Deense Grondwet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Deense grondwet (Deens: Grundloven), is de grondwet van Denemarken. De laatste wijziging dateert uit 1953.

De grondwet vormt samen met de Koninklijke Wet, de Troonopvolgingswet en tot zekere hoogte de regelingen voor zelfbestuur die gelden op de Faeröer[1] en op Groenland[1] de centrale delen van de staatsinrichting voor het koninkrijk.

De eerste Deense grondwet werd op 5 juni 1849 door Frederik VII ondertekend. Daarbij veranderde Denemarken van een absolute in een constitutionele monarchie. Deze dag wordt jaarlijks gevierd op de Dag van de Grondwet (Deens: Grundlovsdagen).

De grondwet is in 1866, 1915, 1920 en 1953 gewijzigd. Een wetsvoorstel uit 1939 werd niet doorgevoerd. De wijzigingsprocedure is zo complex dat hiervan sinds 1953 geen gebruik meer is gemaakt. De procedure (neergelegd in §88) houdt in dat het Folketing eerst met gewone meerderheid een wetsvoorstel tot wijziging van de grondwet moet aannemen, waarna het Folketing ontbonden wordt en nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven. Vervolgens moet het nieuwe Folketing opnieuw over de wet stemmen, waarbij ieder aangenomen amendement geldt als een verwerping van het voorstel. Wordt het voorstel (zonder amendementen) aangenomen, dan wordt de wet nog in een volksraadpleging voorgelegd aan de (stemgerechtigde) kiezer. Stemt een meerderheid voor de wet, dan wordt deze door de koning bekrachtigd. Vereist is echter een opkomst van ten minste 40 procent.[2] De bewoordingen van de grondwet laten een ruime interpretatie toe en zorgen ervoor dat een wijziging minder snel noodzakelijk is.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b (da) P. Germer, Statsforfatningsret, 3e uitgave, p. 11. ISBN 87-574-3203-1
  2. (en) L. Prakke & C.A.J.M. Kortmann, Constitutional Law of 15 EU Member States, Deventer: Kluwer 2004, p. 137-138.