Dhimmi

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dhimmi (Arabisch: ذمة) is de traditionele aanduiding voor bepaalde niet-moslims onder islamitisch bestuur die onder voorwaarden de eigen religie mogen blijven aanhangen. Aanvankelijk verstond men onder dhimmi's de zogeheten 'mensen van het Boek' (joden en christenen) maar later werden ook andere niet-moslims ertoe gerekend, zoals zoroastristen, samaritanen, mandeanen en hindoes.

Als laatste Europese staat schafte het Ottomaanse rijk het dhimmi-systeem in 1908 in zijn geheel af, nadat reeds in 1856 met het Hatt-i Humayun een volledige gelijkberechtiging van niet-moslims in het vooruitzicht was gesteld.[1]. Daarmee was de juridische emancipatie van de Joden in Europa, maar niet in het Russische keizerrijk, voltooid

Geschiedenis[bewerken]

'Dhimma' verdrag[bewerken]

Volgens islamitische overleveringen overwonnen de troepen van Mohammed bij de oase van Khaybar een joodse stam en sloot Mohammed met de overwonnenen een verdrag dat bekendstaat als de 'dhimma'. Hierin werden Joden gedwongen de helft van hun inkomen aan de moslims af te staan wilden zij hun land behouden.

Met de expansie van het islamitische rijk is het begrip dhimmi veralgemeniseerd en kreeg het de betekenis van de uitzonderlijke juridische positie van niet-moslims binnen een islamitische staat.

Pact van Omar[bewerken]

Het Pact van Omar (Shurut 'Umar) is een verdrag waarvan men traditioneel aanneemt dat het is opgesteld door Omar II (717-720) of zelfs nog eerder door de tweede kalief Omar ibn al-Chattab. Het bevat een aantal beperkende maatregelen voor de mensen van het Boek, waarschijnlijk de christenen in het kort daarvoor veroverde Syrië. De bepalingen zijn ook te vinden in het veertiende-eeuwse shariahandboek 'Umdat as-Salik wa 'Uddat an-Nasik[2].

Het Pact van Omar garandeert weliswaar respect van persoon, familie en goederen, maar geen gelijkheid tussen de religies. De strenge ommajadenkalief Omar zou gezegd hebben: Verneder hen, maar bega geen onrechtvaardigheid. De voorschriften werden overigens doorgaans niet streng nageleefd, enkel in meer of mindere mate als moslims op een of andere manier politiek of militair verzwakt waren of werden.[3]

Volgens het verdrag, dat de blauwdruk zou worden voor latere wetgeving op dit punt, hoefden de dhimmi's zich niet te bekeren tot de islam. Als voorwaarde moesten dhimmi's zich houden aan een aantal regels. Deze omvatten onder meer:

  • bestaande kerken, kloosters en dergelijke konden blijven, maar er mochten geen nieuwe gebouwd worden;
  • onderdak moest worden geboden aan moslims-reizigers en niet aan spionnen;
  • de Koran hoefde niet aan hun kinderen onderwezen te worden;
  • hun religie mocht niet in het openbaar worden beleden, zoals door middel van processies;
  • er mochten ook geen bekeerlingen gemaakt worden;
  • er moest respect betoond worden tegenover de islam en voor de moslims;
  • men mocht zich niet kleden of gedragen als moslims, zoals groene kleding dragen of een paard berijden.

Overigens wist de, overwegend christelijke, bevolking van Jeruzalem aanvankelijk bij Omar te bedingen dat de joden geen toegang zouden krijgen tot de Heilige Stad. De moslims hebben zich daar naderhand niet aan gehouden zodat de invoering van het moslimbestuur en het dhimmiconcept voor de joden een relatieve vooruitgang werd ten opzichte van hun status onder het Byzantijnse bestuur en na de kruistochten onder het bestuur van de Latijnen.

