Dodenmarsen van Sandakan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dodenmarsen van Sandakan
Onderdeel van Azië in de Tweede Wereldoorlog
Sandakan op 24 maart 1945. In deze nummer 1 barak werden de graven gevonden van 300 Australische en Engelse krijgsgevangenen. In ieder graf bevonden zich meerdere lichamen, in sommigen tot 10
Sandakan op 24 maart 1945. In deze nummer 1 barak werden de graven gevonden van 300 Australische en Engelse krijgsgevangenen. In ieder graf bevonden zich meerdere lichamen, in sommigen tot 10
Datum 1942 - 1945
Locatie Maleisië en Borneo
Casus belli Oorlog in het Pacifisch Gebied
Portaal  Portaalicoon   KNIL

De dodenmarsen van Sandakan waren een serie geforceerde marsen (zogenaamde dodenmarsen) van Sandakan (Borneo) naar Ranau (Maleisië); deze marsen leidden tot de dood van meer dan 3.600 Indonesische Romoesja's en van 2.400 geallieerde krijgsgevangenen van het Keizerrijk Japan, gevangengenomen tijdens de oorlog in het Pacifisch Gebied en tot dan gevangen gehouden in jappenkampen in Noord-Borneo. Aan het einde van de oorlog bleek dat van alle gevangenen die geïnterneerd waren geweest te Sandakan en Ranau slechts 6 Australiërs dit overleefd hadden; dit waren ontsnapte gevangenen. De lichamen van de meeste slachtoffers werden nooit teruggevonden. Wereldwijd wordt tegenwoordig erkend dat Sandakan en Ranau behoorden tot de meest dodelijke kampen voor Australische krijgsgevangenen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Aanleg van de landingsbaan[bewerken]

Sandakan War Memorial Park

In 1942 en 1943 werden veel Indonesische burgers van Java, samen met Australiërs en Engelsen die krijgsgevangen waren gemaakt tijdens de Slag om Singapore in februari 1942, naar Noord-Borneo verscheept om aldaar een militaire landingsbaan en krijgsgevangenenkamp te Sandakan aan te leggen. Net als bij de aanleg van de Birma-spoorlijn werden de gevangenen met het pistool op zich gericht gedwongen te werken, werden zij vaak geslagen en kregen weinig tot geen voeding of medische verzorging. In augustus 1943 werden veel krijgsgevangenen van Sandakan naar het Batu-Lintangkamp te Kuching overgebracht. Dat was voornamelijk om de meerdere van de mindere militairen te scheiden, waardoor de achterblijvers beter onder controle konden worden gehouden.

De omstandigheden van hen die te Sandakan achterbleven verslechterden na het vertrek van de officieren snel. De voedselrantsoenen werden verder verminderd en zelfs zieke gevangenen werden gedwongen verder te werken aan de landingsbaan. Nadat dit werk was voltooid bleven de gevangenen eerst nog een poosje in het kamp maar in januari 1945, toen er nog maar 1.900 in leven waren, wisten de geallieerden een succesvol bombardement op het vliegveld uit te voeren, waardoor dit vernietigd werd. Op dat moment besloot de kampcommandant, kapitein Hoshijima Susumu, de resterende gevangenen in westelijke richting door de bergen naar Ranau te sturen, een afstand van ongeveer 260 kilometer. Hij beweerde later dat dit een bevel van luitenant-generaal Masao Baba, commanderend officier van het 37ste Japanse leger, was geweest.

De marsen[bewerken]

Een Japanse kampbewaarder van Sandakan sergeant Hosotani Naoji (zittend links) wordt ondervraagd door de geallieerden na de oorlog; hij bekende eigenhandig 2 Australische krijgsgevangenen en 5 Chinese burgers doodgeschoten te hebben

De eerste fase van de marsen, door moerasland, dichtbegroeid oerwoud, en vervolgens naar de oostelijke bergrug van de Mount Kinabalu, vond tussen januari en februari 1945 plaats. De Japanners hadden 470 personen uitgekozen, waarvan men dacht dat ze gezond genoeg waren om bagage en toebehoren te dragen voor de begeleidende Japanse bataljons, die naar de westkust trokken.

