Dood

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De dood is een toestand waarbij een voorheen levend organisme niet meer groeit, geen metabolisme en geen actieve levensfuncties meer heeft (ademhalen, eten, drinken, denken, bewegen enzovoorts).

Definities[bewerken]

In de geneeskunde onderscheidt men verschillende definities van 'dood':

  • Klinisch dood: toestand waarbij ABC (ademhaling, bewustzijn en circulatie (bloedsomloop) ) afwezig zijn. Door middel van reanimatie kan deze toestand soms nog ongedaan worden gemaakt. Als dit niet gebeurt, treedt na 4 tot 6 minuten de biologische dood in.
  • Biologisch dood: toestand waarbij ademhaling, bewustzijn en circulatie afwezig zijn en niet meer op gang kunnen worden gebracht.[1]
  • Hersendood: toestand van de hersenen waarbij de vitale hersenfuncties zoals bewustzijn en het aansturen van de ademhaling door het ademhalingscentrum door beschadiging op cellulair niveau zijn uitgeschakeld. Het lichaam reageert op geen enkele pijnprikkel, de ogen reageren niet meer op licht en het EEG (elektro-encefalogram = registratie van de elektrische hersenactiviteit) vertoont geen activiteit. Herstel is niet mogelijk en zonder kunstmatige beademing/voeding en medicijnen zal de biologische dood snel intreden. Wel kan spontane activiteit van het hart aanwezig zijn (zie hartprikkel), waardoor de pompfunctie en daarmee de circulatie van het bloed blijven bestaan. Voornoemde toestand maakt de overledene geschikt als donor, aangezien de organen dankzij de bloedcirculatie intact blijven.

Hiernaast kent men nog de term juridisch dood; deze is in Nederland equivalent aan hersendood, althans, iemand die hersendood is, is voor de wet ook dood. De vitale functies kunnen dan met hart-longmachines nog in stand worden gehouden en het is wettelijk toegestaan om organen te verwijderen voor transplantatie. Iemand is "juridisch dood" als de lijn die de elektrische activiteiten van de hersenen weergeeft bij registratie door middel van een EEG vlak is (hersendood).

De term juridisch dood wordt ook gehanteerd als sprake is van een langdurige vermissing van een persoon. Door zonder overledene iemand juridisch dood te verklaren kan deze worden uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Voor de wet is dan sprake van een officiële doodverklaring.

In het verleden bestond de burgerlijke dood als straf. Het hield in dat men al zijn rechten en bezit verloor. De Nederlandse grondwet van 1831 noemde de burgerlijke dood in het Burgerlijk Wetboek en stelde vast dat deze straf niet kon worden opgelegd. In het Nieuw Burgerlijk Wetboek (1992) wordt deze straf niet meer genoemd.

Binnen de (veelal evangelisch-)christelijke hoek kent men het begrip geestelijke dood, die geen betrekking heeft op het "fysiek dood zijn", maar op het "los van God zijn".

Biologische verschijnselen[bewerken]

Een organisme is dood wanneer het niet meer reageert op zintuiglijke prikkels (bewustzijnsverlies), er geen reflexen meer aanwezig zijn (slikken, lichtstijve pupillen, geen pijnreactie) en er een algehele spierverslapping waar te nemen is. Eveneens is de hartslag niet meer waarneembaar, er is sprake van een ademhalingsstilstand, de bloeddruk kan niet meer gemeten worden en vindt er door het gehele lichaam geen metabolisme op cellulair niveau meer plaats. Het betreft de aanwezigheid van al deze verschijnselen: afzonderlijke verschijnselen kunnen wijzen op lichamelijk disfunctioneren bij een levend persoon.

Ontbindingsproces[bewerken]

Na het intreden van de dood start het ontbindingsproces. De eerste fase van het ontbindingsproces bestaat altijd uit:

