Diponegoro

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Diponegoro

Diponegoro (ook wel Dipo Negoro of Dipånegårå genoemd), geboren als Raden Mas Ontowiryo (Jogjakarta, 11 november 1785 - Makassar, 8 januari 1855) was de leider van de opstand gedurende de Java-oorlog.

Inleiding[bewerken]

Diponegoro werd geboren als onwettige zoon van sultan Hamengkoeboewono III (Rodjo) en oudere broer van diens opvolger Hamengkoeboewono IV (Djarar). Hoewel het in de Vorstenlanden niet vreemd was dat onechte zonen hun vader opvolgden werd Diponegoro de weg tot de troon afgesneden door zijn oudere broers; toch beschouwde hij de sultanszetel als hem van rechtswege toekomend.

Zijn ergernis en wrevel daarover werden nog groter toen een jongere broer die hij minachtte om diens Hollandse gezindheid op de troon kwam. Diponegoro haatte de Europese overheersing. Hij trachtte meermalen de sultan in zijn haat te doen delen en probeerde hem op te stoken om alle blanken uit het land te verdrijven. Sultan Djarar, een vredelievend man, wilde daar niets van horen. De verstandhouding werd steeds minder en Diponegoro begon het hof en de omgang met Europeanen steeds meer te vermijden.

Op 6 december 1822 overleed de 21-jarige vorst sultan Hamengkoeboewono IV plotseling na het eten van een bepaald gerecht. Diponegoro werd ervan verdacht zijn broer te hebben vergiftigd. Hij zou later, na zijn gevangenneming, verklaren dat de rijksbestuurder Danoe Redjp de sultan vergiftigd had. Terwijl aan het hof iedereen treurde om de dood van de vorst was de houding van Negoro daarmee geheel in tegenspraak.

De overleden sultan liet twee wettige zonen na; de oudste, Menol, op 25 januari 1820 geboren, werd zijn vaders opvolger onder de naam Hamengkoeboewono V. De voogdij werd opgedragen aan twee regenten: pangeran Mangkoe Boemi, de grootmoeder van de sultan, en Diponegoro.

Aanvang van de opstand[bewerken]

Het was voornamelijk de kwestie van landverhuringen die Diponegoro de aanleiding gaf om zijn opstandige plannen uit te voeren. Bij besluit van 6 mei 1823 werden deze landverhuringen ingetrokken en daardoor alle contracten vernietigd. Die intrekking gaf al spoedig aanleiding tot verschil van mening tussen de voogden van de sultan en resident A.H. Smissaert. De laatste eiste een aanzienlijke schadeloosstelling voor het voortijdig verbreken van de contracten. Kort daarop kwam Smissaert met nieuwe vorderingen voor de landen Rodjo Winaugan en Djumegattan. De voogden waren verontwaardigd, vooral ook omdat de resident hun bezwaren op vernederende en gebiedende toon van de hand wees. Over het bestuur van Smissaert lieten zijn tijdgenoten zich zeer negatief uit; hij verliet zelden zijn landhuis te Bedôjô en liet de bestuurszaken geheel over aan zijn secretaris.

Sentot, opperbevelhebber der rebellen.

Diponegoro liet intussen op zijn landgoed te Tegal Redjo een tempel bouwen en bezocht, onder het voorwendsel van gebeden te doen, de naburige heilige grotten, spelonken en familiegraven. Krachtige steun en hulp vond hij bij de Mohammedaanse priester Kiai Medjo. Met hulp van deze geestelijke, die veel invloed had, werd de opstand voorbereid. Intussen deed Diponegoro zich voor als heilige; behalve op donderdagavond zat hij dag en nacht in zijn tempel of in de heilige grotten hardop uit de Koran te bidden en vervolgens nam hij dan de geschiedenis van de Mataramse vorsten ter hand. Volgens dr. J. Brandes, in zijn werk Iets over een oudere Dipaněgara in verband met een prototype van de voorspellingen van Jayabaya bleek uit de Javaanse kronieken (babads) dat het Erukra-geloof der Javanen, dat wil zeggen het geloof aan een toekomstige messias, al lang voor het optreden van Diponegoro bekend moet zijn geweest.

