Die Frau ohne Schatten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Die Frau ohne Schatten (op. 65) is een opera in drie bedrijven van de Duitse componist Richard Strauss, op tekst van de Oostenrijkse schrijver Hugo von Hofmannsthal. De première vond plaats op 10 oktober 1919 in Wenen (dirigent: Franz Schalk, regie: Hans Breuer, decor: Franz Roller); enkele dagen later was er een heropvoering in Dresden.

Richard Strauss, schilderij van Max Liebermann

Ontstaansgeschiedenis[bewerken]

Hofmannsthals eerste invallen over zijn libretto stammen van 1911 en lijken terug te grijpen naar een eerder verhaal (Maerchen) ut 1895, waarin een “estheet” “versteent”, zodra hij in contact komt met de armoe en ellende van de gewone mens. De opera werd vanaf de eerste gesprekken met Strauss in 1911 geïnspireerd door de opzet van twee paren (een verheven en een meer aards paar) alsook de beproevings-scènes in de Zauberflöte. Uit de wereld van de sprookjes stammen motieven als het verlangen naar een schaduw (metafoor voor kinderloosheid) en genoemd gegeven van een mens die "versteent". De diverse motieven spelen een belangrijke rol in de inhoudsbeschrijving, zoals die door de librettist zelf is beschreven (Zie onderstaand addendum). Naast dit libretto heeft Hofmannsthal dezelfde stof –nog weer verder uitgebreid, maar de dialogen zijn dezelfde als in de opera - voor een gelijknamige novelle gebruikt. Opvallend in de novelle is toevoeging van een hoofdstuk over de keizer die in een grot afdaalt voor hij versteent en daar inzicht krijgt in zijn schuld ten aanzien van de keizerin (hoofdstuk 4).

Vanaf de eerste brieven in 1911 raakte Strauss enthousiast over het thema. Het tekstmateriaal kwam hem mondjesmaat toe en het duurde uiteindelijk vier en half jaar voor hij het libretto volledig in handen had. Meerdere malen schreef hij Hofmannsthal op te schieten. Hofmannsthal voelde zich opgejaagd (bij het begin van de oorlog werd hij opgeroepen als frontsoldaat, liet zich snel afkeuren en kwam terecht op de persdienst van het leger) en worstelde met het onderwerp. Maar Strauss was gelukkig met de tekst van von Hofmannsthal, die hem tot zeer kleurrijke muziek heeft geïnspireerd. Wel had Strauss moeite om de koele etherische figuren van Keizer en Keizerin tot muzikaal leven te brengen (ze waren niet zo te vullen met rode-bloed-lichaampjes als de personages in Der Rosenkavalier, zoals Strauss zelf zei). Het andere paar lag hem beter: Hofmannsthal had Strauss al eens voorzichtig toevertrouwd, dat hij bij het schrijven van de dialogen voor de Verversvrouw, Strauss’ eigen formidabele vrouw –Pauline- voor ogen had gehad en Strauss zal weinig moeite hebben gehad om zich te identificeren mat de goedmoedige boerse Barak. In 1917 (op 28 juni schrijft Strauss aan von Hofmannsthal: "Die Partitur der "Frau ohne Schatten" ist fertig.") was de opera klaar, maar de première was pas in 1919.

Kern van het libretto is (net als bij Ariadne auf Naxos) Hofmannsthals fascinatie met twee contrasterende vrouwentypen: een onwerkelijke fee en een al te menselijke vrouw. Daarnaast zijn er de getarte echtgenoten en dubieuze voedster, aangevuld met personages voor het couleur locale en de commentaren uit de geestenwereld; in deze symbolenwereld zijn de handelingen traag en schetsmatig. Hofmannsthal wou daar episch-dramatische muziek bij. Strauss gebruikt een enorme bezetting. De scène beschrijvingen in het libretto suggereren vaak een weidse opzet. Toch doet de muziek vaak bij momenten aan als kamermuziek. Vrij vroeg reeds maakte Strauss de keuze voor "twee orkesten": het éné met lichte, etherische klanken voor de keizerswereld, het andere met duistere en zwaardere tonen voor de ververswereld. De "vermenging van beide procédés" doet geleidelijk deze orkestklanken in elkaar overgaan. Net als bij Pélleas et Mélisande van de Debussy gaat hier niet om grootse scènes maar intieme portretten aaneengeregen door een rijke orkestrale stroom. Zowel vijf enorme hoofdrollen (Kaiser, Kaiserin, Färber, Färbersfrau, Amme) als de noodzaak van een zeer groot orkest en het op het toneel moeten realiseren van de verschillende scènes uit de droomwereld en de werkelijkheid, maakt deze opera (waarvan elke akte meer dan een uur duurt) ook nu nog een grote uitdaging voor elk operahuis.