  • Livor mortis - lijkvlekken: na het overlijden zakt het bloed door de zwaartekracht (hypostase) en doordat de bloedcirculatie is gestopt, naar de laagst gelegen delen van het lichaam: deze kleuren daardoor paarsblauw (lijkvlekken), waar de hoger gelegen gedeelten bleek worden.
  • Rigor mortis - lijkstijfheid: normaal gesproken zal na ongeveer 1 tot 4 uur na het overlijden lijkstijfheid optreden. Door chemische processen worden de na overlijden verslapte spieren stijf. Rigor mortis treedt als eerste op in de extremiteiten zoals de armen, de benen en het hoofd. Ook vormt zich kippenvel doordat rigor mortis optreedt in de in de huid gelegen spiertjes. Acht uur na het overlijden is deze lijkstijfheid volledig; na 48 uur neemt ze weer af als gevolg van diverse afbraakprocessen in het lichaam. Als er bij mensen sprake was van overlijden door of tijdens een lichamelijke stresssituatie (zoals een hartaanval tijdens het hardlopen) zal rigor mortis spoediger intreden dan wanneer het lichaam voorafgaand aan het overlijden in een toestand van rust verkeerde. In tegenstelling tot wat wel wordt gedacht, zal rigor mortis bij een hoge omgevingstemperatuur spoediger optreden dan in geval van koude. Dat komt doordat de onderliggende chemische reactie bij hogere temperatuur sneller optreedt. (De lijkstijfheid betreft geen samentrekking van het spierweefsel maar een irreversibel chemisch proces.)
  • Algor mortis - lijkkoude: na het overlijden begint het lichaam af te koelen, door het uitvallen van alle stofwisselingsprocessen waardoor energie wordt omgezet in warmte. Ongeveer 12 uur na het overlijden voelt het lichaam koud aan, omdat het lichaam dan de temperatuur van de omgeving heeft aangenomen. Een en ander is natuurlijk sterk afhankelijk van de omgevingstemperatuur en de kleding en isolatie (waaronder het vetgehalte) van het lichaam. Lippen worden rimpelig (door uitdroging), oogbollen worden dof (doordat geen traanvocht meer wordt gemaakt en knipperen achterwege blijft), haar lijkt door te groeien (in eerste instantie doordat haar door rigor mortis bij de huid rechtop gaat staan en in latere fase door indroging en verschrompeling van de huid), de nagels lijken door de indroging en verschrompeling van de huid te groeien (dit vindt na verloop van tijd plaats). De mythe dat het haar en de nagels van een overledene zouden blijven doorgroeien is op voornoemde verschijnselen gebaseerd.

Vervolgens bestaan drie mogelijkheden waarin het lichaam tot ontbinding kan overgaan.[2]

Putrefactie[bewerken]

Beeld van een (deels verrot) menselijk lijk.
Nuvola single chevron right.svg Zie Verrotting voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Putrefactie ofwel verrotting begint binnen drie dagen na het intreden van de dood. Hoe hoger de omgevingstemperatuur, des te sneller verloopt dit proces. Vele insecten leggen, als de mogelijkheid het toelaat, eieren in het dode lichaam. Dit zal in het algemeen niet gebeuren als het lichaam ver genoeg onder de grond ligt. Het lichaam begint van kleur te veranderen met als opvallendste kenmerk "het wegschieten van kleuren" langs de slagaders en aders, gelegen aan de huidoppervlakte (marmer tekening). Dit komt doordat het bloed begint te ontbinden en bacteriën de overhand krijgen. De kleur van de huid verdonkert ook.

Na verscheidene dagen kunnen de insectenlarven uit het lichaam beginnen te kruipen. Reinigende dieren zoals sommige knaagdieren beginnen van het lichaam te eten indien dit voor hen mogelijk is.

Ongeveer een week na de intreding van de dood beginnen gassen, die door bacteriële en chemische processen worden geproduceerd, opzwelling van de organismen te veroorzaken. De bacteriën die tijdens het leven nuttig waren, zoals de bacteriën in het spijsverteringskanaal, keren zich na de dood tegen het lichaam. Nu gebruiken diezelfde bacteriën het dode lichaam als voedselbron. Door deze processen worden de interne organen vloeibaar. Binnen twee weken na intreding van de dood komen producten van ontbinding uit de lichaamsopeningen, zoals uit de mond, de neus, de anus en eventuele andere lichaamsopeningen (bijvoorbeeld wonden).

De stank van rotting is op dit moment zeer sterk aanwezig. Binnen enkele weken zal door de druk van het gas dat in het lichaam wordt geproduceerd en dat niet kan ontsnappen weefsel openspringen, waarbij lichaamsinhoud (ontbindingsproducten) vrijkomen. Enorme hoeveelheden insectenlarven kunnen uit het lichaam komen als insecten eerder toegang hebben gekregen om eitjes te leggen. Aaseters kunnen op dit moment gemakkelijk delen van het lichaam wegnemen, omdat het lichaam niet meer een vast geheel is. Indien het om een mens gaat, worden de vrijkomende vloeistoffen opgenomen door de kleding van de overledene, de kistvoering, het bedmatras, de vloer of de grond.

Op dit moment is het lichaam een zeer onsamenhangend "voorwerp" geworden. De overledene zal op dit moment niet meer herkenbaar zijn als het individu dat het geweest is.[2]

Mummificatie[bewerken]

Hoofd van de mummie van Ahmose.

