Derde Mithridatische Oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Derde Mithridatische Oorlog
Onderdeel van Mithridatische Oorlogen
Grenzen in Klein-Azië van het Romeinse Rijk na de laatste Mithridatische Oorlog
Grenzen in Klein-Azië van het Romeinse Rijk na de laatste Mithridatische Oorlog
Datum 73-63 v.Chr.
Locatie Klein-Azië
Resultaat Romeinse overwinning
Territoriale
veranderingen
Pontus en Syrië worden Romeinse provincies, Judea en Armenië worden vazalstaten van Rome
Strijdende partijen
Romeinse Republiek
Koninkrijk Bithynië
Koninkrijk Pontus
Koninkrijk Armenië
Commandanten
Lucius Licinius Lucullus
Pompeius Magnus
Mithridates VI
Tigranes II
Derde Mithridatische Oorlog

Chalcedon · Tenedos · Cyzicus · Rhyndacus · Cabira · Amaseia · Tigranocerta · Artaxata · Comana · Nisibis · Zela · Lycus · Jeruzalem

De Derde Mitridatische Oorlog (73 - 63 v.Chr.) was de laatste, de langste en de beslissende oorlog tussen de Romeinse Republiek en het koninkrijk Pontus onder leiding van koning Mithridates VI. De oorlog eindigde met de definitieve nederlaag van Mithridates VI en zijn koninkrijk werd als provincie opgenomen in het Romeinse Rijk.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Na de plotselinge dood van Mithridates V van Pontus kregen zijn zoons Mithridates VI, Mithridates Chrestus en vrouw Laodice IV de macht over het koninkrijk Pontus.[1] Pas in het jaar 113 v.Chr. kreeg Mithridates de alleenmacht over het koninkrijk en trouwde hij met zijn zus Laodice om zijn koningschap veilig te stellen.

Mithridates VI werd omschreven als een kundig en ambitieus man met een opmerkelijke fysieke kracht en geestelijk uithoudingsvermogen.[2] Nadat Mithridates de macht gekregen had over het schiereiland Krim, verlegde hij zijn aandacht voor het uitbreiden van zijn grenzen naar het zuiden. Bij het veroveren van de landstreek Paphlagonië stuitte hij op koning Nicomedes IV van Bithynië, een bondgenoot van Rome.

Eerste oorlogen met Rome[bewerken]

Nicomedes verklaarde op aanraden van zijn Romeinse adviseurs in het jaar 89 v.Chr. de oorlog aan Mithridates, maar de Pontische koning wist de Bithynische en Romeinse troepen te verslaan. Het jaar daarop wist Mithridates met weinig moeite de Romeinen uit Klein-Azië te verdrijven. Mithridates wist tot Griekenland door te dringen, voordat hij door Sulla tot staan werd gebracht. Na een reeks nederlagen tegen de Romeinen te hebben geleden, sloten Sulla en Mithridates in 85 v.Chr. het Verdrag van Dardanos.[3]

Mithridates keerde terug naar zijn koninkrijk, maar de vrede hield niet lang aan. In 83 v.Chr. viel de Romeinse legaat Lucius Licinius Murena Pontus binnen vanwege de herbewapening van de Pontische troepen. Mithridates was al snel in staat om het binnenvallende leger te verslaan. Toen Sulla dit nieuws vernam, riep hij direct Murena terug, waardoor hij de vrede tussen beide staten wist te herstellen.

Aanloop naar een nieuwe oorlog[bewerken]

Na het beëindigen van de Tweede Mithridatische Oorlog in 81 v.Chr. was de relatie tussen de Romeinse Republiek en het koninkrijk Pontus niet optimaal. Die werd al snel onder druk gezet toen Mithridates VI een alliantie aanging met Quintus Sertorius, een Romeinse rebellenleider in wat nu Spanje is. Mithridates stuurde geld en een vloot naar Sertorius. In ruil kwam Marcus Marius naar Pontus toe om het Pontische leger te trainen en te hervormen.[4] Deze alliantie vormde al gauw een bedreiging voor de Romeinse Republiek. Ook voerde Mithridates onderhandelingen met Spartacus voor een alliantie, maar Marcus Licinius Crassus Dives wist het slavenleger in Italia te verslaan,[5] waardoor een mogelijke bondgenoot voor Mithridates werd uitgeschakeld. Toch was Mithridates in staat om een nieuw bondgenootschap te vormen. Hij vond in koning Tigranes II van Armenië een betrouwbare bondgenoot. Door deze alliantie kreeg de koning van Pontus een machtige positie in Klein-Azië.