Samaritanen werden verplicht zogenoemde shurut, een rode keffiyeh te dragen, joden een gele en christenen een blauwe. In beginsel was dit onderscheid bedoeld om bijvoorbeeld de rustdag van de anderen te respecteren. Hoewel het zeker is dat deze shurut niet altijd strikt werd nageleefd, kon het in latere eeuwen tot anti-joodse of anti-christelijke racistische uitbarstingen komen. In feite demonstreert deze shurut de assimilatie aan elkaar. [4]

Rechten en beperkingen[bewerken]

Rechten[bewerken]

Dhimmi's genoten een zekere mate van juridische bescherming en beperkte godsdienstvrijheid.[5] Natuurlijk gelden voor verschillende tijden en plaatsen afwijkende regelingen rondom dhimmi's. Zo hadden christenen tijdens het Kalifaat van de Fatimiden onder het bewind van Abu'l Mansur Nizar al-Aziz niet alleen hun rechten, maar oefenden ze ook min of meer directe macht uit. Tijdens het regiem van de Abbasidische kalief Al-Ma'mun is er sprake van vrijheid van spreken voor christenen en kon de islam zelfs beledigd worden.[6]

Beperkingen[bewerken]

Dhimmi's hadden beperkte burgerrechten. Zo konden zij doorgaans

  • niet tegen moslims getuigen;
  • niet in het leger dienen;
  • geen groene kleding dragen.

Ook werden zij gedwongen zich te onderwerpen aan tal van bepalingen, zoals:

  • betalen van een speciale hoofdelijke belasting (jizyah). Meestal[7] uitgezonderd van het betalen van deze belasting waren ouderen, vrouwen, invaliden en zieken, degenen die minder dan 1 jaar in het land verbleven en in grensstreken mannen die aan de zijde van de moslims meestreden;
  • wonen in aparte wijken;
  • hun huizen moeten lager zijn dan van moslims;
  • dragen van speciale kleding die zich onderscheidde van die van moslims;
  • niet paardrijden of wapens dragen;
  • nooit geweld tegen moslims gebruiken, ook niet ter verdediging;[bron?]
  • niet evangeliseren of bekeren;
  • geen openbare religieuze bijeenkomsten houden;
  • geen religieuze symbolen op voor moslims zichtbare wijze gebruiken;
  • geen kerken, kloosters en synagogen bouwen. Bestaande gebouwen mogen bij ernstige schade niet worden hersteld.

Hiernaast was er ook op andere wijze sprake van ongelijke behandeling tussen dhimmi's en moslims:

  • Erfrecht. De algemene regel in islamitische wetgeving gaat ervan uit dat dhimmi's en moslims niet van elkaar kunnen erven. Sommige juristen zijn echter van mening dat een moslim van een dhimmi kan erven, maar niet andersom. Binnen de shia kon het gebeuren dat, wanneer een dhimmi ook maar één moslim onder de erfgenamen heeft, de hele erfenis naar de moslim ging. Deze stelling vormde een frequente klacht van Perzische joden.[8]
  • Strafrecht. In de islamitische rechtsscholen, met uitzondering van de hanafitische, is de maximum straf voor de moord op een dhimmi het betalen van bloedgeld; doodstraf was niet mogelijk. In de malikitische en hanbalitische rechtsscholen werd de waarde van het leven van een dhimmi op de helft van het leven van een moslim gesteld. In de shafi'itische school werden joden en christenen op 1/3 van een moslim getaxeerd en aanhangers van Zoroastra op 1/15. In de hanafitische school, die door de meeste soennieten wordt aangehangen, wordt wel aangenomen dat de moord op een dhimmi tot de doodstraf kan leiden.[9]
  • Godslastering door zowel moslims als dhimmi's wordt onder de sharia zwaar gestraft. De definitie van godslastering omvat de belediging van heilige teksten van moslims, het ontkennen van Mohammed als profeet en het maken van niet-respectvolle opmerkingen over de islam. Geleerden uit de rechtsscholen van Hanbali en Maliki en ook binnen de Sjia schreven de doodstraf voor godslastering voor. Juristen van de sjiitische school schreven soms geselen voor; de doodstraf was alleen voor hen die zich herhaaldelijk aan godslastering schuldig maakten.[10] Veel dhimmi's werden op beschuldiging van belediging van de islam ter dood gebracht.[11][12]. Hoewel sommigen van hen vrijwillig de martelaarsdood kozen, verkeerden velen van hen in dronkenschap of waren het slachtoffer van persoonlijke veten of politieke meningsverschillen. De angst voor het beschuldigd worden van belediging van de islam was een van de grootste factoren bij het aannemen van een nederige houding tegenover moslims. [12]

