Standenmaatschappij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Derde stand)
Ga naar: navigatie, zoeken
De drie middeleeuwse standen verenigd in een initiaal; van links naar rechts: geestelijkheid, adel en boerenstand.

De standensamenleving of standenmaatschappij is een samenleving waarin de bevolking in verschillende groepen of standen is opgedeeld die elk hun eigen rechten en plichten hebben.

Al in de Middeleeuwen werd uitgegaan van een driestandenschema van bidders, strijders en werkers, de geestelijkheid als eerste stand, de adel als tweede stand en de boeren als derde stand, waar later ook wel de burgerij onder werd gerekend. De opvatting dat deugden als rechtvaardigheid en leiderschap aangeboren zouden zijn, werd gebruikt om de erfelijkheid van de hiërarchische verhoudingen te legitimeren. De feodale standenmaatschappij in Europa werd ideologisch gerechtvaardigd door de tweezwaardenleer van paus Gelasius I. Die leer stelt dat er in de wereld twee machtssferen zijn, een geestelijke en een wereldlijke. Deze twee moeten samenwerken om de wereld te besturen. Hoewel deze opvatting wijdverbreid was, werd deze niet door iedereen aanvaard. In de praktijk bleken de standen ook minder gesloten dan dit ideaalbeeld.

Desondanks maakte Van Winter in Ridderschap een onderscheid tussen de gesloten stand, slechts bereikbaar door geboorte, en de open sociale klasse, bepaald door geld en aanzien. Dit bleek moeilijk te rijmen met de ontwikkeling van de ridderschap, dat volgens deze definitie afwisselend een klasse en stand was, dan wel een klasse met standkenmerken.

Tegenwoordig wordt het driestandenschema dan ook steeds minder gebruikt om de middeleeuwse en vroegmoderne maatschappij te beschrijven. Moderne begrippen als klasse en stand zijn daarbij niet voldoende om de maatschappelijke structuur te beschrijven. Voor de moderne Europese adel van na de Franse Revolutie waarbij bijzondere voorrechten ontbreken, is het ook weinig zinvol om te spreken van klasse of stand.

Inhoud

De standen [bewerken]

In de standensamenleving was de sociale mobiliteit beperkt. Tot welke stand men behoorde, werd in hoge mate bepaald door geboorte. In bijzondere gevallen kon men worden opgenomen in de adelstand. Meer mogelijkheden waren er op toe te treden tot de geestelijkheid, maar de positie daarin werd wel bepaald door de oorspronkelijke stand.

Geestelijkheid [bewerken]

De eerste stand was de clerus. Deze bestond uit geestelijken. De eerste stand had veel voorrechten. Zo mocht ze onder meer belastingen heffen, hoefden ze geen belastingen te betalen, geen krijgsdienst te verrichten en had ze een eigen rechtbank. Het waren ook grootgrondbezitters en omdat ze de enigen waren die konden lezen en schrijven, hielpen ze de koning in het bestuur. De clerus had maar één plicht: bidden voor het zielenheil van het volk, zodat ze in de hemel terecht zouden komen.

Er waren hoge en lage geestelijken. De hoge geestelijken waren de kardinalen en bisschoppen, de lage geestelijken waren de monniken, priesters en nonnen. In conflicten tussen standen was de geestelijkheid soms ook verdeeld: de hoge geestelijkheid, meestal afkomstig uit de aristocratie, was vaak op de hand van de adel, de lage geestelijkheid die dicht bij het 'gewone volk' stond koos vaak voor de derde stand.

Adel [bewerken]

De tweede stand was de adel. Ook zij hadden veel voorrechten. De adel hoefde ook geen belastingen te betalen en hoefde geen arbeid te verrichten. Zij hadden ook het vruchtgebruik wanneer ze leenden bij een leenman (zie leenstelsel). De adel stond in hoog aanzien en had veel luxe. De rechtspraak, bestuur en oorlogsvoering lag in handen van de adel. Zij konden geen handel drijven of gewoon werk aannemen. De taak van de adel was de bescherming van clerus en derde stand.

