Dood en herrijzenis van Christus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Herrijzenis van Christus, Francesco Buoneri, 1619-20

De dood en herrijzenis van Christus is een centraal thema in het christendom.

Bron[bewerken]

De enige nu bekende bron voor de gebeurtenissen van lijden, sterven en opstanding van Jezus, is de Bijbel. Met name de vier evangeliën in het Nieuwe Testament. In Matteüs 26-28, Marcus 14-16, Lucas 22-24 en Johannes 18-21 wordt deze geschiedenis beschreven. Er zijn sterke parallellen met oudtestamentische verhalen over onder meer Elia, David en Absalom (1 Koningen 19:1-5, 2 Samuel 15-17). Hieronder een beknopte weergave.

De arrestatie[bewerken]

Overpriesters en schriftgeleerden zochten naar een list om Jezus te doden. In waarschijnlijk zijn 33e levensjaar werd Jezus van Nazareth net voor het joodse paasfeest door Judas Iskariot, een van zijn volgelingen, met een kus (niet vermeld in Johannes) verraden en door een groep van Romeinse soldaten, hogepriesters, oversten en tempeldienaars gearresteerd. Verslagen hiervan zijn terug te vinden in alle vier evangelieverhalen. In Mattheus 26:51, Marcus 14:47, Lucas 22:49, Johannes 18:10 wordt gewapend verzet geboden, waar Jezus zich tegen keert (niet in Marcus), terwijl Jezus eerder in Lucas 22:36-38 twee zwaarden voldoende achtte. Jezus, die wist wat er zou gebeuren, had enkele benauwde uren doorgemaakt in een tuin net buiten de muren van Jeruzalem, die de Hof van Gethsémané heette.

De rechtszaak en veroordeling[bewerken]

Hij werd naar het huis van de hogepriester gebracht, om verhoord te worden door Annas, de schoonvader van de toenmalige hogepriester Kajafas. Men bespotte hem en mensen spuwden en sloegen hem in zijn gezicht. In de vroege ochtend kwam de Joodse Raad, het Sanhedrin, bijeen voor de rechtszaak. Daar werden door betaalde getuigen beschuldigingen tegen hem geuit en scheurde de hogepriester zijn kleren uit verontwaardiging dat Jezus niet ontkende de zoon van God te zijn.

Hierna werd Jezus naar het gerechtsgebouw (vermoedelijk het paleis van Herodes) gebracht, de verblijfplaats van de Romeinse praefectus Pontius Pilatus. Deze was ter gelegenheid van het Pesach naar Jeruzalem gekomen. Normaal verbleef de prefect in de Romeinse stad Caesarea aan de Middellandse Zeekust wegens het mildere klimaat. Pilatus kon geen misdaad vinden en wilde Jezus vrijspreken, maar omdat overpriesters en andere omstanders zeiden dat hij een onruststoker was, stuurde hij hem naar Herodes, de tetrarch van Galilea, de landstreek waar Jezus was opgegroeid. Herodes was op dat moment ook in Jeruzalem. Maar omdat deze Herodes alleen uit was op sensatie zei Jezus helemaal niets, en werd hij weer teruggestuurd naar Pilatus. Die wilde hem opnieuw vrijlaten, omdat hij niets kon vinden wat de doodstraf verdiende. Hij stelde voor Jezus te geselen en los te laten, omdat hij toch al verplicht was op het feest een gevangene vrij te laten. Maar de mensen riepen dat hij Barabbas moest vrijlaten en bleven op kruisiging aandringen. Uiteindelijk gaf Pilatus toe. Jezus werd alsnog gegeseld, een purperen koningsmantel omgedaan, een kroon van gevlochten doorntakken op zijn hoofd gedrukt en opnieuw uitvoerig bespot. Ten slotte werd hij, met het kruis op zijn schouders, naar Golgotha, de plaats van terechtstelling, gevoerd. Onderweg werd een toevallige voorbijganger, Simon van Cyrene, gedwongen het kruis over te nemen.

De kruisiging[bewerken]

Grünewalds laatgotische schilderij van de kruisiging, "Paneel van het Isenheim altaarstuk", toont een gemartelde Christus. Het altaarstuk moest een troost zijn voor pestlijders. Circa 1515.