Van deze omstandigheid maakte Diponegoro gebruik om zich uit te geven voor de ware Messias. Ondertussen nam de verbittering der voogden over het verwaarloosde plaatselijke Europese bestuur meer en meer toe. Zo zeer zelfs dat men bij feestelijke gelegenheden alle decorum achterwege liet. De resident bleef echter doof voor alle signalen. Ongestoord bereidde Diponegoro zijn plannen voor en zijn aanhang werd steeds groter. De markten verliepen en elke Javaan was inmiddels gewapend. In korte tijd beschikte hij over een leger van 20.000 strijders, waarvan 500 man tot een staand leger gevormd werden; de overigen zouden voorlopig als guerrilla's optreden. Deze oorlog werd door Kiai Medjo en zijn priesters als een door de profeet geboden heilige oorlog (prang sabil) uitgeroepen. Bijna alle prinsen en een groot deel van de bevolking schaarden zich om de nieuwe messias. Teneinde de oorlog een godsdienstig karakter te geven werd de Arabische klederdracht ingevoerd en werden de Javaanse titels door Ottomaanse of Arabische vervangen. De troepen werden in 14 regimenten verdeeld, ieder met eigen vaandel en uniform. Tot oppermaarschalk werd Prawirdjo Dirdjo (ook wel Sentot genoemd) uitgeroepen.

De opstand[bewerken]

Aankomst van Diponegoro te Magelang.

Op de 25ste juli 1825 ontving Z.E. de gouverneur-generaal Godert van der Capellen het bericht van de opstand; de tijding trof hem als een donderslag bij heldere hemel want nooit had resident Smissaert van enige gebeurtenis melding gemaakt; in geen enkel rapport had hij enige vrees voor ordeverstoring aan de dag gelegd; de tijding was daarom zo ernstig omdat het grootste deel van de Nederlandse strijdkrachten ter demping van onlusten op Celebes (zie de Tweede Boni-expeditie), op Borneo (zie de Expeditie naar de westkust van Borneo) en te Sumatra (zie de Tweede Padri-oorlog) verspreid was. Pas op 3 augustus 1826 werd bij Koninklijk Besluit de minister van Marine en Koloniën bevolen alle beschikkingen te treffen om iedere maand 300 man aanvullingstroepen naar de koloniën te kunnen zenden en op de 26ste oktober 1826 werd wederom bij Koninklijk Besluit last gegeven een expeditionaire afdeling te doen samenstellen, die nog in de maand december naar Indië zou gaan; pas tegen eind mei 1827 landden de troepen, ongeveer 3.000 man, onder kolonel Vermersch te Java (zie verder tweede deel van de Java-oorlog).

Diponegoro liet de vrouwen en kinderen van zijn hoofden naar het Klier-gebergte brengen als gijzelaars voor de trouw van die hoofden. Tegen het einde van 1827 had generaal Hendrik Merkus de Kock te beschikken over een macht van ongeveer 30.000 strijders; naarmate het gebied der opstand kleiner werd verliet het ene na het andere hoofd Diponegoro en onderwierp de bevolking zich. In augustus 1829 waren de legioenen van Diponegoro nagenoeg ontbonden en hield hij zich nog met enkele benden in het gebergte schuil; hij werd nu van de ene schuilplaats naar de andere opgejaagd maar wist telkens te ontkomen hoewel hij uitgehongerd, gewond, door zware koortsen verteerd en uitgeput was.

De overgave van Diponegoro[bewerken]

Gevecht bij Ploentaran.

In de morgen van 9 februari 1830 meldden zich bij kolonel Cleerens te Sukko twee afgezanten van Diponegoro, namelijk Mas Penghoeloe (hogepriester), Peke Ibrahim en Hadji (priester) Badar Oedin. Zij verklaarden dat Diponegoro een bijeenkomst voor wilde stellen te Romo Kawal, waar hij zich bevond, en van waaruit hij door de hoofdofficier begeleid wilde worden om zijn verlangen aan de opperbevelhebber kenbaar te maken. Verder was het de wens van Diponegoro om ongestoord te Kedjawang te vertoeven totdat de generaal geantwoord zou hebben. Cleerens antwoordde dat hij op eigen verantwoordelijkheid het verzoek zou inwilligen mits Diponegoro beloofde gedurende het verblijf te Kedjawang geen pogingen meer aan te wenden om zijn gevolg te vermeerderen. Diponegoro nam deze voorwaarden aan, en wist dus, dat hij pas na zijn onderwerping de edelmoedigheid van de regering mocht inroepen. Op de 16de februari had te Remo Kawal de gevraagde ontmoeting plaats en werd hij naar Kedjawang geleid. In strijd met de gemaakte afspraak kwam hij vergezeld door 450 man, meest gewapende dessa-bewoners. Op voorstel van kolonel Cleerens vestigde Diponegoro zich op de 21ste februari te Minoreh om hier het antwoord van de opperbevelhebber af te wachten; hier aangekomen was zijn aanhang al tot 700 man gegroeid. Later bleek dat al 5 dagen voor de komst van de afgezanten te Sokko, Diponegoro's gewezen opperveldmaarschalk, Sentot, van hem het bericht had ontvangen dat hij voornemens was zich te onderwerpen en slechts op het antwoord van generaal de Kock wachtte om te weten hoe hij ontvangen zou worden. Kolonel Kleerens liet hij onkundig van dit schrijven aan de generaal. Diponegoro bleef te Minoreh en getuige dat hij zich als onderworpen beschouwde bleek uit zijn verzoek om bijstand; hij vroeg onder meer een voorschot van 10.000 gulden op een traktement dat hem zou worden toegekend en kleding voor zijn manschappen.