Kostuumontwerp Alfred Roller voor Die Amme bij de première in Wenen

Rolverdeling[bewerken]

Rol Stemtype Première, 10 Oktober, 1919
(Franz Schalk)
De Keizer (Der Kaiser) heldentenor Karl-Aagaard Oestvig
De Keizerin (Die Kaiserin), Keikobads dochter (jugendlich-dramatische) sopraan Maria Jeritza
De Voedster (Die Amme), haar bediende dramatische mezzo-sopraan Lucie Weidt
Barak, de Verver (Barak, der Färber) bas-bariton Richard Mayr
De Verversvrouw (Die Färberin) dramatische sopraan Lotte Lehmann
De één-ogige Man (Der Einäugige), Baraks broer hoge bas Viktor Madin
De eenarmige Man (Der Einarmige), Baraks broer bas Julius Betetto
De Bultenaar (Der Bucklige), Baraks broer hoge tenor Anton Arnold
De boodschapper van Keikobad hoge bariton Josef von Manowarda
De stem van een Valk sopraan Felicie Hüni-Mihacsek
Jeugdige Verschijning tenor Elisabeth Schumann
De dorpelwachter sopraan of
countertenor
Sybilla Blei
Stem van boven diepe alt Maria Olczewska
Stemmen van Zes Ongeboren Kinderen (Sechs Kinderstimmen) drie sopranen, drie baritons
Stemmen van Drie Stadswachten (Stimmen Der Wächter Der Stadt) baritons
Bedienden van de Keizerin, andere kinderen en bedelaarskinderen, geest-bedienden en geest-stemmen

De rol van de Keizerin vraagt een dramatische sopraan die uitgebreide coloratuurpassages met trillers, loopjes en een hoge D (dat vat haar openingssolo in de eerste akte samen) aan kan. Op gelijke wijze vraagt de rol van keizer om een tenor, die talrijke passages in het bovenregister aan kan, zie met name zijn lange solo in de tweede akte. De voedster-rol ligt vooral in het bereik van een diepe alt, maar herhaaldelijk gaat de rol boven de notenbalk. De Verversvrouw vereist een sopraan met een immens volume om -zwaar georkestreerd- boven het orkestgeweld uit te komen. De Verver ligt van de grote vocale partijen wat gemakkelijker, maar ook hier een zware orkestratie: deze opera van 3 uur en 15 minuten vraagt een bariton met doorzettingsvermogen.

Synopsis[bewerken]

De keizer van de zuidoostelijke eilanden schiet tijdens de jacht een gazelle die verandert in een jonge vrouw. Zij is de dochter van Keikobad, koning der geesten. Zij koesteren een diepe liefde voor elkaar, maar zij hebben geen kinderen; als teken van haar onvruchtbaarheid heeft de vrouw geen schaduw. Dit is het hoofdthema van de opera: om de liefde in vervulling te doen gaan en echt mens te worden, dient de vrouw kinderen te krijgen. De schaduw is het symbool van de vruchtbaarheid.

Eerste bedrijf[bewerken]

Eerste toneel

Aan bet begin van de opera krijgt de voedster bezoek van een bode van Keikobad. Uit hun gesprek blijkt dat Keikobad zijn dochter een jaar de tijd gegeven heeft om zich een schaduw te verwerven en zo geheel mens te worden. Indien zij over drie dagen deze schaduw niet heeft gevonden, moet zij naar het rijk van haar vader terugkeren en dan zal de keizer in steen veranderd worden. De bode verdwijnt, waarna de keizer verschijnt. Hij zegt tegen de voedster dat hij drie dagen op jacht gaat en maakt een toespeling op zijn favoriete valk die hij niet meer heeft teruggezien sinds hij zijn vrouw heeft ontmoet. De keizer vertelt dan hoe hij zijn echtgenote heeft ontmoet en haar veroverd heeft; hoe de rode valk tijdens de jacht een blanke gazelle had gevangen, die zich in een vrouw veranderde, en hoe hij zijn dolk naar de valk had gegooid toen het dier het waagde haar op het hoofd te zitten. De trouwe valk raakte gewond en is weggevlogen. Als de keizerin ontwaakt, ziet ze de valk in de lucht zweven en hoort zijn jammerklacht: 'De vrouw werpt geen schaduw, de keizer zal verstenen.' De keizerin begrijpt dat het enige middel om haar echtgenoot te redden is, een schaduw te verwerven, en zij vraagt wanhopig aan haar voedster waar zij een schaduw vinden kan. Deze zegt dat ze dan naar de ellendige mensenwereld moet afdalen, want als zij de schaduw wil vasthouden moet zij hem zelf halen.