In 74 v.Chr. leidde Sertorius een grote opstand tegen Rome vanuit Spanje. Bijna tegelijkertijd begon ook Mihridates zijn troepen te mobiliseren om de Romeinse gebieden in te nemen. De Romeinse senaat stuurde Pompeius Magnus om de opstand van Sertorius neer te slaan. Sertorius stierf al snel: hij werd vermoord door zijn vrienden.[6] Voor het commando om de strijd tegen Mithridates op te nemen, waren vele kandidaten.[7] In zijn strijd voor het commando tegen Mithridates had Lucullus een grote tegenstander in Publius Cornelius Cethegus. Uiteindelijk besloot Lucullus met hem en G. Aurelius Cotta een verbond. Zo kreeg Cotta de provincie Bithynië en Lucullus Cilicië en daarmee het commando tegen Mithridates.[8]

Verwarring over aanvangsdatum oorlog[bewerken]

Over het jaar waarin de Derde Mithridatische Oorlog uitbrak,is jarenlang discussie gevoerd onder historici. Die duurde voort tot de jaren 80 van de twintigste eeuw. De Canadees Thomas Robert Broughton was de mening toegedaan dat de oorlog in 74 v.Chr. uitbrak. Andere historici waren van mening dat de oorlog een jaar later is begonnen.

Een definitieve doorbraak werd gevonden in het werk Pro Cluentio van Marcus Tullius Cicero. Hierin meldde Cicero dat Lucullus ten tijde van de rechtszaak eind 74 nog steeds aanwezig was in Rome en nog in functie was in zijn ambt als Consul van Rome.[9] Hiermee werd uiteindelijk uitgewezen dat de oorlog met Rome in 73 v.Chr. begon en niet het jaar daarvoor.

Lucius Licinius Lucullus

Verloop van de oorlog[bewerken]

De eerste actie in de oorlog werd ondernomen door Cotta. Hij zeilde met de Romeinse vloot naar de Zwarte Zee om het koninkrijk Pontus over zee aan te vallen. Toen zijn vloot door de Bosporus voer, nabij Chalcedon, werd zijn vloot aangevallen door de Pontische vloot. Die behaalde de eerste overwinning in de oorlog. De Romeinse vloot verloor vierenzestig schepen en bijna drieduizend man.[10] Cotta was gedwongen te blijven, totdat Lucullus hem kwam bevrijden. Die had hiervoor zijn eigen invasieplannen geannuleerd.[11]

Bij de aankomst van Lucullus in Klein-Azië waren er in Cilicië vier legioenen gestationeerd, voor Lucullus had Publius Servilius Vatia Isauricus het commando over twee van deze legioenen gehad in de strijd tegen de piraten. Terwijl Lucullus bezig was met het inspecteren van zijn troepen, viel Mihridates het koninkrijk Bithynië binnen en begon de stad Cyzicus te belegeren. Lucullus weet zijn vijf legioenen snel te mobiliseren en was in staat het Pontische leger te verslaan in de slag bij Cyzicus, waarna Mithridates zich genoodzaakt zag zich terug te trekken.[12] Vrijwel direct ging Lucullus in de tegenaanval. Ondertussen kreeg Licinius Lucullus hulp van zijn broer Marcus Lucullus, die in zijn functie als proconsul van Macedonië verscheidene nederzettingen van Mithridates aan de westelijke kust van de Zwarte Zee veroverde.

Romeinse invasie in Pontus[bewerken]

