Dialect

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dialect is in de taalkunde de benaming voor een talige variëteit die niet als standaardtaal geldt. De term kan op minstens drie verschillende manieren worden gebruikt.

Verschillende betekenissen[bewerken]

De volksaardige betekenis[bewerken]

In het dagelijks taalgebruik worden taalvariëteiten met een klein en streekgebonden aantal sprekers vaak als varianten beschouwd van een standaardtaal waar ze nauw aan verwant zijn. Bepalend voor de 'mate' van dialectisch zijn van een variëteit gelden doorgaans sociale criteria als de mate van verschriftelijking, het sociale aanzien, de mate van politieke zelfstandigheid van het gebied waarin de variëteit wordt gesproken en de afwijkendheid van een standaardtaal.

In de taalkunde wordt het begrip dialect in deze betekenis liever vermeden, omdat het gebruik ervan het wijdverbreide misverstand voedt dat er een natuurlijk verschil tussen 'hogere' variëteiten ('talen') en 'lagere' variëteiten ('dialecten') zou bestaan. De term die in de taalkunde voor variëteiten met een klein geografisch bereik wordt gehanteerd, is streektaal.

Als subvariëteit[bewerken]

Het begrip dialect kan worden gebruikt om een variëteit aan te duiden die enerzijds zoveel onderscheidende kenmerken heeft, dat ze als apart concept wordt beschouwd, anderzijds echter als variant van een grotere variëteit wordt beschouwd. Het Standaardnederlands heeft op deze manier allerlei dialecten of streektalen, die soms niet eens een eigen naam hebben, maar worden gekarakteriseerd door regionale eigenaardigheden, zonder dat men ze buiten het Standaardnederlands wil rekenen. Voorbeelden zijn het Gronings, Poldernederlands, Zeeuws, Brabants en Vlaams. Evenzo zijn het Standaardnederlands, het Engels, het Standaardhoogduits, het Limburgs, het Fries, het Nederduits, het Elzassisch, het Zwitserduits en de in Berlijn gesproken variant van het Duits allemaal dialecten van het West-Germaans. Het West-Germaans is dan op zijn beurt samen met het Noord-Germaans en het Oost-Germaans een van de dialecten van het Oergermaans, dat op zijn beurt een van de dialecten is van het Proto-Indo-Europees.

Als niet-gestandaardiseerde variëteit[bewerken]

Standaardtalen zoals het Standaardnederlands, het Standaardfrans en het Standaardzweeds zijn kunstmatige variëteiten die (althans in Europa) vanaf de 17e eeuw, maar met name in de 19e eeuw, zijn gevormd. Vaak fungeren ze als standaard voor een groot (meestal door nationale grenzen afgescheiden) gebied, waarin ook vaak verwante variëteiten worden gesproken, maar hebben lang niet alle verwante variëteiten binnen dat gebied elementen aan de standaardtaal geleverd. Zo is het Standaardnederlands gebouwd op de taal die gebruikt werd in de Statenbijbel, een construct met Frankische (Hollandse en Brabantse) en wat Saksische elementen. Vanwege de grote overeenkomsten tussen de huidige streek- of plaatsgebonden variëteiten in Holland en Brabant kan men die onder de hierboven beschreven definitie 2. als dialecten van het Standaardnederlands beschouwen. Onder definitie 3. echter gelden alle vanouds in Nederland en Vlaanderen gesproken variëteiten dialecten van dat Standaardnederlands, met uitzondering van de Friese en Franse variëteiten in dat gebied, daar die zich naar andere standaardtalen richten (resp. het Standaardfries en het Standaardfrans). Soms spelen bij de bepaling van dialectstatus onder deze definitie geen taalkundige maar politieke factoren een rol. Zo wordt de variëteit van het in de provincie Groningen gelegen dorp Nieuweschans onder deze definitie een Nederlands dialect genoemd, terwijl het daarvan nauwelijks afwijkende dialect van buurdorp Bunde, in het Duitse Reiderland een Duits dialect genoemd wordt. Thans worden de standaardtalen door veel mensen als moedertaal gesproken.

Zie voor meer Nederlandse dialecten bij dialecten van de wereld.

Taal vs. dialect[bewerken]

Vanuit taalkundig oogpunt heeft de vraag of een bepaalde taalvariëteit een op zichzelf staande taal is of een dialect weinig zin; er zijn namelijk geen vaste onderscheidende criteria. Zowel een taal als een dialect hebben een eigen grammaticaal systeem, een eigen woordenschat en soms - maar niet altijd - een overkoepelende standaardvariant, die het interne dialectcontinuüm (de geleidelijke overgangen binnen taal of dialect) overstijgt en als algemene gebruiksvariant geldt.[1]

Volgens een strikt taalkundige definitie staat het begrip wederzijdse verstaanbaarheid centraal bij het onderscheid tussen taal en dialect. Zolang er sprake is van wederzijdse verstaanbaarheid, kunnen volgens deze definitie twee of meer taalvariëteiten als dialecten van dezelfde taal worden beschouwd.[2]

Taalgebruikers[bewerken]

Er is een verschil in sociale status tussen een “taal” (dat is de benaming voor een taalvariant die aanzien geniet) en een “dialect” (een taalvariant die met minder achting, soms zelfs met verachting wordt bezien).[3] Deze sociale status straalt af op de gebruikers van de taalvariant, althans zo kan dit worden gevoeld. Door de niet-dominante rol van een bepaalde taalvariant zullen woorden verdwijnen ten gunste van woorden uit de standaardtaal, en dit wordt door taalgebruikers als taalverlies ervaren. De taalkundige wijst daarbij op nog andere veranderingen: het verlies van grammaticale elementen. Hoewel taalverandering altijd en overal aanwezig is, wordt de onderhavige als extra betreurenswaardig ervaren: er verdwijnt een deel van het linguïstisch geheugen.[4] Aangezien taal als het vehikel van de cultuur wordt gezien, ontstaat aldus ook de vrees voor cultuurverlies.[5] Dat ondertussen andere taalgebruikers het verdwijnen van regionale taalvarianten juist toejuichen, doet aan de genoemde gevoelens niets af. Het kan wel leiden tot scherpe controversen en polemieken.

Verwante begrippen[bewerken]

Het begrip dialect is verwant aan regiolect, sociolect en etnolect, minder aan idiolect en helemaal niet aan straattaal, argot, patois of jargon. Deze laatste zaken betreffende verschillende stijlen en/of registers binnen dezelfde taal die niet of nauwelijks streekgebonden zijn. Het woord dialect wordt ook in de informatica gebruikt, om verschillende varianten van programmeertalen aan te duiden.

Etymologie[bewerken]

Het woord dialect komt van het Griekse διαλέγεσθαι/dialegesthai, "converseren", waarvan ook dialoog en dialectiek zijn afgeleid.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Harrie Scholtmeijer, Naast het Nederlands. Dialecten van Schelde tot Schiermonnikoog, Amsterdam/Antwerpen 1999:24-25
  2. Guy Deutscher (2005), The Unfolding of Language: An Evolutionary Tour of Mankind's Greatest Invention , p. 56.
  3. Bijvoorbeeld Scholtmeijer, p. 25
  4. Jan Stroop, “Van Dialect naar A.A.N.”, in: H.H.A. van den Wijngaard, A.H.P.J. Dams en A.H.G. Schaars, Van de A tot de AA. Het dialectenboek 2, Waalre 1993:17-18
  5. H.W.M. van Run, “Dorpstaal als wereldtaal”, in: Van den Wijngaard e.a. 1993:15