Tweede toneel

Een armelijk vertrek in het huis van de verver Barak, dat dienst doet als atelier en als kamer. Als het doek opgaat zijn de drie misvormde broers van Barak ruzie met elkaar aan het maken. Dan volgt een scène waarin het verschil in karakter tussen Barak en zijn vrouw aan het licht komt. Hij is geduldig en goedmoedig, zij kijft altijd en klaagt zonder ophouden. Hij verwijt haar dat zij hem nog altijd geen kind heeft geschonken, en vertrekt naar de markt om zijn koopwaar aan de man te brengen. Weldra verschijnen de keizerin en haar voedster, vermomd als eenvoudige bedienden. De voedster begrijpt alras dat de vrouw van de verver een dankbaar object voor haar zwarte magie zal zijn. Zij prijst haar om haar schoonheid en stelt haar voor haar schaduw te verkopen in ruil voor alle rijkdommen die zij zich maar wensen kan. Om haar beter te kunnen overtuigen roept zij daarbij visioenen op. De vrouw van de verver stemt ermee in haar eigen kansen op het moederschap in te ruilen voor deze rijkdommen. Zij verklaart haar bed tot verboden gebied voor haar echtgenoot. Alleen achtergebleven krijgt de vrouw echter een ander visioen. Angstige kinderstemmen klinken uit het vuur: de ongeboren kinderen van Barak die om verlossing vragen. Wanneer Barak terugkeert zijn hun bedden van elkaar gescheiden. Buiten hoort men de stemmen van de wachters van de nacht.

Muzikale opmerkingen
  • Het bedrijf begint niet met een prelude maar met drie orkest-akkoorden; uit te spreken als "Keik!-o-bad" Het gaat hier om een heilige naam van een figuur, die nooit op het toneel verschijnt, maar wel de handeling bepaalt(te vergelijken met Elektra: Agamemnon!)
  • Tussen beide tonelen is een tussenspel, dat het neerdalen naar de mensen verbeeldt (vergelijk met Wodans afdaling naar de Nibelungen in Rheingold).

Tweede bedrijf[bewerken]

Eerste toneel

In het huis van Barak. De voedster probeert de vrouw in verleiding te brengen door een knappe jongeman te laten verschijnen zodra de verver is vertrokken. De vrouw denkt dat ze haar man haat, maar durft hem toch niet te bedriegen. Barak voelt heel goed aan dat zij veranderd is en heeft daar veel verdriet van. Hij nodigt een aantal bedelkinderen uit om met hen de maaltijd te delen.

Tweede toneel

Het keizerlijk valkeniershuis in het bos. De teruggevonden valk heeft de keizer hierheen geleid naar het huis waar de keizerin gezegd heeft deze drie dagen alleen te willen vertoeven met niemand om zich heen dan de voedster. Hij ziet haar echter thuiskomen van haar tocht naar de aarde, omgeven van mensenlucht. Overtuigd door haar verraden te zijn, wil hij haar doden. Maar zijn pijl heeft haar tot vrouw gemaakt. Zijn zwaard heeft haar gordel doorbroken. En met zijn handen kan hij het niet. Wanhopig gaat hij weg.

Derde toneel

De woning van Barak. Het is nu de derde dag en de voedster probeert nog altijd de schaduw van de vrouw van de verver te bemachtigen. Beiden verlaten de woning en laten de keizerin met Barak alleen achter. Wanneer het doek zakt heeft men inmiddels begrepen dat de keizerin sympathie heeft opgevat voor de verver en spijt heeft van het onheil dat zij over hem gaat afroepen.

Vierde toneel

Het slaapvertrek van de keizerin in het valkeniershuis. De keizerin heeft boze dromen over het leed dat zij Barak berokkent. Daarna droomt zij dat zij de keizer zijn grafkelder ziet ingaan terwijl de valk zijn klaagroep laat horen. Zij wordt wakker in het bewustzijn dat zij beide mannen in het ongeluk heeft gestort.