De krijgsgevangenen waren in verschillende groepen verdeeld, allemaal leden ze aan ondervoeding of waren ernstig ziek; zij dachten dat zij richting Jesselton trokken. Hoewel de tocht negen dagen duurde was er maar voedsel voor vier; net als bij de dodenmars van Bataan werden krijgsgevangenen die niet gezond genoeg waren of die van uitputting ineenzegen òf op de plaats vermoord òf achtergelaten om te sterven langs de weg. Nadat Ranau was bereikt werd de manschappen die de tocht overleefd hadden opgedragen een tijdelijk kampement op te zetten. Een historicus schreef hier later over: deze mensen werden in onreine en overvolle hutten gedreven, waar velen stierven aan dysenterie. Op 26 juni waren nog slechts 5 Australiërs en een Britse soldaat in leven.[1]

De tweede serie marsen begon op 29 mei 1945 met ongeveer 536 krijgsgevangenen.[2] De nieuwe kampcommandant te Sandakan, kapitein Takakuwa Takuo, gaf de gevangenen het bevel in groepjes van ongeveer 50 man, begeleid door Japanse bewakers, naar Ranau te trekken. De mars duurde 26 dagen; de gevangenen waren in een nog slechtere gezondheidstoestand dan diegenen die aan de eerste mars hadden deelgenomen, kregen minder voedsel en werden vaak gedwongen zelf hiernaar te zoeken. Compound nummer 1 van het kamp te Sandakan was vernietigd om ieder bewijs van het bestaan daarvan te verdoezelen.[3] Slechts 183 gevangenen wisten Ranau te bereiken op 24 juni 1945, waar zij ontdekten dat van hun voorgangers nog maar 6 man in leven waren.

Omstreeks 250 man bleef te Sandakan achter nadat de tweede groep vertrokken was. De meeste gevangenen waren zo ziek dat de Japanners oorspronkelijk van plan waren geweest hen te laten creperen. Op 9 juni 1945 werd echter besloten om een groep van 75 man weer op mars te sturen. Deze manschappen waren zo zwak dat niemand de tocht van 50 kilometer overleefde. Zodra iemand in elkaar zakte werd die persoon doodgeschoten door een Japanse wacht. De gevangenen die te Sandakan waren achtergebleven werden vermoord of stierven nog voor de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 aan een combinatie van uitputting en ziekte.

Nasleep[bewerken]

Als gevolg van een combinatie van uithongering en mishandeling door de Japanners waren nog slechts 38 gevangenen eind juli te Ranau in leven. Zij waren allen zeer verzwakt en niet meer in staat enig werk te doen. Er werd bevel gegeven dat alle resterende gevangenen moesten worden geëxecuteerd. Zij werden vervolgens gedurende de maand augustus vermoord door de kampbewakers, waarschijnlijk 12 dagen voor het einde van de oorlog, op 14 augustus.[4]

In totaal wisten 6 Australische manschapppen te ontsnappen. Tijdens de tweede mars lukte het artillerist Gunner Owen Campbell en kanonnier Richard Braithwaite in het oerwoud te ontkomen, waar zij gered werden door inlanders en uiteindelijk door de geallieerden werden gered. In juli wisten de officier William Sticpewich en de soldaten Keith Botterill, Lance Bombardier William Moxham en Nelson Short uit Rantau te ontsnappen; zij werden ook door inlanders geholpen, die hen voor de Japanners verborgen totdat de oorlog voorbij was. Van deze zes overleefden maar drie (Botterill, Short en Campbell) de mishandelingen die zij bij de Japanners hadden ondergaan en waren in staat te getuigen over de verschillende oorlogsmisdaden van de Japanners. Kapitein Hoshijima werd schuldig bevonden en opgehangen op 6 april 1946.[5] Kapitein Takakuwa en zijn adjudant kapitein Watanabe Genzo werden eveneens schuldig bevonden aan het veroorzaken van de moordpartijen en slachting van de krijgsgevangenen en werden respectievelijk opgehangen en doodgeschoten op 6 april 1946 en op 16 maart 1946.

In 1962 werd er een herinneringscentrum en tuin gebouwd te Kundasang, Sabah, om hen te gedenken die stierven te Sandakan en Ranau.[6][7] De Sandakan dodenmarsen werden gedramatiseerd weergegeven in een toneelstuk uit 2004, getiteld Sandakan Threnody; het toneelstuk was een compositie: een ode aan de rouw, als een in memoriam voor een overleden persoon. Het stuk was geschreven door de Australische componist Jonathan Mills, wiens vader krijgsgevangene was geweest te Sandakan tussen 1942-1943.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. The Marches Australia's War, 1939-1945
  2. Sandakan Death March The Pacific War Historical Society
  3. Laden, Fevered, Starved Sandakan POW Camp, 1942-1944
  4. Remembering Sandakan: 1945-1999 " Kapitein Hoshijima Susumi kon later door zijn kennis van bepaalde documenten vertellen dat de laatste krijgsgevangene op 27 augustus 1945 te Ranau vermoord werd; dit was na de Japanse capitulatie. De gevangenen waren vermoord om later niet te kunnen getuigen over de oorlogsmisdaden die door de bewakers waren gepleegd."
  5. Stolen Years: The War Crimes Trials
  6. http://www.sabahtourism.com/sabah-malaysian-borneo/en/destination/49-kundasang-war-memorial/
  7. http://www.sabahtourism.com/sabah-malaysian-borneo/deathmarch/kndsgWarMemorial.html