Mummificatie (indroging): In geval van mummificatie begint dit eindproces ongeveer één maand na de dood, hoewel dit proces ook voorspoediger kan verlopen als de voorwaarden juist zijn (zoals de toestand van het lichaam van de overledene en de omgevingsinvloeden). Mummificatie ontstaat op een moment wanneer een lichaam uitdroogt door natuurlijke of door kunstmatige middelen. Twee omstandigheden zijn vereist voor mummificatie.

  1. Een droge omgeving.
  2. Lichaamsmassa: Mummificatie treedt eerder op als het lichaam van de overledene een lichaam betreft met weinig lichaamsvetmassa (in het algemeen een dun persoon). Zelden treedt mummificatie onder natuurlijke omstandigheden op bij te zware mensen. De oorzaak hiervan is de aanwezigheid van vocht in het lichaam. Vocht zorgt (samen met een hoge omgevingstemperatuur) voor een voorspoedig ontbindingsproces.[2]

Mummificatie in Nederland[bewerken]

Wieuwerd is bekend geworden door de befaamde grafkelder (1609) onder de Hervormde kerk. In de grafkelder ontdekten timmerlieden in 1765 bij toeval een aantal lijken die op natuurlijke wijze zijn gemummificeerd.

In Nederland komt men verder vooral mummificatie tegen in geval van een vinding van een overledene in thuissituatie (overledene die al enige tijd dood in huis ligt). Veelal heeft de overledene dan in een warme en droge omgeving gelegen, waardoor het dode lichaam (geheel of gedeeltelijk) mummificeert.[2]

Egyptische mummies[bewerken]

Bekende voorbeelden van mummificatie zijn de Egyptische mummies.

Adipocire[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Adipocire voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Adipocire, ook wel lijkwas genoemd, ontstaat door verzeping van vetten in het overleden lichaam. Het is een bijproduct van het natuurlijke proces van decompositie en kan zich in zuurstofarme semi-vochtige of zeer natte milieus vormen. Het is een zeepachtige, wasachtige en in sommige gevallen kaasachtige substantie die uit het vet en zachte weefsels van een overleden persoon wordt gevormd. De vorming van adipocire is een natuurlijke vorm van ontbinding, waarbij de uiterlijke structuur van het lichaam grotendeels behouden blijft.

Wetgeving[bewerken]

In Nederland bestaat verschillende wet- en regelgeving met betrekking tot overlijden, overledenenzorg en procedures rondom overlijden. De volgende wet- en regelgeving is van toepassing:

Doodgeborene[bewerken]

In de Wet op de Lijkbezorging wordt een minimale leeftijdgrens aangegeven wanneer sprake is van dood van een menselijk wezen, waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn. In de wet staat:

"Doodgeborene: de na een zwangerschapsduur van ten minste vierentwintig weken ter wereld gekomen menselijke vrucht, welke na de geboorte geen enkel teken van levensverrichting heeft vertoond."

Dit wil niet zeggen, dat voor de benoemde vierentwintig weken zwangerschap biologisch gezien geen sprake van leven was.

Bij overlijden van een foetus voor de in de wet benoemde 24 weken zwangerschap spreekt men doorgaans van een miskraam. Bij overlijden van een foetus na vierentwintig weken zwangerschap spreekt men zoals in de wet staat aangegeven van een doodgeborene.

De in de wet aangegeven grens tussen een miskraam en een doodgeborene kan voor de ouders van een doodgeborene voor 24 weken zwangerschap problemen geven. Sociaal gezien is de status doodgeborene meer beladen en ernstiger dan in geval sprake is van een miskraam, dit terwijl in beide gevallen bij de ouders sprake kan zijn van evenredig verliesgevoel en rouwproces.[2]

Wettelijke grens[bewerken]

De wetgever heeft tijdens het maken van deze wet gekeken naar de medische mogelijkheden en het "vanaf moment" waarop het mogelijk moet zijn om met de huidige medische technieken een pasgeborene in leven te houden. Ten tijde van het ontstaan van deze wet was de medische techniek zo ver gevorderd, dat na 24 weken zwangerschap sprake was van "levensvatbaarheid".