Vijfde toneel

De woning van Barak. De voedster probeert voor de laatste keer de schaduw van de vrouw te bemachtigen. Het is middag, en toch wordt de lucht grauw, er dreigt onweer, en de drie broers van Barak schreeuwen het uit van angst. De voedster begrijpt dat zij de bovennatuurlijke krachten die losbarsten niet meer kan beheersen. De keizerin is doodsbang voor het lijden van de menselijke wezens. Tegelijk is zij het noodlot dankbaar waardoor zij Barak ontmoet heeft, die haar door zijn onkreukbaarheid voor zich gewonnen heeft. De scene bereikt het hoogtepunt wanneer de vrouw tegen Barak zegt dat ze hem bedrogen heeft door haar schaduw en haar ongeboren kinderen te verkopen. Om haar woorden kracht bij te zetten ontsteken de drie broers een vuur: men ziet dat zij geen schaduw heeft. Barak wil haar doden, en op magische wijze verschijnt er een zwaard in zijn hand. De keizerin weigert tegen een dergelijk prijs in het bezit van de schaduw te komen. Als de vrouw van Barak merkt wat haar bekentenis teweeg heeft gebracht, komt zij op haar woorden terug: zij heeft de schaduw nog niet verkocht; zij was het slechts van plan. Op het moment dat de voedster de keizerin met zich mee trekt in veiligheid, opent zich de aarde en verzwelgt Barak en zijn woning.

Derde bedrijf[bewerken]

Eerste toneel

Een onderaards gewelf, in tweeën verdeeld door een dikke muur in het midden. Aan de ene kant Barak; aan de andere kant zijn vrouw. Zij zijn zich elkaars aanwezigheid niet bewust. In een beroemde passage ligt zij overhoop met haar geweten (Schweigt doch, ihr Stimmen), terwijl hij probeert vrede en troost voor hen beiden te vinden (Mir anvertraut, daß ich sie hege). Een stem maant elk om de treden van de rots te beklimmen.

Tweede toneeel

Een rotsachtig landschap, dat de keizerin reeds in haar droom heeft gezien. De bode van Keikobad wacht op de aankomst van de magische boot. Hij trekt zich terug zodra de boot met de keizerin en de voedster verschijnt. De keizerin wenst te ontschepen en naar haar echtgenoot te gaan, maar de voedster houdt haar tegen totdat Keikobad hulp zendt. Ze hoort bazuingeschal dat een rechtszitting in de berg aankondigt. De keizerin verstoot de voedster en gaat de gewelven in de rots binnen, nog altijd in het ongewisse of het stromende water leven of dood beduidt. Barak en zijn vrouw zijn nog steeds op zoek naar elkaar, maar de voedster, die nu de mensheid heviger haat dan ooit, wijst elk van hen opzettelijk de verkeerde weg. De bode verschijnt en veroordeelt de voedster om voor altijd onder de mensen rond te dolen en zendt haar weg in de boot.

Derde toneel

In het rotsgewelf. De keizerin bevindt zich voor een nis,omgeven door onzichtbare volgelingen uit het rijk der geesten. Dit is de laatste, noodlottige krachtproef voor de keizerin; de geesten manen haar om haar lot te bezegelen;men hoort het erbarmelijk geroep van Barak en zijn vrouw. Er ontspringt een bron; als de keizerin ervan drinkt, zal zij de schaduw van de vrouw verwerven; maar Barak en zijn vrouw zijn verloren voor elkaar. De keizerin wordt de keizer gewaar die geheel versteend is. Alleen zijn ogen schijnen te leven. Wanhopig omhelst zij het beeld, dat haar met zijn blik schijnt te verwijten. De orakelstem maant haar dat ze slechts een woord te zeggen heeft om de schaduw te verkrijgen en dat de keizer dan levend met haar mee kan gaan. De keizerin voert een zware tweestrijd, maar weigert ten slotte. Op dat ogenblik valt een verblindende lichtstraal op de keizerin, en werpt een enorme slagschaduw op de grond. De keizer stijgt van zijn troon, en terwijl zij elkaar omhelzen, klinken van boven de stemmen van de ongeboren kinderen.

Vierde toneel

Een prachtig landschap met een gouden waterval. Barak en zijn vrouw lopen elkaar tegemoet. Haar schaduw valt over de afgrond die hen scheidt, en verandert in een gouden brug, waarover zij tot elkaar komen. Zij vallen in elkaars armen. De keizer en de keizerin zijn boven de waterval verschenen. De opera eindigt met een lofzang op het moederschap, waarbij de stemmen der ongeboren kinderen hun toezingen.

Muziek, betekenis en receptie[bewerken]

'Die Frau ohne Schatten' is zeker vanuit de synopsis mogelijk bevreemdend, omdat de samenvatting van de plot een obscure moraliserende indruk wekt. De gesuggereerde, opvattingen over huwelijk vruchtbaarheid en de rol van de vrouw maken een in onze ogen archaïsche indruk. Is er misschien een teveel aan verheven tekst ? Dit libretto leidt niet tot een meeslepend interpersoonlijk drama als bij Elektra of een luchtige conversatietoon als bij de Rosenkavalier; maar Strauss stort zich wel met verve en zeer geavanceerde polytonaliteit op de tussenspelen.