Bron in Koran[bewerken]

De ongelijke behandeling van dhimmi's zou onder andere gebaseerd zijn op het koranische voorschrift:

Bestrijdt diegenen onder de mensen van het Boek, die in God noch in de Dag des oordeels/laatste Dag geloven, noch voor onwettig houden wat God en Zijn boodschapper onwettig hebben verklaard, noch de ware godsdienst belijden, totdat zij de belasting met eigen hand betalen, terwijl zij onderdanig zijn (Soera Het Berouw 9:29).

Godsdienstwetenschappers en historici als Hugh Goddard, maar ook moderne moslimtheologen beschouwen deze en andere soera's die hierover gaan maar deels als fundamenteel, maar vooral als contextueel. Ze zijn namelijk niet alleen ontstaan uit de controverses tussen de profeet, de joden en de christenen. Goddard wijst in dit verband op de soera's 9:8 en 10, die spreken over de in Mekka gesloten overeenkomsten met de ongelovigen. De dhimmi status moet volgens Goddard gezien worden in het licht van Mohammeds sterke afkeer van afgoderij, waar hij de joden en christenen juist van uitzonderde.[13]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Voetnoten

  1. In het huis van de islam, Henk Driessen (redactie), Camilla Adang, Uitgeverij SUN, tweede druk november 2001, ISBN 90 6168 606 7, blz. 238-239
  2. Reliance of the Traveller and Tools of the Worshipper, Engelse vertaling door Nuh Ha Mim Keller, 1991
  3. De moslimse naaste, Op weg naar een theologie van de Islam, dr. A. Wessels, Uitgeverijmaatschappij J.H. Kok, Kampen, 1978, ISBN 90 242 0861 0, blz. 40
  4. Jansen, Nieuwe inleiding tot de islam, blz. 118
  5. Khan (2002), p. 62
  6. De moslimse naaste, Op weg naar een theologie van de Islam, dr. A. Wessels, Uitgeverijmaatschappij J.H. Kok, Kampen, 1978, ISBN 90 242 0861 0, blz. 41
  7. "The provisions of ancient Islamic law which exempted the indigent, the invalids and the old, were no longer observed in the Geniza period and had been discarded by the Shāfi‘ī School of Law, which prevailed in Egypt, also in theory." Goiten, S.D. "Evidence on the Muslim Poll Tax from Non-Muslim Sources", Journal of the Economic and Social History of the Orient 1963, Vol. 6, pp. 278-279.
  8. Lewis (1984), pp. 26–27; see also Friedmann (2003), p. 35
  9. Bat Ye’or (2002), p. 75
  10. Lewis (1984), p. 39
  11. Stillman (1979), p. 103,
  12. a b Lewis (1984), p. 40
  13. A History of Christian-Muslim Relations, Hugh Goddard, Chigago 2000,ISBN 1-56663-340-0, blz. 46,59,66-7,188,

