Donough MacCarthy

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Donough MacCarthy, 4e graaf van Clancarty, (Blarney, 1668 - Praalshof nabij Altona, Duitsland, 1 oktober 1734) was een Ierse edelman en aanhanger van de Engelse koning Jacobus II. Na de nederlaag van Jacobus II tegen Willem III van Oranje werd hij verbannen naar het vasteland. Zijn adeldom werd hem afgenomen in 1691. Hij leefde tijdens zijn ballingschap in Nederland en Duitsland. Hij is de naamgever van het Mallegraafsgat in Friesland.

Leven en werk[bewerken]

Als erfgenaam van zijn vaders omvangrijke Ierse landgoederen in de County Cork en County Kerry (geërfd 1676, op achtjarige leeftijd) was zijn opvoeding een zaak met grote politieke belangen. Hij kreeg dan ook de Bisschop van Canterbury als mentor.

MacCarthy huwde Elizabeth Spencer, dochter van de 2e graaf van Sunderland, in 1684. Haar vader was toen een vooraanstaand staatsman in Engeland.[1] Het huwelijk was buiten de echtelieden om geregeld zodat het vele jaren alleen maar op papier bestond.

Na zijn deelname aan de 'verkeerde' (verliezende) kant van de Glorious Revolution werd hij in de Tower of London gevangengezet. Hij wist daar in 1694 te ontsnappen en voegde zich weer bij het hof van Jacobus II. Hij keerde naar Ierland terug in 1698 teneinde eindelijk daadwerkelijk aan zijn huwelijk te kunnen beginnen. Hij werd echter aangegeven door zijn zwager Lord Spencer. Enige maanden later, na het Verdrag van Limerick, werd hij gedwongen Ierland te verlaten. Maccarthy en zijn vrouw vertrokken toen naar het vaste land om daar de rest van hun leven in ballingschap door te brengen.[2]

Oudwoude en Hoogkerk[bewerken]

MacCarthy vestigde zich kort na 1698 in Oudwoude. Hij naam daar het al bestaande landhuis aan het Sint Pietersgat over van Archibald, graaf van Argyll, die al in 1685 had moeten vluchten. Het gedrag van de Ierse graaf was volgens de streekbewoners nogal vreemd en hij verwierf de bijnaam Malle Graaf. Hij vertrok uit Oudwolde rond 1707 maar was in ieder geval in 1722 nog de eigenaar van het huis. Het Sint Pietergat werd daarna bekend als het Mallegraafsgat. Het landhuis bestaat nog steeds en draagt thans de naam Mallegraafsborg (Fries: Mallegraafsboarch).

In 1723 woonde de graaf "om niet" in de Elmersmastede in het Groningse Hoogkerk.

Hamburg en Rottum[bewerken]

MacCarthy had ook een huis in de omgeving van Hamburg, op een van de eilanden in de monding van de Elbe. Volgens Engelse bronnen zou het gaan om het landgoed Praalshof of Prals-Hoff, dat hij van de stad Altona zou hebben gekocht. Dat laatste kan echter niet kloppen.[3]. Waarschijnlijk gaat het om toenmalige eiland Grevenhof tegenover de haven van Hamburg, dat oorspronkelijk net als Altona onder het kerspel Ottensen viel. Op dit vooruitgeschoven eiland bevond zich een defige pachtboederij die lange tijd deel uitmaakte van het landgoed Veddel, sinds 1579 eigendom van de adellijke familie Von Wietersheim. Nu maakt het gebied van Grevenhof deel uit van de wijk Hamburg-Steinwerder. Mogelijk is hier Clancarty's echtgenote Elizabeth al in 1704 gestorven. Het echtpaar had drie kinderen uit hun laat begonnen huwelijk: Robert, Charlotte en Justin. Na de nodige omzwervingen, onder meer als eigenaar en bewoner van Rottum, dat hij in 1706 kocht van de rechter mr. Abel Eppo van Bolhuis (1676-1739), vestigde hij zich na de kerstvloed van 1717 definitief op het landgoed in Hamburg. Hij zou er veel geld hebben verdiend met het bergen van scheepswrakken. Hier overleed hij op 1 oktober 1734. Kort voor zijn dood was zijn adeldom hersteld zodat zijn zoon Robert de 5e graaf van ClanCarty werd.

Bronnen

  • Kenyon, J.P. Robert Spencer, Earl of Sunderland 1641-1702 London: Longmans, Green and co. 1958.
  • Samuel Trant & Terence Francis McCarthy The MacCarthys of Munster; 1922: The Dundalgan Press, Dundalk, Co. Louth, Ierland.
  • Reinder H. Postma Donough McCarthy, 4th earl of Clancarty.; 2008.

Noten

  1. Kenyon, 102.
  2. Kenyon, 302-305.
  3. J.M. Lappenberg, 'Graf Clancarty auf den Elbinseln', in: Zeitschrift des Vereins für Hamburgische Geschichte 1 (1841), 305-308