Als dramatische hoogtepunten zijn te noemen het valk-motief; de zwaardscene in de tweede akte en de aankomst van de boot in het rijk van de Keikobad in het begin van de derde akte. Strauss put alle muzikale middelen uit om alle overgangen, stemmingen en situaties muzikaal precies te tekenen. In de receptie werd Die Frau ohne Schatten steeds als een van de belangrijkste opera's van Strauss gezien, waarin voortgebouwd werd op de voorgangers Elektra en Salomé. Ook de kunstenaars zelf beschouwden de opera als één van de hoogtepunten van hun oeuvre, ook al sprak Strauss later over het werk als een "zorgenkind".

Toen de opera in première ging, was Strauss al een vermogend man; de paden van de nieuwe muziek waar de Weense componisten Berg en Schoenberg voorop gingen, waren hem antipathiek. Toen de Oostenrijkse monarchie in 1919 ineenstortte en de "K.K.Hofoper" werd omgedoopt tot Wiener Staatsoper, nam Strauss de door hem begeerde functie van artistiek directeur op zich, samen met Franz Schalk. Als om die nieuwe verbintenis in te luiden ging in oktober 1919 zijn opera in Wenen in première. Ofschoon de opera goed werd ontvangen en korte tijd later werd geënsceneerd in Dresden en Berlijn, werd het niet een van de populairste werken van Strauss, tot, meer dan veertig jaar later, Karajan en Böhm het werk dirigeerden in Wenen. In de daaropvolgende periode werd Wolfgang Sawallisch in München de grote pleitbezorger van 'Die Frau ohne Schatten' (evenals van alle andere opera's van Strauss). Thans heeft de opera een vaste plaats in het repertoire.

Orchesterfantasie[bewerken]

1946, drie jaar voor zijn dood besloot Strauss een Orchesterfantasie uit de opera samen te stellen. De partituur (op 30 mei 1946 in Ouchy gereed gekomen) behelst een eendelig werk, wat opgedragen werd aan een mecenas (Manfred Mautner Markhof) en waarvan de première onder leiding van Karl Böhm was op 26 april 1947 in de Wiener Konzerthaus-Saal.

Ensceneringen[bewerken]

Duitsland:

Nederland:

  • 1992 Amsterdam DNO (Hartmut Haenchen, dirigent / Harry Kupfer, regisseur / Wilfried Werz, decor
  • 2008 Amsterdam DNO (Marc Albrecht, dirigent / Andreas Homoki, regisseur / Wolfgang Gussmann, decor)

Addendum: beschrijving van de inhoud door Von Hoffmansthal zelf[bewerken]

Geschreven door de librettist en in de vertaling van Janneke van der Meulen (programmaboek DNO)

Eerste bedrijf[bewerken]

De keizer van de Zuidoostelijke eilanden is met een feeëndochter getrouwd, die hij tijdens een jachtpartij heeft buitgemaakt. Met zijn pijl had hij een witte gazelle aan de hals verwond, waarop dit dier op slag veranderde in een bevallige jonge vrouw, de dochter van de geestenkoning. Sinds haar huwelijk is zij wel de gave zich in een dier te veranderen kwijtgeraakt, maar tot het mensdom behoort zij ook nog niet helemaal, want ze werpt geen schaduw en taalt niet naar het moederschap hetgeen een en hetzelfde is, teken en betekende. De voedster. die haar achternagegaan is en die de menselijke soort alsook de keizer een venijnige haat toedraagt, is hierover zeer verheugd. De vertoornde geestenkoning stuurt heimelijk zijn boden naar de voedster om aan de weet te komen hoe het met zijn dochter gesteld is. De keizer en de keizerin zijn hiervan niet op de hoogte en brengen gelukzalige nachten in elkanders armen door.

