Discipel (christendom)
Met discipelen worden in het christendom de door Jezus Christus uitgekozen volgelingen aangeduid, en in het bijzonder de intieme groep van twaalf.
Hun aantal doet denken aan de twaalf stammen van Israël, maar de discipelen zijn niet uit de verschillende stammen afkomstig, sommige waren zelfs broers van elkaar.
Hun namen worden genoemd in Matteüs 10:2-3, Markus 3:16-19, Lukas 6:14-17.
- Simon, Jezus noemde hem Petrus of Kefas, verreweg de meest vooraanstaande discipel
- Andreas (broer van Simon Petrus)
- Jakobus de Meerdere
- Johannes (Jakobus en Johannes zijn zoons van Zebedeüs; Jezus noemde hen Boanerges)
- Filippus
- Bartolomeüs
- Tomas
- Matteüs (ook wel Levi genoemd), de tollenaar
- Jakobus (zoon van Alfeüs)
- Judas Taddeüs (ook wel Judas Lebbeüs genoemd, broer van Jakobus de Mindere)
- Simon Kananeüs (met vaak als toevoeging "de Zeloot" of "de IJveraar")
- Judas Iskariot (de latere verrader van Jezus)
Judas Iskariot pleegde nadat hij Jezus had verraden zelfmoord. Na Jezus' hemelvaart kwam Mattias voor hem in de plaats. Mattias en de andere elf discipelen zijn later ook apostelen van Jezus geworden.
Lucas 10:1 spreekt ook nog van de uitzending van 70 volgelingen die meestal ook als discipelen worden bestempeld (en niet als apostelen).
Daarnaast wordt het begrip discipel in de Bijbel gebruikt om iedereen mee aan te duiden die een aanhanger is van (de leer van) Jezus. Het woord komt van het Latijnse discipulus en betekent pupil maar werd verder gebruikt voor volgeling/leerling.
| Apostelen |
|---|
|
Simon Petrus · Andreas · Jakobus de Meerdere · Johannes · Filippus · Bartolomeüs · Tomas · Matteüs of Levi · Jakobus (zoon van Alfeüs) · Judas Taddeüs · Simon de Zeloot · Judas Iskariot |