan de aldaar geldende winstbelasting onderworpen zijn en dat de deelnemingsvrijstelling ook geldt indien de winst van de dochtermaatschappij in het land waar zij gevestigd is, hoger belast wordt dan in Nederland het geval zou zijn.

Nadelen[bewerken]

Aan de deelnemingsvrijstelling kleven voor betrokkenen ook nadelen. Wanneer de onderneming waarin een deelneming wordt gehouden, verlies lijdt kunnen de verliezen niet worden afgetrokken door de moederonderneming. Dat is de keerzijde van deze vrijstelling en inherent aan het klassieke stelsel dat Nederland volgt volgens welke juridische zelfstandige personen ieder afzonderlijk worden belast. Als de moeder echter minimaal 95% van de aandelen in een in Nederland gevestigde dochter bezit, dan is een fiscale eenheid mogelijk waardoor mogelijke verliezen van de dochteronderneming met de winsten van de moederonderneming kunnen worden verrekend (en andersom) in het kader van de horizontale verliesverrekening. Volgens de regeling van de fiscale eenheid worden juridisch zelfstandige en daarom in beginsel zelfstandig belastingplichtige entiteiten bij wijze van uitzondering op de hoofdregel geacht één belastingplichtige te zijn.