Dionysia

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Dionysia (Oud-Grieks: Τα Διονύσια) is de algemene benaming voor de Oud-Griekse feestelijkheden ter ere van de god Dionysos. Dionysos is zeker een van de belangrijkste goden in de Griekse wereld. Ter ere van hem werden er verschillende feesten gehouden. Soms worden deze feesten algemeen onder de noemer ‘Dionysia’ geplaatst, maar eigenlijk beslaat de term slechts 2 specifieke feesten:

  • De kleine of landelijke Dionysia (Τα κατ'άγρους Διονύσια)
  • De grote of stedelijke Dionysia (Τα μεγάλα of εν άστεϊ Διονύσια)

Als zoon van Zeus en de stervelinge Semelè werd Dionysus vereerd als god van de wijn en van de groeikracht van de natuur. Dionysos (Bacchus) is echter oorspronkelijk een Aziatische godheid die de overzeese tocht naar Griekenland gemaakt had. Dit werd weerspiegeld in de tweede dag van de Anthestéria, de Choés, waar een standbeeld van Dionysos op een bootvormige praalwagen door de stad werd vervoerd. Hij maakte echter een zo sterke intrede in de Griekse godsdienst dat hij zijn individualiteit en herkenbaarheid behoudt. Tevens leefde hij nooit op de Olympus, maar reisde de wereld af met de saters en met zijn Bacchanten. Deze Bacchanten of Maenaden (van het Grieks mainas = razend) hadden de reputatie opvliegend te zijn en zich hullend in hertenhuiden hun god al dansend en zingend te eren. Velen wilden graag geloven dat ze in de bossen orgieën hielden met wijn en halfnaakte vrouwen. Er zijn echter ook rustige verhalen gekend waarbij vrouwen wilde dieren temmen met hun lofliederen.

Landelijke Dionysia[bewerken]

De Rurale Dionysia werden vroeger de Theoinia genoemd, waarin de clanleden hun offers aan de godheid deden, aangezien Dionysos vroeger Theoinos werd genoemd. De landelijke Dionysia gingen officieel uit van de Archont-Eponym en werden gevierd in de maand Poseidéon, wat valt in onze maanden december en januari. Maar volgens een passage in de Politeia van Plato zouden de landelijke Dionysia op regelmatige tijdstippen in het gehele jaar plaatsvinden, en zouden er dus meer Landelijke Dionysia plaatsvinden. Er wordt echter algemeen van uitgegaan dat de Landelijke Dionysia in Poseidéon plaatsvonden. Dit feest zou ook aan de oorsprong gelegen hebben van de befaamde Lenaia, of op zijn minst een sterk verband tussen beiden, en van de Grote Dionysia.

Het feest was alom verspreid en werd in zowat elke dème gevierd. Het was tevens een open feest waar ook slaven aan mochten deelnemen en er werden verschillende attracties/wedstrijden voorzien, voornamelijk de Akoliasmos was populair. Dit is het rondhuppelen op één voet op een ingevette bal, waar er uiteraard veel mensen van afgleden wat voor de nodige hilariteit zorgde. De winnaars kregen een zak gevuld met wijn. De Akoliasmos zou ook door de landelijke jeugd ook worden gehuldigd in de dorpen. Daarnaast waren er nog luidruchtige parades van vermomde personen. Er was ook een processie waarbij een fallus werd meegedragen. Een fallus is het primitief symbool voor de bevordering van het leven en de vruchtbaarheid. De processie diende waarschijnlijk om de vruchtbaarheid van de gezinnen, de landen en de tuinen te stimuleren. In de teksten wordt er echter niet vermeld dat het zou kunnen gaan om de hoop op een goede wijnoogst uit te drukken. In het museum van Florence bevindt zich een Attische zwartkleurige vaas die de landelijke Dionysia afbeeldt en waarop een afgod in de vorm van een fallus op elke zijde van de vaas is aangebracht.

De Dionysia vormden een kapitale bron van inspiratie voor de antieke komedie. Onder andere Aristophanes haalde er inspiratie uit om zijn bekende Acharniens te schrijven en daarmee won op de Lenaia, een feest dat bekendstond om zijn wedstrijd waarbij theaterstukken werden voorgedragen.