Inmiddels maakte Lucullus zich op voor een invasie in Pontus. Hij wilde als eerste Pontus veroveren en hij wenste een confrontatie met Armenië te ontlopen, want hij achtte de Armenen te sterk voor zijn leger.[13] Lucullus gaf Cotta de opdracht om de belangrijke havenstad Heraclea Pontica te veroveren en Gaius Valerius Triarius moest de Egeïsche Zee controleren.[14] Zodra Mithridates het gevaar onder ogen kreeg vluchtte hij. Inmiddels begon Lucullus de stad Amaseia te belegeren. Een ander onderdeel van zijn leger moest de stad Themiscyra aanvallen. Toen de lente van 72 v.Chr. inviel, besloot Lucullus Mithridates achterna te gaan, Murena kreeg nu het bevel over de troepen voor Amaseia. Daarop wist Lucullus Mithridates te verslaan tijdens de Slag bij Cabira. Mithridates wist te ontvluchten, ditmaal naar Armenië. Het jaar daarop viel de stad Heraclea Pontica definitief in Romeinse handen. Amaseia hield lang stand en pas na persoonlijke bemoeienis van Lucullus wist hij de stad in te nemen, maar hij wist niet te voorkomen dat de stad werd afgebrand.[15] In het jaar 70 v.Chr. viel ook de stad Sinop en daarmee het koninkrijk Pontus.[16] Terwijl Sinop viel, werd Cotta ontdaan van zijn ambt en naar Rome gestuurd om terecht te staan voor omkoping. Cotta werd schuldig bevonden en uit de senaat gezet.[17] Voordat Lucullus naar Armenië vertrok, had hij stappen ondernomen om afpersing tegen te gaan in de provincie Asia en konden de steden de herstelbetalingen uitvoeren, waardoor ze binnen vier jaar schuldenvrij zouden zijn.[18]

Tigranes II die vergezeld wordt door vier van zijn vazallen.

Romeins-Armeense oorlog[bewerken]

Na zijn geslaagde verovering van Pontus, maakte Lucullus snel plannen om Armenië binnen te vallen. Tijdens de afwezigheid van Mithridates herorganiseerde Lucullus de Romeinse provincies in Asia, door onder andere de belasting te verlagen. Er waren voor Lucullus meerdere redenen om Armenië binnen te vallen. Ten eerste verbleef Mithridates op dat moment in Armenië; Tigranes II weigerde immers zijn schoonbroer uit te leveren. Ten tweede bereikten Lucullus rapporten dat Tigranes II en Mithridates een inval in Cilicië aan het voorbereiden waren. Ten slotte werd de Romeinse onderhandelaar (Appius Claudius Pulcher) volgens de Romeinen niet met het benodigde respect behandeld. Tevens werd Tigranes niet aangesproken volgens de vorm die hij gewend was ('Koning der Koningen'), wat ook bij Tigranes voor wrevel zorgde.[19]

In 69 v.Chr. begon Lucullus aan de veldtocht naar Armenië. Hij ondervond al snel enige tegenslag. Hij werd door de uitdijende Eufraat gehinderd.[20] Pas na een paar dagen en enkele offerandes kon hij zijn tocht voortzetten. Het Romeinse leger zette koers naar Tigranocerta, de nieuw gebouwde hoofdstad van het Armeense Rijk, om de stad te belegeren en Tigranes tot overgave te dwingen. Terwijl de stad belegerd werd verzamelde Tigranes in het Taurusgebergte een leger om de Romeinen het hoofd te kunnen bieden.[21] De Armeense koning kwam met een groot leger om de stad ontzetten, maar hij moest het onderspit delven in de Slag bij Tigranocerta. Tigranes trok zich naar het noorden terug om een nieuw leger te vormen en om de stad Artaxata te beschermen. In de zomer van 68 marcheerde Lucullus op naar Artaxata en was in staat om opnieuw Tigranes te verslaan. Deze vluchtte de bergen in, maar de Romeinse legionairs weigerden hem te achtervolgen.

Kaart van het Armeense Rijk van Tigranes II met zijn veroveringen en vazalstaten.

Uiteindelijk besloot Lucullus een andere weg te nemen naar het zuiden, maar hij moest al snel de vestingstad Nisibis belegeren. Lucullus slaagde hierin, maar inmiddels werd zijn opperbevel over het leger betwist. De troepen van Lucullus stonden op het punt van muiten, vanwege de lange oorlog in Klein-Azië.[22] Langzamerhand sijpelden er ook geruchten Rome binnen. Zo werd Lucullus onder meer verweten dat hij Mithridates expres had laten ontsnappen naar Armenië, zodat Lucullus daar de rijkdommen kon vergaren.[23] Een bewering die de Romeinse historicus Marcus Velleius Paterculus onderschreef. Volgens hem werd Lucullus gedreven om zo veel mogelijk rijkdom te vergaren.[24] Door deze aanhoudende geruchten gingen er stemmen op Lucullus te vervangen als opperbevelhebber. Lucullus' schoonzoon Appius Claudius Pulcher pleitte in de senaat voor de benoeming van Pompeius Magnus als opperbevelhebber over de troepen van Lucullus. Hij kreeg bijval van de redenaar Cicero.[25] De volkstribuun Gaius Manilius pleitte daarnaast ervoor dat de troepen die onder leiding stonden van de gouverneur van Bithynië, Glabrio, ook overgedragen zouden worden aan Pompeius, waardoor Pompeius de gehele heerschappij over Klein-Azië zou verkrijgen.[6]

Een buste van Pompeius in het Paleis van München.

