Dobroedzja

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De noordelijke Dobroedzja (donkergeel) en de zuidelijke (lichtgeel).
De Dobroedzja in 1918, etnografisch.
De Donaudelta
Landschap bij Silistra (Bulgarije)

De Dobroedzja (Roemeens: Dobrogea, Bulgaars: Добруджа; Dobroedzja, Turks: Dobruca) is een historische regio in Zuidoost-Europa, gelegen tussen de benedenloop van de Donau en de Zwarte Zee. De uiterste punten zijn de Donaudelta in het noorden en Kaap Kaliakra in het zuiden. Het grootste deel van het gebied ligt in Roemenië en is het enige deel van dat land dat geografisch tot het Balkanschiereiland behoort. Een kleiner deel is Bulgaars. De grootste stad is Constanța.

Het Roemeense deel, de noordelijke Dobroedzja, bestaat uit de districten Constanţa en Tulcea, heeft een oppervlakte van 15.500 km² en telt bijna 1 miljoen inwoners. Het Bulgaarse deel, de zuidelijke Dobroedzja (Roemeens: Cadrilater) bestaat uit de oblasten Dobritsj en Silistra, heeft een oppervlakte van 7565 km² en telt 350.000 inwoners.

Naar wordt aangenomen dankt de Dobroedzja haar naam, net als bijvoorbeeld het aangrenzende Bessarabië, aan een vroegere heerser over het gebied: Dobrotitsa zwaaide er in de 14de eeuw de scepter. Naar deze despoot is veel later ook de stad Dobritsj genoemd.

Geografie[bewerken]

Afgezien van de moerassige Donaudelta in het noordoosten en de kuststreek is de Dobroedzja heuvelachtig, met een gemiddelde hoogte van 200-300 meter. Het hoogste punt is de Țuțuiatu, in het Măcingebergte. Deze ligt in de Roemeense Dobroedzja, die grotendeels wordt ingenomen door het Dobroedzjaplateau. Het zuiden behoort grotendeels tot de heuvelachtige Loedogorie en is aan de kust eveneens vlak.

Geschiedenis[bewerken]

De latere Dobroedzja heette in de Romeinse tijd Scythia Minor. De oorspronkelijke bewoners van de Dobroedzja waren Daciërs en Kelten, maar zij werden verdrukt door de binnenvallende Scythen. In de 7de eeuw v.Chr. stichtten de Grieken verschillende koloniesteden aan de kusten van de Zwarte Zee, zoals Tomi en Histria. In de 4e eeuw v.Chr. werd het gebied door de Scythen geplunderd en bezet. In 339 v.Chr. werd de Scythische koning Atheas door Philippus II verslagen en werd de streek door het Macedonische Rijk ingelijfd. In 29 v.Chr. veroverden de Romeinen de hele regio en voegden Scythia Minor bij de provincie Moesia, later Moesia inferior. Onder Diocletianus kwam het in het diocees van Thracië te liggen. Na de ondergang van het West-Romeinse Rijk kwam het gebied in Byzantijnse handen. In deze periode trokken de voorouders van de Bulgaren het gebied binnen.

In 1419 veroverde Mehmet I de Dobroedzja, waarna het gebied ook tot de 19e eeuw Turks bleef. De Dobroedzja werd, samen met de sandjak van Silistra, een Ottomaanse udj (aan andere landen grenzende provincie), als onderdeel van Roemelië, zoals het Europese deel van het Ottomaanse rijk werd genoemd. De Dobroedzja bleef Turks tot de Russisch-Turkse Oorlog van 1878, toen het gebied grotendeels in Roemeense handen kwam (Verdrag van San Stefano). Roemenië verloor daarbij wel Bessarabië aan Rusland, de partij die het verdrag dicteerde. Het zuidelijke gedeelte kwam aan het nieuwgevormde koninkrijk Bulgarije.

Na de Tweede Balkanoorlog verwierf Roemenië ook de zuidelijke Doebroedzja (Vrede van Boekarest), 1913). Tijdens de Eerste Wereldoorlog heroverden de Bulgaren de Dobroedzja (inclusief Constanța, (1916), waarna het Verdrag van Boekarest (1918) het zuiden weer aan Bulgarije toewees. Een jaar later kwam de gehele Dobroedzja bij het Verdrag van Neuilly toch weer aan Roemenië.

Tot de Tweede Wereldoorlog bleef dit voor Bulgarije belangrijke gebied (een traditionele graanschuur en bovendien het achterland van de havenstad Varna) Roemeens. De grootste bevolkingsgroepen waren destijds de Bulgaren en de Turken, voor de Roemenen. De asmogendheden zorgden er in 1940 (Verdrag van Craiova, 7 september) voor dat Roemenië weer afstand moest doen van de zuidelijke Dobroedzja. Aansluitend vond er een Roemeens-Bulgaarse bevolkingsuitruil plaats, waarbij circa 100.000 Roemenen en 60.000 Bulgaren werden gedwongen hun woonplaatsen te verlaten[1]. De grens van 1940 werd na de Tweede Wereldoorlog dan ook gehandhaafd.

In de Dobroedzja bevindt zich de oudste spoorlijn van de Balkan. De lijn tussen Cernavoda en Constanța werd in 1860, dus nog onder Turks bewind, geopend.

Bevolking[bewerken]

De bevolking van de Dobroedzja is van oudsher zeer gemengd, al is de bevolking aan beide kanten van de grens in de 20e eeuw aanmerkelijk homogener geworden. Sinds de bevolkingsuitruil van 1940 hebben Roemenië en Bulgarije nauwelijks meer wederzijdse minderheden. Ruim 90% van de inwoners van de noordelijke Dobroedzja is Roemeens en bijna 70% van die van de zuidelijke is Bulgaars. Andere minderheden in het gebied zijn Tataren (merendeels Krim-Tataren, maar ook Nogay-Tataren), Joden, Grieken, Turken, Gagaoezen, Armenen, Vlachen, Roma en Russischtalige Lipovanen. De Dobroedzja-Duitsers zijn sinds 1940 nagenoeg verdwenen.

Onderstaande tabel vermeldt de resultaten van de recentste Roemeense en Bulgaarse volkstellingen (voor resp. de districten Tulcea en Constanța en de districten Silistra en Dobritsj). Deze vonden in 2002 en in 2001 plaats. Hoewel de gegevens dus niet op hetzelfde moment zijn verzameld, zijn de resultaten in de eerste tabel niettemin het resultaat van de optelling van beide.

Etnische groep Dobroedzja Noordelijke Dobroedzja Zuidelijke Dobroedzja
Aantal Percentage Aantal Percentage Aantal Percentage
Totaal 1.328.860 100,00% 971.643 100,00% 357.217 100,00%
Roemenen 884.211 66,58% 883.620 90,94% 57 0,02%
Vlachen * * * * 534 0,15%
Bulgaren 248.517 18,70% 135 0,01% 248.382 69,53%
Turken 104.572 7,87% 27.580 2,84% 76.992 21,55%
Tataren 23.409 1,76% 23.409 2,41% 4.515 1,26%
Roma 33.422 2,52% 8.295 0,85% 25.127 7,03%
Russen 22.495 1,69% 21.623 2,23% 872 0,24%
Grieken 2.326 0,18% 2.270 0,23% 56 0,02%

* In Roemenië worden de Vlachen als Roemenen beschouwd. Bulgarije beschouwt hen als afzonderlijke etnische groep.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Dariusz Stola (1992):Forced Migrations in Central European History. International Migration Review, vol. 26, no.2: pp. 324-341.