De Stedelijke Dionysia[bewerken]

De Stedelijke Dionysia ( ook wel de Grote Dionysia of gewoon Dionysia genaamd) is het jongste Attische feest ter ere van Dionysos, gehouden in Athene zelf. Het feest duurde 6 dagen, van de 10e tot en met de 15e Elophébolion( valt in onze maanden maart - april). De Grote Dionysia, die zich logischerwijze in de stad afspeelde, was erg grotesk en op de Grote Panathenaeën na de magnifiekste van alle Attische feesten. De ceremonie opende met een weelderige stoet waar men een oud houten beeld van Dionysos meedroeg. Op kop liep de archont-eponym en het corps van gewapende epheben (jonge mannen), die een escorte voor het standbeeld vormden. Daarachter kwamen de jonge kanephoren ( offermeisjes) die symbolisch de eerste vruchten met zich meedroegen. Hoe het offeren van deze vruchten verliep en om welke het precies gaan wordt niet vermeld. Ook zou men geit offeren. De straf van de godheid, nadat de burgers in een dronken bui een priester van Dionysos hadden vermoord, was oorspronkelijk het offeren van een jongetje, maar werd later verzacht naar het offeren van een geit. Een belangrijke rol in deze processie is weggelegd voor de koorleiders en de koorzangers, die de gelegenheid kregen om hun dramavoorstelling op te voeren, maar veruit het spectaculairste waren “de stierendefilés”. Deze gingen werden door de staat, de klerouchies, de geallieerden en de rijke particulieren aangeboden. Er wordt hier eveneens niet op in gegaan waarom ze dit deden maar we kunnen veronderstellen dat dit een verplichting was van de staat, die de belangrijke festivals durft aan te wenden om haar gezag en rijkdom te profileren (cfr. Infra). Daarna werden de dieren geslacht en neemt iedereen deel aan de banketten die tot ’s avonds laat duurden, dan namen de éphèben hun fakkels op vervoerden het standbeeld naar het theater en installeerden ze het in het midden van het orkest. Op de 2e en 3e dag van het feest zongen de jongens en de mannen de Dithyrambes, dit waren (overdreven) lofliederen om Dionysos te eren. Deze Dithyramben begeleidden het offer van de stier en enigszins logisch werd de leider van de zegevierende Dithyrambische chorus beloond met een stier. en na de zonsondergang op 12 Elophébolion ontplooide zich de grote komos waarin de fallische processie een grote rol speelde. Er is ook een Atheense lecythe gekend waarop men zwarte figuren ziet, die rond en standbeeld een dans uitvoeren op maat van de muziek van grote citer. Er ontstaan echter problemen bij de poging om dit te plaatsen.

Belangrijk om te vermelden is dat de Grote Dionysia een belangrijke politiek-diplomatieke rol speelde. Zoals vermeld is de Stadsdionysia een veel jonger feest dan de andere en toch heeft ze erg sterke invloed. De wil om zo een feest op te richten is een aanwijzing dat de Dionysia een groot gewicht in de schaal legde. Peisistratos richtte de Stedelijke Dionysia op in het midden van de 6e eeuw v.C. en het nieuw opgerichte feest diende in de eerste plaats om patriottistische gevoelens op te wekken en om de macht van de stad Athene ten toon te spreidden. Ten tweede werd de rijkdom van de stad getoond. Zo werd voor dat de theatervoorstellingen begonnen de overschot van de schatkist, talent per talent, getoond aan de aanwezigen en vooral aan de klerouchies en bondgenoten. Bijkomend is dat deze laatsten ook gebruik maakten van de Dionysia om hun tributen af te betalen. Aangezien de taxatieperiode liep van panathenae tot de volgende panathenae , kan je denk ik niet spreken van een verplichting om op de Dionysia de belasting te betaling, hoewel er misschien een grote druk van uitging van de Atheners die dat zo perfect in hun propaganda konden plaatsen, nl. de grootsheid van de stad en de afhankelijkheid van haar bondgenoten en haar onderdanen.

Dionysoscultus en het Theater[bewerken]

Historische reconstructie van het Dionysustheater in de Romeinse tijd.

In beide Dionysia speelde het Theater een belangrijke rol. Het was het moment om tragedies en dergelijke voor te dragen, dit uiteraard in competitieverband. Simon stelt zelf dat uit de Dionysoscultus zich de drie dramasoorten hebben ontwikkeld: de Tragedie, het Satirespel en de Komedie. Otto stelt zich echter de vraag hoe het komt dat de tragedie van de Dionysoscultus zo belangrijk werd, want eigenlijk was zij niet zo verschillend. De oorzaak zoekt hij in de directheid van de voorstelling en het plotseling opsteken van de epos en de koorzangen, die voor een grandioze sfeer zorgden.