De oorlog van Pompeius[bewerken]

Door de wisseling van het opperbevel zijn Mithridates VI en Tigranes in staat om terug te keren naar hun steden en zich opnieuw te bewapenen tegen de Romeinen. Met ruim dertigduizend soldaten marcheerde Pompeius richting zijn tegenstander, maar leverde niet direct slag. Mithridates was gelegerd op een sterke, moeilijk aan te vallen hoogte. Toch verliet hij deze hoogte, omdat er volgens hem geen water was. Toen Pompeius later zijn kamp hier liet op slaan, hadden zij echter water in overvloed. Vervolgens liet Pompeius zijn leger de stellingen van Mithridates omsingelen. Na een beleg van 45 dagen vluchtte Mithridates met zijn sterkste troepen weg. Pompeius dwong Mithridates verder in het nauw door onder andere een alliantie aan te gaan met koning Phraates III Theos, de koning van de Parthen.[26] Phraates viel Armenië binnen, zodat Pompeius zich kon richten op Pontus. Opnieuw vluchtte Mithridates naar Armenië, maar dit keer weigerde Tigranes hem asiel te verlenen. Hierop besloot Mithridates te vluchten naar zijn gebieden in de Colchis. Pompeius marcheerde met zijn troepen snel op naar Armenië. Gesteund door een zoon van Tigranes, marcheerde Pompeius Armenië binnen. Tigranes zag dat zijn kansen klein waren en besloot de wapens neer te leggen. Pompeius en Tigranes kwamen een verdrag overeen, waarin Armenië schatting zou betalen aan Rome. Tigranes kocht voor 6.000 zilverstukken de veroverde delen van zijn koninkrijk terug.[6]

Nadat Pompeius zijn zaken in Armenië had geregeld, ging hij achter Mithridates aan. Opnieuw wist Pompeius Mithridates te verslaan tijdens de Slag bij de Lycus. Ook dit keer was Mithridates in staat te ontsnappen aan de Romeinse troepen. Ditmaal week hij uit naar de Krim. Daar kreeg hij echter onverwachte tegenstand van zijn oudste zoon Machares, die daar koning was. Deze weigerde hem troepen te leveren voor de oorlog van Mithridates. Hierop liet Mithridates zijn zoon vermoorden. Ondertussen zorgde Pompeius ervoor dat er geen enkel schip meer naar de Bosporus voer. Als later ook Mithridates andere zoon hem weigerde te helpen, werd Mithridates wanhopig en stortte hij zich op zijn eigen zwaard.[27]

Pompeius bij de tempel van Jeruzalem, schildering van Jean Fouquet in een middeleeuwse vertaling van het werk De Oude Geschiedenis van de Joden van Flavius Josephus.

De veldtocht naar Jeruzalem[bewerken]

Aangemoedigd door zijn succes in Klein-Azië marcheerde Pompeius verder. Tijdens de Armeense veldtocht van Lucullus na de slag bij Tigranocerta had de Romeinse generaal Antiochus XIII Asiaticus op de troon van Seleucidenrijk geplaatst. Deze benoeming werd niet door Pompeius erkend en hij viel het land binnen.[28] Na het veroveren van de stad Antiochië, ontstond er een eerste Romeinse machtsbasis in het oostelijke Middellandse Zeegebied. Daarna wist Pompeius ook de rest van Syrië al snel onder de voet te lopen, zette koning Antiochus XIII af en lijfde het gebied in als een nieuwe Romeinse provincie: Syria.[29]

Door de intrede van de Romeinen in de Levant, verscheen er ook een nieuwe bondgenoot ten tonele voor de oorlogen die daar woedden. De broers Hyrkanus II en Aristobulus II die beiden het ambt van hogepriester in Israël ambieerde, stuurde allebei een delegatie naar Pompeius om de Romein aan hun kant te krijgen. Tevens werd er ook gevraagd om de hulp van Pompeius bij het vestigen van een theocratische staat, dat definitief los stond van enig Joods koninkrijk.[30]