De hoge adel stond in rang net onder de koning. Deze kleine groep van grootgrondbezitters stamde nog uit de tijd van Karel de Grote. Zij werden gevolgd door de lage adel, die afstamde van die vrijen die zich in de 9de en 10de eeuw hadden kunnen handhaven. Zij trokken ten strijde en maakten buit. De laagste adellijke rang werd gevormd door de 'ministerialen'. Dit zijn onvrije knechten die zich in de 11de en 12de eeuw hadden opgewerkt tot een soort dienstmannen. Zij hielpen in de strijd en namen bepaalde bestuurlijke taken over (bv. bestuur over een burcht).

Voor de wereldlijke adel wordt de term 'ridders' gebruikt. Maar in zowel de lage als hoge adel waren ook geestelijken: vele bisschoppen, abten en monniken waren van adel. De laagste adellijke stand stond op de sociale ladder nog steeds boven de rijkste boer. De edelman gold als "beter" en "waardiger" dan een niet-edele. Daarom verrichtten de edelen geen handenarbeid. Ze leefden van de opbrengsten van de boeren die voor hen werkten.

Boeren [bewerken]

De derde en laagste stand waren de boeren. De derde stand was opgedeeld in twee delen: vrije boeren en horigen. De horigen waren dan opnieuw ingedeeld in lijfeigenen en laten. Het verschil tussen een lijfeigene en een laat is dat een lijfeigene wordt gezien als eigendom van de heer voor wie hij werkt. Een laat moet een deel van zijn oogst betalen aan de heer, en vaak ook nog vele werkjes opknappen voor hem, maar als persoon is hij vrij. De boeren hadden geen rechten, enkel plichten. Zij moesten werken voor de adel en de clerus, betaalden belastingen en moesten krijgsdienst verrichten.

Staten [bewerken]

De drie standen waren in veel middeleeuwse samenlevingen vertegenwoordigd in de zogenaamde Staten, een soort parlement waarin elke stand vertegenwoordigd was. In de Nederlanden was er na 1549 een overkoepelende Staten-Generaal, een bijeenkomst van de standen van alle leden van de Bourgondische Kreits.

Neergang [bewerken]

In de tweede helft van de Middeleeuwen en daarna nam de macht van de steden toe. Stedelingen behoorden in principe tot de derde stand, maar bezaten meestal een aantal rechten. Dit in tegenstelling tot dorpelingen, die in principe rechtstreeks onder de lokale adel vielen.

Voorbeelden van stedelijke rechten waren het recht om een markt te houden, het recht om een stadsmuur te bouwen, het recht op eigen rechtspraak en bestuur en het recht een eigen krijgsmacht of stadswacht te handhaven. In de steden kon de derde stand dus zijn eigen belangen behartigen. Steden vielen niet onder het bestuur van edelen en boden meer kansen dan het bestaan als horige of zelfs als vrije op het landgoed van een adellijke heer. Wie bovendien een jaar en een dag in een stad verbleef werd als inwoner geaccepteerd en kon niet meer door zijn heer worden teruggehaald.

Steden bouwden door hun handel een grote macht op en konden zodoende rechten van de heersers lospeuteren. Daarbij hadden ze een aantrekkingskracht op de mensen in de omringende gebieden. Edelen konden hier niet tegen concurreren omdat ze immers geen handel mochten drijven. Zodoende vormden steden meer en meer machtsbolwerken van de derde stand, die de macht van de adel langzaam maar zeker uitholden en zo het feodalisme ondermijnden. Met de Verlichting en de Franse Revolutie kwam er in West-Europa een einde aan de standenmaatschappij. De rest van Europa volgde later maar in verschillende delen van de wereld is tot op heden in de praktijk nog sprake van feodale verhoudingen.

Buiten Europa [bewerken]

Veel niet-westerse beschavingen kenden ook standenmaatschappijen. In India bijvoorbeeld was de bevolking ingedeeld in kasten. Van het kastensysteem zijn de scherpe kantjes afgehaald door 'onaanraakbaarheid' bij wet te verbieden en het betrokken volksdeel te voorzien van 'scheduled casts', maar dat wil niet zeggen dat die nu volledig geaccepteerd worden; de overige kasten zijn nog springlevend in het maatschappelijk verkeer, vooral op het platteland.

Literatuur [bewerken]

  • Janse A. (2001): Ridderschap in Holland. Portret van een adellijke elite in de late Middeleeuwen, Verloren.