Dien Avond en die Rooze

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dien Avond en die Rooze is een gedicht van Guido Gezelle. Hij heeft dit op 1 november 1858 geschreven voor zijn toen 18-jarige leerling Eugène Van Oye die voor Gezelle een roos had meegebracht.[1]

Tekst[bewerken]

DIEN AVOND EN DIE ROOZE

‘k Heb menig menig uur bij u
gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
me een enklen stond verdroten.
‘k Heb menig menig blom voor u
gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
er honing uit gedronken;
maar nooit een uur zo lief met u,
zoo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zoo droef om u,
wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u,
en mocht de mijne wezen!
Ofschoon, zoo wel voor mij als u,
- wie zal dit kwaad genezen? -
een uur bij mij, een uur bij u
niet lang een uur mag wezen;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
zoo lief en uitgelezen,
die rooze, al was ‘t een roos van u,
niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
‘t en ware ik ‘t al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden: u
dien avond - en - die rooze!

Verklaring[bewerken]

Enkele woorden in dit gedicht zijn geen standaardnederlands of zijn minder gebruikelijk.

  • verdroten : verdriet gedaan
  • koste: kon
  • moste : moest
  • van: door
  • ware ... verloze: zou verliezen
  • (uit)gelezen: (uit)gekozen

De tweeledige opbouw[bewerken]

Het gedicht is de hele tijd een tweeledigheid, waarvan de 2 delen elkaar aanvullen:

  • De titel: 2 begrippen die de kerngedachten van het gedicht vormen en die in de loop van het gedicht evolueren:
    • Dien Avond (= het uur, de tijd):
      • Deel 1 (vers 1-3): de ogenblikken van vriendschappelijk bijeenzijn in het verleden.
      • Deel 2 (vers 9-19): het bijeenzijn op die bewuste avond.
      • Deel 3 (vers 23-24): de herinnering aan deze avond later, in de toekomst.
    • Die Rooze (= de bloem):
      • Deel 1 (vers 5): de rooze staat voor de gedichten van Gezelle voor Van Oye en omgekeerd.
      • Deel 2 (vers 17): de meegebrachte roos is de laatste van de zomer (door Van Oye aan Gezelle geschonken).
      • Deel 3 (vers 27-28): de vriendschap waarvan de roos het symbool was.
  • Het thema is ook tweeledig: vriendschap en misschien liefde heeft 2 partijen nodig.
  • De structuur: het gedicht is opgebouwd uit 2 identieke delen:
    • Deel 1: vers 1-16
    • Deel 2: vers 17-32
  • Het rijmschema: mannelijk en vrouwelijk rijm worden voortdurend afgewisseld (mannelijk in de onpare verzen, vrouwelijk in de pare verzen). Alle onpare verzen eindigen op 'u'. Het rijmschema is als volgt: abab acac adad aeae afaf afaf afaf agag (gekruist rijm).
  • De stijl: er komen veel dubbelvormen en parallellismen voor (cfr. tweeledigheid). Ook de herhaling (bijvoorbeeld 'menig' en 'met u') wordt aangewend, maar zonder daardoor een storend element te zijn.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Guido Gezelle, Uigeverij Het Spectrum, Utrecht, Antwerpen. Samenstelling inleiding en notities van E. J. M. Laudy-Arnolds