Aanvankelijk probeerde Pompeius eerst de broers met elkaar te verzoenen. Echter, Aristobulus riep een leger samen om zijn broer te bestrijden, Pompeius dacht echter dat het leger gericht was tegen zijn leger. Pompeius ging het gevecht met de Nabateeërs, die Aristobulus steunden, aan en marcheerde met twee legioenen naar het zuiden. In de buurt van de stad Petra kwam het tot een veldslag tussen de troepen van Pompeius en de koning van de Nabateeërs Aretas III.[31] Ondertussen probeerde Aristobulus II de troon van Judea te veroveren. Na de gewonnen slag marcheerde Pompeius op naar Jeruzalem en belegerde de tempel. Na drie maanden wist Pompeius te triomferen en hij stuurde Aristobolus II naar Rome,[6] waardoor Hyrkanus II als hogepriester door de Romeinen kon worden geïnstalleerd. Tijdens gevechten die werden gevoerd op de Tempelberg werden circa 12.000 Joden gedood.[32]

Kreta[bewerken]

In de begindagen van de Derde Mithridatische Oorlog werd er een bondgenootschap gesloten tussen Mithridates en het eiland Kreta. Het eiland diende als thuisbasis voor enkele piraten en daarnaast zou het eiland huursoldaten leveren voor in het leger van Mithridates.[33] In 70 v.Chr. voerde Marcus Antonius Creticus een aanval op het eiland af, maar de aanval werd afgeslagen. Hierop opende de Romeinse Senaat de onderhandelingen met de Kretenzers, die echter spaak liepen. Uiteindelijk besloot de senaat om Quintus Caecilius Metellus Creticus proconsulair gezag te geven voor het veroveren van Kreta. Deze wist de generaal Lasthenes te verslaan en de belangrijkste steden te veroveren op het eiland.

Na de verovering van het eiland lijfde Metellus Creticus het eiland in als provincie van het Romeinse Rijk. Ondertussen had hij de woede van Pompeius op zijn hals gehaald en werd Metellus door hem gesommeerd om zijn troepen terug te trekken van het eiland. De bewoners hadden zich immers overgegeven aan Pompeius en niet aan Metellus.[6] Volgens de Lex Gabinia zou het eiland onder de macht van Pompeius vallen. Metellus gehoorzaamde echter niet en keerde pas in 65 v.Chr. terug in Rome. Door tegenwerking van Pompeius kon Metellus pas drie jaar later zijn triomftocht houden.

Nasleep[bewerken]

Pompeius herorganiseerde de oostelijke Romeinse provincies op een dusdanige logische wijze dat deze veranderingen ruim een eeuw zouden blijven bestaan. Deze provincies werden in het oosten door quasi-onafhankelijke rijken beschermd tegen buitenlandse invallen.[34] Na de dood van Mithridates werd zijn zoon Pharnaces II koning van Pontus. Hij regeerde echter alleen over het koninkrijk Bosporus. Door de veroveringen van Pompeius wisten de Romeinen hun positie in Klein-Azië alleen maar te versterken.

Ter ere van zijn veroveringen, hield Pompeius op 28 en 29 september van het jaar 61 v.Chr. een triomftocht door Rome. Een eer die Lucius Licinius Lucullus pas het jaar daarvoor was gegeven, drie jaar na zijn terugkomst in Rome. Op de eerste dag van de triomftocht van Pompeius werd aan het toegesnelde publiek meegedeeld wat Pompeius tijdens zijn militaire campagnes allemaal had volbracht. Zo had hij bijvoorbeeld 39 nieuwe steden gesticht. De Romeinse belastingopbrengst was door hem verhoogd van 200 naar 340 sestertiën.[35] Tijdens de tweede dag van zijn triomftocht werden de gevangenen aan het publiek getoond, onder wie vijf kinderen van Mithridates en een van zijn zussen.