De in de Wet op de Lijkbezorging benoemde termijn van "ten minste vierentwintig weken zwangerschap" zal mogelijk in de toekomst moeten worden bijgesteld. De medische wetenschap is op dit moment zo ver, dat soms sprake is van levensvatbaarheid voor 24 weken zwangerschap. Door medische ontwikkelingen zal het in de toekomst waarschijnlijk regulier voorkomen dat sprake is van een steeds vroegere levensvatbaarheid.[2]

Lijkschouw[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie lijkschouw voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Een veelvuldig gemaakte en verkeerde veronderstelling is, dat het doel van de lijkschouw is om de dood vast te stellen. Ook bij een zeer groot deel van de professionals zoals artsen, verplegend personeel en medewerkers uitvaartbranche bestaat deze veronderstelling. In de Wet op de Lijkbezorging staat echter “Hij die de schouwing heeft verricht geeft een verklaring van overlijden af, indien hij ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak.”. Omdat geen wet bestaat met betrekking tot het vaststellen van de dood mag iedereen in Nederland dit doen. De overledenenschouw met als doel een niet-natuurlijk overlijden uit te sluiten is echter voorbehouden aan de behandelend arts (of de gemeentelijke lijkschouwer).

In Nederland wordt de lijkschouw door artsen uitgevoerd. Zij geven dan een overlijdensverklaring (A-verklaring) af en vullen de doodsoorzaakverklaring (B-verklaring) in. In principe mag elke arts dit doen, tenzij deze arts de behandelend arts van de overledene is. Met de verklaring van overlijden van de arts wordt de gemeente waarin iemand overleed op de hoogte gesteld. De doodsoorzaakverklaring dient men tegelijkertijd met de verklaring van overlijden bij de gemeente af te leveren. De gemeente zendt deze B-verklaring vervolgens naar het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin ten behoeve van de statistiek de vermoedelijke doodsoorzaak wordt aangegeven. Deze doodsoorzaakverklaring is anoniem: de naam van de overledene komt er niet op voor.

Een overlijdensverklaring mag een behandelend arts alleen uitschrijven als deze ervan overtuigd is dat de dood is ingetreden ten gevolge van een natuurlijke oorzaak. Bij twijfel of de doodsoorzaak een natuurlijk overlijden betreft, of als de datum van overlijden niet duidelijk is, dient de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. In geval geen sprake is van een behandelend arts, de behandelend arts niet aanwezig is en in geval sprake is van een niet natuurlijk overlijden dient altijd de gemeentelijk lijkschouwer te worden ingeschakeld. Als een overlijden een niet natuurlijk overlijden betreft mag geen enkele arts de overlijdensverklaring uitschrijven (ook de gemeentelijk lijkschouwer niet). Een niet natuurlijk overlijden zal door de gemeentelijk lijkschouwer worden gemeld aan de officier van justitie. Deze zal vervolgens een verklaring van niet natuurlijk overlijden uitschrijven. Met deze verklaring zal men de gemeente verwittigen van het overlijden. Na afronding van alle onderzoeken zal de officier van justitie een verklaring van “geen bezwaar tot begraven/cremeren" uitschrijven. Deze verklaring dient men aan de gemeente te overhandigen. Een natuurlijk overlijden betreft overlijden door ouderdom of ziekte, mits de ziekte niet is ontstaan door toedoen van derden.

Alle andere vormen van overlijden kunnen worden gekenmerkt als (vermoedelijk) niet natuurlijk overlijden waarbij men de gemeentelijk lijkschouwer dient in te schakelen. De gemeentelijk lijkschouwer verricht een uitwendige schouw en kan eventueel beslissen tot een inwendige schouw. Daarvoor moet het lichaam worden overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut in Den Haag, waar forensisch patholoog-anatomen de inwendige schouw verrichten. In overleg met justitie wordt het lichaam vrijgegeven.

Een op het oog natuurlijke doodsoorzaak in periode van genezing van een trauma (bijvoorbeeld bedcomplicaties zoals een longontsteking of bloedvergiftiging door doorliggen) of als sprake is van natuurlijke doodsoorzaak bij een persoon die eerder trauma heeft ondergaan (bijvoorbeeld bedcomplicaties bij een comapatiënt waarbij het coma is ontstaan door een eerder trauma) dient te worden benaderd als een (vermoedelijk) niet natuurlijk overlijden. De gemeentelijke lijkschouwer zal de overledenenschouw moeten verrichten. Doorgaans schakelt de behandelend arts de gemeentelijk lijkschouwer in, maar iedereen mag een beroep doen op deze functionaris. Dit dient dan zo spoedig als mogelijk te gebeuren, maar in elk geval voor begrafenis/crematie of uitvoer van de overledene naar het buitenland.[2]

Na de dood[bewerken]

Na de dood is wat betreft overledenenzorg alles gericht op onderzoek naar de doodsoorzaak (is deels wettelijk geregeld), en piëteitsvolle overledenenzorg met als doel een goede start van het rouwproces van de nabestaanden en gericht op conservering van de overledene. Binnen de in de wet gestelde termijn zal een uitvaart (begrafenis / crematie) plaatsvinden, met als uitzondering de overledenen die zich ter beschikking hebben gesteld voor de wetenschap.[2]

De overledenenschouw[bewerken]

De overledenenschouw vindt plaats volgens wettelijke richtlijn. Deze wordt verricht door de behandelend arts of door de gemeentelijke lijkschouwer. (zie hoofdstuk #Lijkschouw)

Inwendige schouw (ook wel obductie/sectie)[bewerken]

Anatomische les van Dr. Willem van der Meer, schilderij van Michiel Jansz. van Miereveld uit 1617.

