Diatoniek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Voorbeeld diatoniek op een klavier

Onder diatoniek (Grieks: διατονικός, door (hele) tonen (gaand)) worden in de muziektheorie toonstelsels verstaan, gebaseerd op een verdeling van het octaaf in vijf grotere en twee kleinere intervallen, zodanig dat de kleinere intervallen zo ver mogelijk uiteen liggen. De grotere intervallen zijn alle van ongeveer gelijke omvang en worden hele toonafstanden genoemd. De kleinere intervallen zijn ongeveer van halve omvang van de grotere en worden halve toonafstanden genoemd.

Oorspronkelijk verwees de term "diatoniek" naar het diatonische toongeslacht, een van de drie toongeslachten van de Oude Grieken. Diatoniek staat in tegenstelling tot de hele-toonstoonladder.

Een diatonische toonladder is een toonladder met hele en halve toonafstanden. Dit diatonisch systeem is voor het eerst toegepast en theoretisch onderbouwd door de oude Grieken

De oude diatonische toonladders zijn:

Uit deze oude diatonische toonladders ontwikkelde zich in de loop van de muziekgeschiedenis het diatonische systeem van majeur- en mineurtoonsoorten. Pas in de 20e eeuw lieten componisten zich inspireren door exotische, niet-Europese toonladders, en ontstond er een niet-diatonische klassieke muziek (Debussy, Stravinsky).

Veel muziekinstrumenten uit de volksmuziek zijn van zichzelf diatonisch (denk aan een piano met alleen witte toetsen) zoals een trekzak, tin-whistle, hommel.


Zie ook[bewerken]