Enkele jaren later verbrak Pharnaces II het verbond met Rome om de verloren gegane gebieden terug te krijgen. Zodra Julius Caesar dit had vernomen, trok hij van Egypte op naar Klein-Azië. Daar wist hij Pharnaces in de Slag bij Zela te verslaan. Hiermee was definitief de macht van de koningen van Pontus gebroken. Bij terugkomst in Rome zou Caesar de legendarische woorden veni, vidi, vici (ik kwam, ik zag, ik overwon) - die hij eerder als samenvatting van zijn succes in zijn strijd tegen Pharnaces II in een brief aan een vriend had vermeld - als inscriptie meedragen in zijn triomftocht.[36] Het koninkrijk Pontus zou tot het jaar 64 een vazalkoninkrijk van Rome blijven toen keizer Nero de Pontische koning Polemon dwong te abdiceren.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. A. Mayor, The Poison King: The Life and Legend of Mithradates, Rome's Deadliest Enemy, Princeton, 2009, p. 68.
  2. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 63.
  3. Appianus, Mithridatius 56 (= Historia Romana XII 56).
  4. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 63.
  5. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 106.
  6. a b c d e Plutarchus, Pompeius 20.2.
  7. Plutarchus, Lucullus 5-6.
  8. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 70.
  9. B.C. McGing, The Day of the outbreak of the Third Mithridatic War, in Phoenix 38 (1984), pp. 12-18.
  10. T.R. Holmes, The Roman Republic and the Founder of the Empire, Oxford, I, 1923, p. 180.
  11. T. Holland, Rubicon, het einde van de Romeinse republiek, Amsterdam, 2010, p. 175.
  12. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 82.
  13. Plutarchus: Lucullus 14.6.
  14. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 87.
  15. Plutarchus, Lucullus 19.4.
  16. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 95.
  17. T.R.S. Broughton, The Magistrates of the Roman Republic, II, New York, 1952, pp. 127, 144.
  18. T. Holland, Rubicon, het einde van de Romeinse republiek, Amsterdam, 2010, p. 180.
  19. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, pp. 103-104.
  20. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 105.
  21. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 107.
  22. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 117.
  23. A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992, p. 112.
  24. Marcus Velleius Paterculus, Historia Romana II 33.1.
  25. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 118.
  26. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 163.
  27. M. Curtis-Ford, The Last King: Rome's Greatest Enemy, New York, 2005, p. [?].
  28. T. Holland, Rubicon, het einde van de Romeinse republiek, Amsterdam, 2010, pp. 195-196.
  29. A.E.R. Boak, A History of Rome to 565 A. D, New York, 1921, p. 161.
  30. I. Barnes - J. Bacon, The Historical Atlas of Judaism, Londen, 2009, p. 150.
  31. M. Sartre, The Middle East under Rome, Harvard, 2005, pp. 40-42.
  32. Flavius Josephus, Bellum Iudaicum I 149-151.
  33. Appianus, Sicula 8 (= Historia Romana V 8).
  34. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 164.
  35. A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010, p. 168.
  36. Suetonius, Caesar 37. Voor de brief, zie: Plutarchus, Caesar 50.2-4, Appianus, Bellum Civile II 91.

Antieke Bronnen

Secundaire literatuur

  • J.G.C Anderson, Pompey's Campaign against Mithridates, in JRS 12 (1992), pp. 99-105.
  • I. Barnes - J. Bacon, The Historical Atlas of Judaism, Londen, 2009.
  • A.E.R. Boak, A History of Rome to 565 A. D, New York, 1921.
  • T.R.S. Broughton, The Magistrates of the Roman Republic, II, New York, 1952.
  • M. Curtis-Ford, The Last King: Rome's Greatest Enemy, New York, 2005.
  • A. Everitt, Cicero, Amsterdam, 2010.
  • M. Gelzer, art. Licinius (104), in RE XIII (1926), coll. 376-414.
  • T. Holland, Rubicon, het einde van de Romeinse republiek, Amsterdam, 2010.
  • T.R. Holmes, The Roman Republic and the Founder of the Empire, Oxford, I, 1923, pp. 398-436. (Internet Archive)
  • A. Keaveney, Lucullus. A Life, Londen - New York, 1992. ISBN 0-415-03219-9.
  • D. Magie, Roman Rule in Asia Minor, to the End of the Third Century after Christ, I-II, Princeton, 1950.
  • A. Mayor, The Poison King: The Life and Legend of Mithradates, Rome's Deadliest Enemy, Princeton, 2009.
  • B.C. McGing The Day of the outbreak of the Third Mithridatic War, in Phoenix 38 (1984), pp. 12-18. (JSTOR)
  • M. Sartre, The Middle East under Rome, Harvard, 2005. ISBN 978-0-674-01683-5
  • J. Van Ooteghem, Lucius Licinius Lucullus, Brussel, 1959.