Overdag echter gaat de keizer op jacht en blijft de keizerin alleen met de voedster achter.Zo ook deze ochtend: er krijst een valk boven het afgelegen tuinprieel waarin de keizer zijn geliefde heeft ondergebracht, omdat hij niet wil dat ze met andere mensen verkeert. Het is de lievelingsvalk van de keizer, die zich sinds de dag dat hij deze hielp zijn vrouw te veroveren, niet meer vertoond heeft. Nu komt hij als door een hogere macht gezonden aangevlogen: bij wijze van geloofsbrief houdt hij de talisman in zijn klauwen Zijn dreigende en klaaglijke roep klinkt de keizerin als een mensenstem in de oren: .Weldra is de termijn verstreken, en nog steeds werpt de vrouw geen schaduw -dus moet de keizer verstenen.' De keizerin beseft de samenhang tussen het een en ander: zij is buiten de invloedssfeer van haar vader getreden, maar de keizer heeft haar met zijn jaloerse, genotzuchtige liefde niet helemaal mens kunnen doen worden. Ze bevindt zich tussen twee werelden, wordt door de ene wereld niet losgelaten en door de ander niet opgenomen: daarvoor treft hem, niet haar, de blaam, want hij heeft zich schuldig gemaakt aan zelfzuchtige liefde. Ze beseft het gruwelijke dilemma, maar vindt de kracht en moed het gevaar tegemoet te treden: ze wil zich een schaduw verwerven, ongeacht het offer dat ze hiervoor moet brengen. De voedster is een mefistofelisch wezen; ze beziet de mensenwereld met een scherpe en liefdeloze blik. Ze weet dat er verstrikkingen zijn waaruit een ontgoocheld mens, man of vrouw, zich enkel met zijn schaduw kan vrijkopen. Bij zo iemand zouden ze een schaduw kunnen bemachtigen. De voedster laat zich door de s smeekbede van de keizerin vermurwen, en beiden maken zich op om zich onder de mensen te begeven.

Barak de verver is niet jong meer, maar nijver als geen ander en sterk als een paard. Hij moet niet alleen voor zijn vrouw, die jong is en mooi en vol ongenoegen, de kost verdienen, maar ook voor zijn drie broers, en het liefst had hij ook nog een schare kinderen onder zijn hoede. Net als dat van de keizer en de feeëndochter heeft dit huwelijk echter nog geen vrucht gedragen.

In het armoedige huis van het verversechtpaar maken de keizerin en de voedster hun opwachting. Beiden hebben zich vermomd, en het stralende gezicht van de feeëndochter is donker geschminkt. Ze bieden de verversvrouw aan haar als dienstmaagden terzijde te staan. Het is de voedster al van meet af duidelijk dat deze jonge, slanke, knorrige vrouw ertoe bereid zal zijn haar schaduw te verkwanselen, dat ze in ruil voor schone gewaden en parelkettingen en minnaars die staan te smachten aan de achterdeur, haar schaduw zal prijsgeven -en de ongeboren kinderen op de koop toe (want als teken en betekende zijn deze onlosmakelijk met elkaar verbonden). Als koppelaarster en tovenares omspint het oudje de jonge vrouw met mooie woorden en gebaren, met dubbelzinnige spreuken en opwindende hekserij. Ze dekt de tafel met nimmer geproefde spijzen. belooft haar ongeëvenaarde welstand en blaast haar als een koortsdroombeeld het vermoeden hiervan in.Ze sluit het verbond waardoor de vrouw al bij voorbaat haar schaduw prijsgeeft. De keizerin slaat het gebeuren stilzwijgend gade: ze begrijpt amper wat een listig handeltje hier om harentwille gedreven wordt. Zodra de ruil is beklonken, zijn de gasten plotseling verdwenen en blijft de vrouw weer alleen achter. Maar uit de braadpan, waarin zeven kleine visjes liggen te smoren. hoort ze het jammergeschrei van haar ongeboren kinderen opklinken. Met het angstzweet op haar voorhoofd en knikkende knieën sleept ze zich naar een hoek van het vertrek, waar ze op een bos rijshout neerzijgt en vervolgens op haar bed gaat liggen.

Niet wetend wat zich tijdens zijn afwezigheid heeft afgespeeld, is inmiddels de sterke verver thuisgekomen, die ziet dat het echtelijk bed liefdeloos in tweeën is gesplitst. (Dit was onderdeel van het verbond dat de vrouw met de heks heeft gesloten.) Van buiten klinken stemmen, de nachtwacht zingt de lof van huwelijk en ouderschap:

Echtelieden, die liefdevol in elkaars armen ligt,

jullie zijn de brug, gespannen over de afgrond,

waarover de doden weer naar het leven terugkeren!

Gezegend zij jullie liefdeswerk!

Binnen liggen de echtelieden elk op hun eigen bed stil te zwijgen.

Tweede bedrijf[bewerken]

De beproevingen nemen een aanvang; beide paren moeten namelijk gelouterd worden: de verver en zijn vrouw worden te zeer door aardse beslommeringen bedrukt, de keizer en de feeëndochter zijn te trots en hebben zich te ver van het aards gewoel verwijderd. Met een zinnenprikkelende fantasmagorie, de geestverschijning van een hunkerende alsook begeerlijke jongeman, brengt de voedster de jonge vrouw in verzoeking. De verver is nog niet het huis uit of daar staat deze schone jongeling. De verversvrouw denkt dat ze haar lompe goedzak van een man enkel haat toedraagt en dat ze hem zonder gewetensproblemen zal kunnen bedriegen, maar op het laatste nippertje deinst ze hiervoor terug. De voedster laat echter niet af en probeert haar stilaan zover te brengen. Barak de verver weet niet wat er in zijn huis noch wat er in zijn vrouw omgaat. Al zijn botheid ten spijt begint de situatie hem echter meer en meer te bedrukken. Hij voelt een dreiging: het is alsof hij om hulp wordt geroepen. Zijn het –zonder dat hij dit weet -de stemmen van zijn ongeboren kinderen? Want om hen draait het -om hen en de schaduw.