Meer en meer kwam kolonel Cleerens tot de overtuiging dat Diponegoro niet te goeder trouw handelde. Hij bleef voortgaan met zijn aanhang te vermeerderen; die vermeerdering was toe te schrijven aan de beweging van zendelingen, die in alle richtingen waren uitgezonden. Enige van hen werden gearresteerd en van hen vernam men dat Diponegoro zich nog steeds sultan bleef noemen en voortging hoge titels te verlenen. Het bleek nu dat hij zich slechts onderworpen had om in de gelegenheid te zijn zijn krachten te herstellen en door een grote aanhang om zich heen te verzamelen en hoge eisen te stellen zijn macht probeerde te herstellen; daarnaast bleef hij met allerlei excuses het tekenen van de overgave op schrift uitstellen. Op de 28ste was generaal de Kock te Magelang teruggekeerd en gereed Diponegoro te ontvangen. In de vroege morgen van 8 maart vertrok Diponegoro, geëscorteerd door een detachement van de 7de colonne, onder kapitein Gennet naar Magelang, alwaar hij om 12 uur aankwam en door generaal de Kock met veel statie ontvangen werd. Teneinde van de goedgezindheid van de Nederlanders blijk te geven werden zijn familieleden in vrijheid gelaten en liet men Diponegoro zelf voorlopig met rust. De resident, majoor de Stuers en vele officieren brachten hem meermalen een bezoek, terwijl zijn gewezen hoofden en andere personen van rang dagelijks tot zijn tent werden toegelaten. Daags na aankomst werd hem door de regering een prachtig rijpaard ten geschenke gegeven en later kreeg hij twee paarden terug die door de Nederlandse troepen waren buitgemaakt. Behalve een rijk ameublement en kleding voor zijn gevolg werden hem 5.000 gulden in de hand gesteld en later kreeg hij weer een soortgelijk bedrag.

Overgave van Diponegoro.

Evenwel beschouwde Diponegoro de toegevendheid van de generaal en de mildheid van de regering als een uitvloeisel van vrees; naarmate zijn aanhang vermeerdere nam zijn arrogantie toe; er kwamen berichten binnen dat Diponegoro het sultanaat over Zuidelijk Java wilde hebben. De bewijzen van het verraad van Diponegoro namen steeds toe en de generaal werd genoodzaakt tot voorzorgsmaatregelen. Op de 27ste maart waren de Vasten geëindigd en kwamen de vorsten bij de generaal hun opwachting maken maar meldde Diponegoro dat hij door ziekte verhinderd was. Omdat de ziekte slechts voorgewend was besloot de generaal aan de zaak een einde te maken en nodigde Diponegoro uit de volgende morgen om acht uut te komen; de opperbevelhebber had inmiddels voorzorgen genomen en bewaking ingesteld; Diponegoro verklaarde bij zijn bezoek dat hij slechts gekomen was om volgens de adat de opperbevelhebber een bezoek te brengen maar niet voorbereid was tot het voordragen van zijn belangen. Generaal de Kock gaf aan met dit antwoord geen genoegen te nemen; Diponegoro weigerde hardnekkig zijn verlangens kenbaar te maken, beklaagde zich over de behandeling hem aangedaan en verzocht naar het gebergte te mogen terugkeren; na overleg met zijn hoofden verzocht Diponegoro als hoofd van de Islamitische godsdienst op Java erkend te worden en de titel van sultan te mogen voeren, zonder aan een bepaalde standplaats gebonden te zijn. De Kock verklaarde dat dit niet kon worden toegestaan omdat het Nederlandse gouvernement bescherming verzekerd had aan de wettige vorsten van Djokjakarta en Soerakarta, waarvan laatstgenoemde het oppergezag over de Mohammedaanse godsdienst had.