Referenties

  • Al-Hibri, Azizah Y. (2003). An Islamic Perspective on Domestic Violence. 27 Fordham International Law Journal 195 .
  • Bat Ye'or, Islam and Dhimmitude. Where Civilizations Collide, Fairleigh Dickinson University Press/Associated University Presses, Madison/Teaneck, NJ. ISBN 0-8386-3943-7, 2002
  • Bat Ye'or, The Decline of Eastern Christianity under Islam. From Jihad to Dhimmitude. Seventh-Twentieth Century, Fairleigh Dickinson University Press/Associated University Presses, Madison/Teaneck, NJ. ISBN 0-8386-3688-8, 1996
  • Bat Ye'or, The Dhimmi: Jews and Christians under Islam, Fairleigh Dickinson University Press, Madison/Teaneck, NJ. ISBN 0-8386-3262-9, 1985
  • Bravmann, Meïr M. (1966). The ancient background of the Qur’ānic Concept Al-Ğizyatu ‘an Yadin. Arabica 13 .
  • Bostom, Andrew, ed., The Legacy of Jihad: Islamic Holy War and the Fate of Non-Muslims, Prometeus Books. ISBN 1-59102-307-6, 2005
  • Bosworth, C. E. (1982). The Concept of Dhimma in Early Islam In Benjamin Braude and B. Lewis, eds., Christians and Jews in the Ottoman Empire: The Functioning of a Plural Society 2 vols., New York: Holmes & Meier Publishing. ISBN 0-8419-0520-7
  • - Cahen, Claude, Djizya (i), Brill Academic Publishers. ISSN 1573-3912
  • Cohen, Mark, Under Crescent and Cross: The Jews in the Middle Ages, Princeton University Press. ISBN 0-691-01082-X, 1995
  • Courbage, Youssef and Fargues, Philippe, Christians and Jews under Islam, I.B. Tauris Publishers, London. ISBN 1-86064-285-3, 1995
  • Friedmann, Yohanan, Tolerance and Coercion in Islam: Interfaith Relations in the Muslim Tradition, Cambridge University Press. ISBN 0-521-82703-5, 2003
  • Goddard, Hugh, A History of Christian-Muslim Relations, New Amsterdam Books, Chicago. ISBN 1-56663-340-0, 2000
  • Eraqi-Klorman, Bat-Zion; Reeva Spector Simon (Ed.), Michael Menachem Laskier (Ed.), Sara Reguer (Ed.), The Jews of the Middle East and North Africa in Modern Times, Columbia University Press, Columbia, NY. ISBN 0-231-10796-X, 2003
  • Jansen, Dr. J.J.G., Nieuwe inleiding tot de islam, Uitgeverij Coutinho. ISBN 90 6283 129 X, 1998
  • Karsh, Ephraim, Islamic Imperialism: A History, Yale University Press. ISBN 0-300-10603-3, 2006
  • Khan, Gabriël Mandel, Mohammed, de profeet originele titel: Maometto, il profeta, Arnoldo Mondadori S.p.A., Milaan, 2001, Roularta Books/VAR. ISBN 90-5466-790-7, 2002
  • Lapidus, Ira M., A History of Islamic Societies (2nd Edition), Cambridge University Press. ISBN 0-521-77933-2, 2002
  • Lewis, Bernard, The Arabs in History, Oxford University Press, Oxford. ISBN 0-19-280310-7, 2002
  • Lewis, Bernard, The Jews of Islam, Princeton University Press, Princeton. ISBN 0-691-00807-8, 1984
  • Littman, David (1979). Jews Under Muslim Rule: The Case Of Persia. The Wiener Library Bulletin XXXII (New series 49/50) .
  • Al-Mawardi, The Ordnances of Government (Al-Ahkam al-Sultaniyya w’al-Wilayat al-Diniyya), Garnet Publishing, Lebanon. ISBN 1-85964-140-7, 2000
  • Parfitt, Tudor, Israel and Ishmael : Studies in Muslim-Jewish Relations, Palgrave Macmillan. ISBN 0-312-22228-9, 2000
  • al-Qattan, Najma (1999). Dhimmis in the Muslim Court: Legal Autonomy and Religious Discrimination. International Journal of Middle East Studies 31 (3): 429-444 (University of Cambridge). ISSN 00207438.
  • Stillman, Norman, The Jews of Arab Lands: A History and Source Book, Jewish Publication Society of America, Philadelphia. ISBN 1-82760-198-1, 1979
  • Tritton, Arthur S., The Caliphs and their non-Muslim Subjects: a Critical Study of the Covenant of Umar, Frank Cass Publisher, London. ISBN 0-7146-1996-5, 1970
  • P.J. Bearman, Th. Bianquis, C.E. Bosworth, E. van Donzel and W.P. Heinrichs, Viré, Encyclopaedia of Islam Online, Kird, Brill Academic Publishers. ISSN 1573-3912
  • Wehr, Hans, A Dictionary of Modern Written Arabic, Spoken Language Services, Inc., Ithaca, New York. ISBN 0-87950-001-8, 1976
  • Wheatcroft, Andrew, Infidels: A History of the Conflict between Christendom and Islam, Penguin Books. ISBN 0-14-025738-1, 2003