De keizerin is -onschuldig schuldig –in dit boosaardige spel verwikkeld. Haar dagen brengt ze door in het ververshuis en is ze ten prooi aan strijdige gevoelens. 's Nachts is ze in het valkenhuis en ziet ze in haar angstdromen haar echtgenoot door het verlaten woud dwalen, hovaardig eenzaam, verteerd door zelfzuchtig wantrouwen, zijn hart al versteend. Ze beziet hoe de verdoolde een tempeldeur binnen gaat en als in een stenen graf verdwijnt -welk lot wacht hem daar? Haar innerlijke angst geeft antwoord, de roep van de valk klinkt in haar na: 'De vrouw werpt geen schaduw, de keizer moet verstenen.' Met bonkend hart ontwaakt ze uit dergelijke inzichtige dromen - maar haar dagen zijn nog hachelijker dan haar nachten: ze wordt door het menselijke omsponnen. Een feeënkind kan niet ongestraft onder de mensen toeven; anders dan de voedster met haar lagere, demonische natuur is zij niet immuun voor de nabijheid van mensen. Afschuw van het onbekende maakt bij haar dan ook al snel plaats voor een nobeler gevoel; ten diepste aangetrokken tot de mensen als zij is, gaat de botte blik van de verver voor haar spreken. Zijn wezen ontroert haar. Al gauw beseft ze haar schuld jegens deze argeloze man, die om harentwille van zijn levensgeluk zal worden beroofd.

Het is de avond van de derde dag: met duivelse hardnekkigheid stuurt de voedster aan op de vervulling van het verbond. Het is alsof hemel en aarde aan haar wil zijn onderworpen, zo'n diepe duisternis bedrukt hen allen. Als dieren voor een aardbeving kermen de broers van de verver het uit van angst, de verversvrouw brandt los in een wilde monoloog. Ze beschuldigt zichzelf van wat ze niet metterdaad gedaan heeft, maar waartoe ze wel degelijk het voornemen gehad heeft. Ze zweert haar echtgenoot huwelijkstrouw en bekent hem dat ze haar schaduw heeft verkocht en haar ongeboren kinderen al bij voorbaat prijsgegeven. De broers steken op Baraks wenk een vuur aan, en als de verver zijn vrouw ziet, schreeuwt hij het uit, waarna ook zijn broers het uitschreeuwen: heksachtig, zonder schaduw staat daar voor aller ogen de jonge vrouw bij het vuur. De voedster begint te jubelen: het verbond is door woord en wil vervuld. De een heeft haar schaduw prijsgegeven, nu mag de ander deze naar zich toe halen. In een vreeswekkend, beslissend moment vermant Barak zich echter zoals hij dat nooit eerder deed: zijn mond, waaruit nimmer enig kwaad woord kwam, doemt de vrouw ten dode. Uit de lucht valt hem een blinkend zwaard in de hand: hebben de ongeborenen dit naar beneden geworpen, zodat hun vader gewapenderhand de boze moeder, die hun de levensdeur wil grendelen, te lijf kan gaan? De voedster beseft dat er hogere machten in het geding zijn waartegen haar satanische sluwheid niet is opgewassen. De keizerin reikt niet naar de schaduw maar naar de sterren, opdat zij haar handen niet met mensenbloed zal bezoedelen. De verversvrouw werpt zich echter aan Baraks voeten neer en verootmoedigt zich en stelt haar man als rechter over zich aan. Verstrengelde lotsbeschikkingen, ijzingwekkend tegen elkaar in gaande stemmen worden in een klap weggevaagd: de aarde splijt open en verzwelgt de man en zijn vrouw, het ververshuis stort ineen, het gekerm van de broers vult de duisternis, een rivier komt naar binnen stromen, en nadat ze haar mantel om de feeëndochter heen heeft geslagen, legt de voedster haar in een bootje, dat als bij toverslag ter plekke is.