De ongehoorde en aanmatigende eisen van Diponegoro wekten de ergernis van generaal De Kock en deze sprak Diponegoro toe: Gij hebt beloofd en op de Koran gezworen uw wettige vorst getrouw te blijven en te beschermen, maar in plaats van uw eed gestand te doen hebt u het land in oproer gebracht om zelf de macht te bekleden. U verdient geen medelijden meer en hebt door uw heerszuchtige bedoelingen andermaal het vertrouwen verloren. Ik mag niet gedogen dat gij wederom onheil en verwoesting aanricht en, om u buiten de mogelijkheid te stellen kwaad te stichten, ben ik verplicht u als gevangene naar Batavia te zenden. Vervolgens werd Diponegoro gevangengenomen en in de morgen van 28 maart 1830 weggevoerd; hij werd op last van de regering naar Menado verbannen, later overgeplaatst naar Makassar, waar hij in Fort Rotterdam op de 8ste januari 1855 overleed.

Hij is in 1973 benoemd tot Held van Indonesië.

De kroniek van Diponegoro[bewerken]

Een zogenaamde autobiografische kroniek, daterend uit de periode van zijn ballingschap in Noord-Celebes, is waarschijnlijk niet van zijn eigen hand. Het is dus geen echte autobiografie en geen egodocument. De figuur van Diponegoro wordt in deze zogenaamde autobiografie tot bovenmenselijke proporties verheven en de tekst heeft een morele en didactische functie. Het doel van het geschrift is Diponegoro's motieven voor de Javaanse lezer aannemelijk en aanvaardbaar te maken. Een tweede element is onderwijzing; wat te doen en te laten om de Europeanen te weerstaan.

Diponegoro schreef dat Daendels wel veel wilde veranderen in de Javaans-Nederlandse verhouding maar dat de Gouverneur-generaal betrekkelijk machteloos stond tegenover een goed georganiseerd Yogyarijk. Met de Engelsman Raffles ontstond een incident omtrent de etiquette; De sultan hoort op de hoogste plaats te zitten en niet gelijk met de Engelsman. Uiteindelijk won de sultan en Raffles wordt omschreven als een ruw en onbehouwen figuur. De teksten zijn zo geschreven dat gebeurtenissen altijd in het voordeel van de sultan en het Javaanse hof zijn uit te leggen.

Het morele verval dat de Nederlandse ambtenaren veroorzaakten werd gara-gara genoemd (het verstoren van het kosmisch evenwicht). De kroniek van Diponegoro schrijft ook over de eerste jaren na 1816. De Engelsen werden toen vervangen door de Hollanders. De resident van Jogjakarta, Huibert Gerard Nahuys van Burgst, hield er veel van om te eten en te drinken en hij probeerde de Javanen Nederlandse gewoonten aan te leren. Zelfs jeugdige bloedverwanten van de vorst waren onder zijn gasten te vinden en ook zij stoorden zich daar niet aan de Javaanse regels van fatsoen en de godsdienstige verboden.

Diponegoro was volgens de biografie de enige die met zijn bovennatuurlijke krachten het evenwicht (gara-gara) uiteindelijk weer kon herstellen. Tijdens verscheidene meditaties had Diponegoro volgens de biografie directe ontmoetingen met bovenaardse personages, die hem voorspellingen deden over zijn voorbeschikte rol. Op de berg Rasamuni ontmoette hij de hemelse rechtvaardige vorstin (Ratoe Adil). Hij kreeg op dezelfde wijze zijn islamitische koningstitels. De prins leerde dat er geen andere mogelijkheid was dan het gewapenderhand veroveren van Java.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • 1893. J.P. Schoemaker. De onderwerping en gevangenneming van Diponegoro, hoofd der opstandelingen in de Java-Oorlog, 1825-1830. Indisch Militair Tijdschrift. I. Bladzijden 407-424 en 473-491.
  • J.M.E. Worms (red.). Oriëntatiecursus cultuurwetenschappen. Java en de VOC (Open Universiteit, Heerlen 1992), ISBN 9035810325