Lijst met notable winnaars van de Stedelijke Dionysia.[bewerken]

Tragedie[bewerken]

Komedie[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • ACKER C., Dionysos en transe: la voix des femmes, Paris, L’Harmattan, 2002, 384p.
  • BULLE H., FLETCHER E. & HERBIG R., Das Dionysos-Theater in Athen. Die Ruine. Die Skulpturen von Bühnenhaus. Einzelheiten und Baugeschichte., Stuutgart, W. Kohlhammer, 1963, 4e druk, 3 bdn.
  • BURKHARDT J., Griechische Kulturgeschichte, Stuttgart, Alfred Kröner verlag Stuttgart, 1952, 3 banden.
  • RUCK C. A. P., IG II 2323: The List of the Victors in Comedies at the Dionysia, Leiden: E.J. Brill, 1967.
  • CASPO E. & MILLER M.C. (ed.), The origins of theater in Ancient Greece and beyond: from ritual to drama, Cambridge, Cambridge university press, 2007, 440p., ill.
  • DEUBNER L., Attische Feste, Berlin, Verlag Heinrich Keller, 1932, 277p., ill.
  • FARNELL L.R., The Cults of the Greek states., Oxford, Oxford at the Clarendon Press, 1909, Vol. V, chapter VI en chapter VII, pp. 240 – 287.
  • FEGUSTIÈRE A.J., Etudes de Religion Grecque et Hellinistique., Paris, Libraire Philosophique, J-Vrin,6, Place de la Sorbonne, Ve, 1927, 301p.
  • HABERT O., La Religion de la Grèce Antique, Paris, P. Letheileux, libraire-éditeur, 1952, 592p.
  • JEANMAIRE H., Dionysos. Histoire du culte de Bacchus, Paris, Payot, 1951, 509p.
  • KEREYNI C., MANHEIM R.( translated from the German), Dionysos. Archetypal Image of Indestructible Life., Princeton (N.J.), Princeton university press, 1976, 474p.
  • LEINIEKS V., The City of Dionysos: A study of Euripides’ Bakchai, Stuttgart, Teubner, 1996, 407p.
  • MARTIN R. & METZGER H., La Religion Grecque, Paris, Presses Universitaires de France, 1976, 8°, 208p.
  • MILLS A., Klassieke Mythologie. Mythen en Legenden van het Oude Griekenland en Rome, speciale niet uitgegeven editie Knack 2008,pp. 85–90
  • NILLSON M.P., Cults, Myths, Oracles, and Politics in Ancient Greece, Lund, C.W.K. Gleerhup, 1951, 179p.
  • NILSSON M.P, FIELDEN F.J (Translated from the Swedish), Sir Frazer J.G. (Preface), A History of Greek Religion, Oxford, Oxford at the Clarendon Press, 1925, Hoofdstuk VII pp. 224 – 262
  • NILSSON M.P., Greek popular Religion, New York, Columbia University Press, 1948, 166p.
  • OTTO W.F., Dionysos, Mythos und Kultos., Frankfurt, Klostermand Frankfurt A.M., 1933, 196p.
  • PARKE H.W., Festivals of the Athenians, London, Thames and Hudson, 1977, 208 p., ill.
  • PARKER R., Athenian Religion, a History, Oxford, Oxford at the Clarendon Press, 1996, 370p.
  • PRICE S., Religions of the Ancient Greeks, Cambridge, Cambridge University Press, 1999, 217p.
  • ROHDE E., Psyche. Seelencult und Unsterblichkeitsglaube der Griechen, Tübingen, J.C.B. Mohr (Paul Siebeck), 1910, 449p.
  • SEAFORD R., Dionysos, London, Routledge, 2006, 158p. ill.
  • SÉCHAN L., LÉVÊQUE P., Les Grandes Divinités de la Grèce, , Paris, éditons E. de Boccard, 1966, Hoofdstuk XV: Dionysos, pp. 285 – 303.
  • SIMON E., Das Antike Theater, Heidelber, F.H. Kerle Verlag, 1972, 70p., ill.
  • SIMON E., Opfernde Götter, Berlin, Mann, 1953, 138p., ill.
  • WILSON P., The Greek Theater & festivals: documentary studies, Oxford, Oxford University Press, 2007, 431p., ill.
  • WINKLER J.J. & ZEITLIN F.I., Nothing to do with Dionysos? Athenian drama in its social context., Princeton (N.J.), Princeton University press, 1990, 405p., 23 ill.