Een onderzoek naar de doodsoorzaak kan de inwendige schouw of pathologisch onderzoek betreffen. De inwendige schouw wordt verricht door een patholoog-anatoom of een forensisch patholoog-anatoom.

Er bestaan drie soorten van inwendige schouw.

  1. Reguliere inwendige schouw, waarbij de organen en weefsels in de borstholte en de buikholte worden onderzocht.
  2. Inwendige schouw van de schedel, waarbij uitname van de hersenen plaatsheeft voor onderzoek.
  3. Gerichte schouw van lichaamsdelen die niet tot de borst-/buikholte of de hersenen behoren. Dit onderzoek betreft geen reguliere schouw maar wordt gedaan als gericht onderzoek.

Er zijn drie redenen voor het realiseren van een inwendige schouw.

  1. Nabestaanden willen helderheid over de doodsoorzaak. Dit kan van belang zijn om te kijken of sprake is van een doodsoorzaak door een erfelijke aandoening. De nabestaanden dienen toestemming te geven voor dit onderzoek. In geval nabestaanden geen toestemming geven dan vindt er geen inwendige schouw plaats.
  2. De behandelend arts verzoekt dit onderzoek. Gekeken kan worden of de behandelend arts de juiste diagnose heeft gesteld en of de ingezette behandeling de juiste handelwijze was. Dit is ter lering voor de behandelend arts. Nabestaanden dienen toestemming te geven voor dit onderzoek. In geval nabestaanden geen toestemming geven heeft geen inwendige schouw plaats.
  3. In geval van een (vermoedelijk) niet natuurlijk overlijden een (mogelijke) misdrijf betreft zal een inwendige lijkschouw plaatsvinden. Bij deze lijkschouw worden sporen veilig gesteld en wordt onderzoek gedaan naar de primaire doodsoorzaak. Dit onderzoek heeft plaats in opdracht van de officier van justitie. Nabestaanden hebben geen inspraak omdat sprake is van inbeslagname van de overledene door justitie. Na vrijgave van de overledene door de officier van justitie (en dus na de inwendige schouw) staat de overledene weer ter beschikking van de nabestaanden. Deze inwendige schouw zal meestal plaatsvinden in het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) (dit onder andere omdat veelal ook radiologisch onderzoek deel uitmaakt van het onderzoek), maar de mogelijkheid bestaat ook dat een forensisch patholoog van het NFI dit onderzoek verricht op locatie in een sectieruimte van een zorginstelling (dit dan voornamelijk als radiologisch onderzoek geen deel uitmaakt van het onderzoek).[2]

De hersenbank[bewerken]

Naast de beschreven mogelijkheden van inwendig schouw bestaat nog een uniek project van de Vrije Universiteit van Amsterdam (VU), waarbij onderzoek van de hersenen plaatsheeft. Dit betreft "De Hersenbank". Overledenen die tijdens leven aan één van de volgende ziektebeelden leden: dementie, multiple sclerose, Parkinson, depressie of schizofrenie, kunnen hun hersenen afstaan voor onderzoek naar het betreffende ziektebeeld. Men kan daarvoor bij leven afspraken maken met de Hersenbank en een hersencodicil invullen.

Donatie[bewerken]

Na constatering van (hersen)dood kan, in geval toestemming is, een donatieprocedure plaatsvinden. De regelgeving van donatie en donatieprocedure is vastgelegd in de Nederlandse Wet op de orgaandonatie. In geval sprake is van donatieregistratie in het donorregister en/of na toestemming van de nabestaanden zal worden gekeken of de (hersen)dode in aanmerking komt voor donatiedoeleinden. Voor donatie bestaat onderscheid tussen hersendode donoren (heartbeating donor) en biologisch dode donoren (non-heartbeating donor).

Hersendode donoren (heartbeating donor)[bewerken]

In Nederland verzorgt een transplantatieteam de uitname van organen. In Nederland wordt dit gecoördineerd door de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS) vanuit haar Orgaancentrumfunctie. Zij kijken in hun database waar de betreffende organen wenselijk zijn, stuurt het transplantatieteam aan en draagt zorg voor verspreiding van uitgenomen organen. Heartbeating transplantatieorganen betreffen: de nieren, de lever, het hart, de longen, de alvleesklier, de eilandjes van Langerhans uit de alvleesklier en de dunne darm.