Derde bedrijf[bewerken]

Inmiddels bevinden de vier beproefden zich in het geestenrijk, maar de laatste, grootste beproeving moet nog komen. Voor de tempelingang, die naar het binnenste van de berg voert, landt het bootje, waarin de keizerin ligt te sluimeren, de voedster aan haar zijde. Bazuinen schallen, als gold het een oproep tot het gericht. De keizerin wordt wakker en loopt de tempeltrap op. Ze weet: het bazuingeschal is voor haar bestemd.

In een verder naar onderen gelegen kerker zitten de verver en diens vrouw, door een muur van elkaar gescheiden en onkundig van elkaars nabijheid. Een geestenstem maant hem en haar aan naar boven te gaan. Beiden begeven zich naar het lager gelegen gebied, nog steeds onkundig van elkaars nabijheid, maar met verlangen aan de ander denkend: hij vergevingsgezind en al weer vol liefde voor haar, zij deemoedig en voor het eerst van lief de voor hem vervuld. Als ze, op zoek naar elkaar, bij de gesloten tempeldeur aankomen, treffen ze daar de voedster aan. De geestenbode verspert haar de toegang. In machteloze woede verzet ze zich; de beide mensen, wier aanblik haar nu eens te meer met haat vervult, brengt ze ieder op een dwaalspoor, zodat ze, links en rechts rond de tempel dwalend, elkaar tevergeefs blijven zoeken. Klaaglijk roepen zij elkaar, hun smachtende roep dringt tot het binnenste van de tempel door, tot waar de keizerin wacht op het gericht. Maar wie zit op de rechterstoel? Is het de geestenkoning, haar strenge vader? Een doek onttrekt de gestalte aan het oog. De moedige toespraak van de keizerin blijft onbeantwoord, alleen de stemmen van de elkaar zoekende ververslieden zijn hoorbaar, alleen een gouden fontein spuit lichtend op: het levenswater. 'Drink,' roept een stem van boven, 'drink en de schaduw van de vrouw zal de jouwe zijn.' Angstig gaan de stemmen van de gescheidenen tegen elkaar in. De keizerin hoort hen en doet een stap achteruit, zonder haar lippen naar het gouden water te neigen. Maar ze wil zien wie het is die haar zal vonnissen; ze wenst haar vonnis; ze wil haar straf, ze wil haar plaats in de mensen wereld toegewezen krijgen. De fontein verdwijnt, de doek wordt doorzichtig. Op een stenen troon zit de keizer, hij is bewegingloos en versteend, alleen zijn ogen lijken te leven; angstig is zijn blik op haar gericht. Dof dreunend, alsof ze uit een diepe afgrond komen,herhalen onaardse stemmen de noodlotstijding: 'De vrouw werpt geen schaduw,de keizer moet verstenen!' Het standbeeld wordt loodgrijs. Aan zijn voeten welt opnieuw het levenswater op. Paaiend klinkt het van boven: 'Zeg: ik wil! En de schaduw van die vrouw zal de jouwe zijn! En hij hier zal opstaan en tot leven komen en met je mee gaan!'

Vertwijfeld klinken opnieuw de stemmen van de gescheidenen: 'Wee ons, armen!' -'Heb erbarmen!' De keizerin is in gruwelijke tweestrijd, een nauw hoorbaar 'Ik -wil -niet!' ontsnapt ten langen leste aan haar lippen. Hiermee heeft zij gezegevierd, zoals de moeder die voor Salomo's rechterstoel stond en, zichzelf overwinnend, de andere vrouw het levende kind wilde afstaan. Ze heeft overwonnen ten bate van zichzelf, ten bate van hem die zonder haar zelfoverwinning om harentwille versteend zou zijn gebleven, en ook ten bate van die beide mensen, die gelouterd moesten worden om zich van hun armzalig lot te kunnen bevrijden. Een scherpe schaduw valt dwars over de tempelvloer. De keizer staat op en wil de trap afdalen. Juichend klinken de stemmen der ongeboren kinderen. Vol vreugde kruisen alle stemmen elkaar: het ene paar zingt jubelend naar beneden, naar de aardse wereld, het andere paar, dat samen omhoog gaat, zingt jubelend naar boven; eendrachtig zet een onzichtbaar koor in, terwijl de tempel plaats maakt voor een schitterend landschap, met aan de overzijde van een kloof de mensenwereld -een doek valt en ijl klinken de laatste strofen van de ongeboren kinderen, die de benauwenis van het drama opheffen:

Vader, niets bedreigt je,

zie ze wijkt al,

moeder de verschrikking

die jullie misleidde.

Was er ooit een feest,

waarbij wij niet heimelijk

de genodigden

alsook de gastheren waren?!

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Programmaboek 1992 DNO ISBN 90-5082-049-2 2001
  • Grove Dictionary of Opera
  • Leo Riemens Groot Opera Boek