Voor aanvang van deze procedure treedt het hersendoodprotocol in werking (zie wetgeving).

Biologisch dode donoren (non-heartbeating donor)[bewerken]

In Nederland verzorgt de Nederlandse Transplantatie Stichting (NTS), welke een vergunning heeft als Orgaancentrum een coördinerende rol voor wat betreft uitname, bewerking en verspreiding van donatieweefsel. Non-heartbeating donatieweefsels betreffen: hoornvlies, huid, hartkleppen, bloedvaten en bot en peesweefsel.

Overledenenzorg[bewerken]

Ook wel overledenenverzorging, postmortale zorg, laatste zorg of afleggen, heeft in principe plaats na de overledenenschouw. "In principe" omdat het in Nederland veelvuldig voorkomt dat de overledenenzorg plaatsheeft voor aanvang van de overledenenschouw. Door deze handelwijze wordt voor een zeer groot deel de mogelijkheid ontnomen dat de behandelend arts de doelstelling van de overledenenschouw volgens de wetgeving kan realiseren. Sporen die mogelijk bijdragen tot het opmerken van een (vermoedelijk) niet natuurlijke dood worden door deze handelwijze weggenomen.

De overledenenzorg wordt doorgaans in opdracht van de nabestaanden uitgevoerd door verpleging in een zorginstelling, mortuariumbeheer in een zorginstelling, een uitvaartondernemer of door de nabestaanden zelf. Ook bestaat de mogelijkheid dat nabestaanden de overledenenzorg realiseren samen met de benoemde disciplines.

Het doel van overledenenzorg is:

  • respect voor de overledene.
  • nabestaanden een goede start te geven van het rouwproces.
  • onderdeel van religie (zoals een rituele wassing).
  • voorbereiding op de conservering.

Als sprake is van non-heartbeating donatie zal (bepaalde onderdelen van) de overledenenzorg plaatsvinden na de donatieprocedure.[2]

Ter beschikking van de wetenschap[bewerken]

Tijdens leven bestaat de mogelijkheid om een contract af te sluiten met een medische faculteit om na overlijden het stoffelijk overschot beschikbaar te stellen voor de wetenschap. Na overlijden zal de medische faculteit kijken of het stoffelijk overschot geaccepteerd wordt (hieraan zijn voorwaarden verbonden). In geval de faculteit het stoffelijk overschot geaccepteerd heeft, vindt er geen begrafenis of crematie plaats. In geval het stoffelijk overschot niet wordt geaccepteerd dienen de nabestaanden zelf in een uitvaart te voorzien. Een dergelijk contract wordt slechts met één medische faculteit afgesloten. In geval de betreffende medische faculteit het stoffelijk overschot niet accepteert bestaat dus geen mogelijkheid om deze aan een andere medische faculteit aan te bieden.[2]

Restauratie in geval van trauma[bewerken]

Als door trauma het lichaam minder geschikt is om te tonen zal worden gekeken of een restauratie gerealiseerd kan worden. Doel van restauratie is, dat een confrontatie plaats kan vinden en dat nabestaanden de mogelijkheid krijgen om afscheid te nemen van de overledene. In Nederland bestaan bedrijven die gespecialiseerd zijn in restauratie van overledenen.[2]

De uitvaart[bewerken]

Binnen de in de wet gestelde termijn dient in een begrafenis of crematie te worden voorzien. Nabestaanden dienen zorg te dragen voor het realiseren van de uitvaart. Mochten er geen nabestaanden zijn of mochten nabestaanden niet kunnen of willen voorzien in een uitvaart, dan zal volgens de wet de gemeente van overlijden voorzien in een uitvaart.

Nabestaanden kunnen een uitvaartonderneming inschakelen die binnen zijn mogelijkheden en beperkingen volgens de wens van de nabestaanden (of de wens van de overledene) de uitvaart realiseert. In de Wet op de Lijkbezorging staat: “De lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden.” Nabestaanden kunnen ook zelf in een uitvaart voorzien zonder het inschakelen van een commerciële uitvaartondernemer. Men dient zich dan wel aan wettelijke regelgeving te houden en regelingen te treffen om de uitvaart te realiseren. De periode van sterven tot aan de uitvaart wordt veelal gebruikt voor rouwbezoeken en afscheidviering.[2]

Conservering van de overledene[bewerken]

Na overlijden dient zo spoedig als mogelijk conservering van de overledene plaats te vinden. In Nederland bestaan drie wettelijk toegestane mogelijkheden tot conservering:

  1. Koelen (3 – 5 graden Celsius).
    1. Koelruimte
    2. Bedkoelsysteem
    3. Kistkoelsysteem
  2. Thanatopraxie (milde vorm van balsemen).
  3. Graszodenmethode (alternatieve vorm van conserveren).[2]

Behandeling van een overledene op zee[bewerken]

Onder het zeerecht geldt het protocol "Lijk aan boord van een Nederlands schip", geënt op het Besluit op de lijkbezorging, dat regelt:

  • Bevestiging doodverklaring, een arts van RMA moet (op afstand) de dood vaststellen
  • De gezagvoerder moet in geval van overlijden:
    • Binnen 24 uur voorlopige akte in het journaal schrijven met 2 getuigen erbij
    • Zo spoedig mogelijk een afschrift van de akte sturen naar de burgerlijke stand in Den Haag
    • Er dient zo veel mogelijk gehandeld te worden naar de wens van de overledene of diens nabestaanden
    • Zonder wilsverklaring wordt de overledene naar zijn thuisland vervoerd
  • Het bewaren van een lijk aan boord:
    • Tot 5 dagen: afgezonderd op koele plaats
    • Tot 8 dagen; in gesloten omhulsel, in koelkast, eventueel 2de zak met ijs.
    • Meer dan 8 dagen: in gesloten omhulsel, in vriezer
  • De overledene mag overboord gezet worden:
    • Als niet aan bovenstaande voorwaarden kan worden voldaan
    • Pas na een wachttijd van 36 uur
    • De gezondheidstoestand aan boord dit vereist
    • Er overleg met een scheepsarts en/of scheepsraad geweest is
    • Het lijk in stevig omhulsel verpakt en goed verzwaard is
  • Bij niet-natuurlijke dood moet de gezagvoerder een onderzoek instellen en het lijk bewaren voor lijkschouw
  • Afleggen
    • Ogen en mond sluiten voordat stijfheid (na 3 à 4 uur) intreedt
    • Wassen en lichaam insmeren met bodylotion
    • Haren wassen en nagels knippen
    • Vette watten in endeldarm
    • Blaas legen (katheter)
    • Watten in neusgaten
    • In lijkzak

De kapitein van een zeeschip maakt een beschrijving van de goederen van overledene met twee getuigen, die mee ondertekenen.

Bijna-doodervaring[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie bijna-doodervaring voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Cultuur[bewerken]

In de cultuur wordt de dood vaak gepersonifieerd door het levend geraamte Magere Hein, die overeenkomsten heeft met Vadertje Tijd, maar in de Middelnederlandse allegorie Spyeghel der salicheyt van Elckerlijc heet hij eenvoudig de Dood. Een veelvoorkomend thema is de dodendans. In de Griekse mythologie wordt Thanatos (Dood) beschouwd als een broer van Hypnos (Slaap). De dood is ook prominent aanwezig in de literatuur met titels variërend van het poëtische Der Tod in Venedig van Thomas Mann tot het kordate Death van Woody Allen. Van de 78 Tarotkaarten is nummer 13 de Dood, hoewel dit meestal niet de dood zelve betekent, maar verandering.

Religie[bewerken]

De dood heeft de mens altijd gefascineerd. Het is een onlosmakelijk aspect van leven, ongeacht tijd, plaats of cultuur. Mensen gaan wel op verschillende manieren om met de dood. Ook de ervaring een ander mens te zien sterven, geeft te denken. In de meeste religies is sprake van een overwinning op de dood of van een voortleven na de dood. In oosterse religies gelooft men in wedergeboorte of reïncarnatie. Parinibbana vindt in het boeddhisme plaats bij het overlijden van iemand die het Nirvana bereikt heeft. Het Tibetaans Dodenboek gaat specifiek in op wat er precies gebeurt tussen dood en wedergeboorte. In de discussie over het leven na de dood moet men de vraag stellen of de mens persoonlijk en bewust dan wel onpersoonlijk en onbewust voortleeft. Hierover schreef Kees Stip in 1950 in zijn verslag van de tragische dubbele zelfmoord van Pyramus en Thisbe:[3]

De liefde bij ons doden kent
geen strikt persoonlijk element.
't Is alles eender, vijand, vrind,
zijn even lief, even bemind.

Bij meditatie over de dood reflecteert men tijdens de meditatie over verschillende aspecten van dood zijn of dood gaan.

Dierenwereld[bewerken]

Ook dieren lijken soms blijk te geven van een voorgevoel van de naderende dood. Een dier dat naar de slachtbank wordt gevoerd, gedraagt zich aantoonbaar onrustiger[bron?]. Een kat die het einde voelt komen, zoekt een stil plekje op[bron?]. Volgens een oud volksgeloof zingt een zwaan kort voordat hij sterft de spreekwoordelijke zwanenzang. Reeds Aischylos (±525 v.Chr.-456 v.Chr.) verwonderde zich over de voorspellende gave van deze dieren.[4]

Taal[bewerken]

Er bestaan vele verschillende, meer of minder eufemistische Nederlandse synoniemen voor het woord sterven. Er zijn weinig begrippen waar meer synoniemen voor bestaan.

Veelgebruikte termen zijn:

  • doodgaan
  • heengaan
  • overgaan
  • de laatste reis maken
  • overlijden
  • inslapen
  • ontslapen
  • zieltogen
  • de ziel geven
  • ontvallen (gebruikt in lijdende vorm)
  • sneuvelen (door strijd)
  • verongelukken (per ongeluk)
  • om het leven komen, omkomen (op onnatuurlijke wijze)
  • het tijdelijke met het eeuwige verwisselen
  • de eeuwige slaap
  • (er) niet meer zijn
  • het leven geven
  • het leven laten
  • het leven erbij inschieten
  • de hemel binnen gaan
  • de geest geven
  • de man met de zeis ontmoeten
  • zijn eindbestemming bereiken
  • naar de onderwereld gaan
  • naar de andere kant gaan
  • de laatste adem uitblazen
  • deze wereld verlaten
  • tot stof vergaan
  • de levenslijn beëindigen
  • Magere Hein zien
  • de Styx oversteken
  • het hiernamaals binnentreden
  • bij Petrus zijn
  • de Heer heeft tot zich genomen (bijbels)
  • bevorderd tot Heerlijkheid (Leger des Heils)
  • naar de eeuwige jachtvelden gaan

Minder gangbaar zijn:

  • je ogen dichtdoen
  • hemelen
  • verscheiden
  • expireren
  • uitgaan
  • terugkeren naar de Schepper
  • uittreden
  • het licht uit doen
  • bij de Here zijn
  • tot zijn voorvaderen vergaderd worden (bijbels)
  • zijn schepper ontmoeten
  • succumberen
  • de laatste daad doen
  • bij de engeltjes zijn (gezegd tegen kinderen)
  • de kuiten strekken

Wat grovere uitdrukkingen zijn:

  • creperen
  • de pijp uit gaan
  • je hachje wegsmacken
  • het loodje leggen
  • in de hel branden
  • er een eind aan breien
  • onder de zoden zijn
  • de pijp aan Maarten geven
  • het hoekje om gaan
  • de moord steken
  • een tuintje op je buik hebben
  • terug op je oude gewicht zijn - Hij is terug op z'n oude gewicht.
  • gestopt met roken zijn - Jan is nu ook gestopt met roken.
  • kassie zes zijn (verwijzend naar de zes zijden van een doodskist)
  • tussen zes planken liggen (idem)
  • wijlen gaan / kassie wijle
  • niet meer opstaan
  • naar de paardenslager gaan
  • Aan de verkeerde kant van het gras gaan liggen
  • om kroosjes gaan [5]
  • naar de haaien gaan [6]
  • achter de toren liggen
  • de houten jas/pyjama aantrekken
  • de wormen zijn gaan voeren
  • de onderkant van het gras aan het bekijken

Omgekeerd wordt de dood bij name genoemd in vele spreekwoorden en uitdrukkingen waar geen sprake hoeft te zijn van een letterlijk sterven:

  • Een broertje dood hebben aan iets: een grote afkeer hebben van iets[7]
  • De een zijn dood is de ander zijn brood: het ongeluk van de een is een voordeel voor een ander
  • Hij is als de dood: hij is ergens heel bang voor

Voorts zijn er ook handgebaren om de reis over de Styx aan te duiden. Een bekende is de rechterhand voor de nek langs te bewegen in een horizontale lijn. Duikers maken deze beweging om een tekort aan zuurstof aan te duiden, daarmee duidend op een acute noodsituatie die de dood tot gevolg kan hebben. Een minder gangbaar gebaar is de rechter wijsvinger horizontaal gekruist over een verticale linker wijsvinger te plaatsen ter hoogte van het tweede kootje van de linker wijsvinger.

Lijsten van recent overleden personen[bewerken]

Lijsten van personen volgens doodsoorzaak[bewerken]

Overige lijsten van overleden personen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Dood.
Icoontje WikiWoordenboek Zoek dood op in het WikiWoordenboek.