Jezus werd om ongeveer negen uur 's morgens aan het houten kruis vastgespijkerd en omhooggehesen. Naast hem werden meteen twee misdadigers meegekruisigd. Tot verontwaardiging van de overpriesters liet Pilatus een bordje met de tekst Dit is de Koning der Joden boven Jezus' hoofd bevestigen. Soldaten dobbelden onder het kruis om zijn kleding; sommige discipelen en Maria, Jezus' moeder, keken van een afstandje toe. Om een uur of twaalf werd het opeens in het hele land donker, drie uur lang (volgens Matteüs, Marcus en Lucas). Dit was in ieder geval geen reguliere eclips, geen zonsverduistering, want daarbij is het niet uren lang donker en bovendien kan die alleen bij nieuwe maan plaatsvinden en Pasen is altijd bij een volle maan (zie punt 3). Tijdens zijn zes uren aan het kruis deed Jezus verschillende uitspraken, die de kruiswoorden genoemd worden. Om drie uur 's middags hoorden omstanders Jezus hard roepen, waarna hij stierf. Soldaten staken, waarschijnlijk ter controle, een speer in zijn zij. Volgens het Evangelie van Marcus scheurde het 'voorhangsel' in de tempel op het moment van Jezus' overlijden doormidden (volgens Matteüs, Marcus en Lucas). Alleen Matteüs schreef dat er een aardbeving plaatsvond, waarbij rotsen scheurden en graven opengingen.

De begrafenis[bewerken]

Omdat de voorbereiding voor de sabbat al om zes uur 's avonds zou ingaan, werd Jezus' lichaam snel in linnen gewikkeld en in een graf in de buurt gelegd, dat door een rijke jood, Jozef van Arimathea, beschikbaar was gesteld. Hij wentelde een zware steen voor de opening. Op last van Pilatus werd het graf de volgende ochtend verzegeld en hielden twee soldaten de wacht. De reden hiervoor was de klacht van joodse leiders dat de discipelen wel eens zijn lichaam zouden kunnen stelen om te kunnen beweren dat hij was opgestaan. Jezus had namelijk zelf aangekondigd dat hij na drie dagen uit de dood verrezen zou zijn.

De opstanding[bewerken]

In de vier evangeliën (Mattheüs, Markus, Lukas, Johannes), het boek Handelingen en de eerste brief van de apostel Paulus aan de Korinthiërs (1 Korinthiërs) staat dat Jezus na Zijn opstanding verschenen is aan verschillende personen. In de oudste handschriften van Marcus eindigt het relaas abrupt met de ontdekking dat het graf leeg is en worden dus geen verschijningen van de opgestane Heer beschreven; die staat wel in de latere aanvulling Marcus 16. Omdat de Eerste brief van Paulus aan de Korintiërs de oudste bron is, gaat deze voorop in onderstaande tabel.

Aan wie verscheen Jezus: Korinthiërs Matteüs Marcus Appendix Lucas Johannes Handelingen
1 Maria Magdalena - - Markus 16:9-11 - Johannes 20:10-18 -
2 Maria Magdalena en de andere Maria - Mattheüs 28:8-10 - - - -
3 Petrus (Cefas, Simon) 1 Korinthiërs 15:5 - - Lucas 24:34 - -
4 Twee reizigers (op weg naar Emmaüs bij Lucas) - - Markus 16:9-11 Lucas 24:13-35 - -
5 (Elf) discipelen (achter gesloten deuren) tijdens maaltijd die aansluitend Jezus' afscheid door hemelvaart bijwonen (bij Lucas staat geen expliciete hemelvaart) - - Markus 16:14 Lucas 24:36-49 - Handelingen 1:3-8
6 De discipelen (achter gesloten deuren) tijdens maaltijd zonder aansluitend afscheid van Jezus - - - - Johannes 20:19-25 -
7 Twaalf discipelen, alle apostelen 1 Korinthiërs 15:5, 7 - - - - -
8 Alle discipelen en Thomas - - - - Johannes 20:26-31 -
9 Zeven discipelen bij het vissen in het meer van Tiberias zonder hemelvaart van Jezus - - - - Johannes 21:1-14 -
10 Elf discipelen op de berg in Galilea zonder hemelvaart van Jezus - Mattheüs 28:16-20 - - - -
11 Een menigte van 500 mensen 1 Korinthiërs 15:6 - - - - -
12 Apostel Jacobus de Mindere 1 Korinthiërs 15:7 - - - - -
13 Apostel Paulus 1 Korinthiërs 15:8 - - - - Handelingen 9:3–9, 9:13–19, 22:1-10
14 Stefanus - - - - - Handelingen 7:55

Anderhalve dag na zijn dood aan het kruis (Goede Vrijdag) stond Jezus op uit de dood (Paasfeest), waarna hij in de 40 dagen tussen Pasen en Pinksteren zijn leerlingen uitlegde dat alles wat gebeurd was moest gebeuren om Gods plan ten uitvoer te brengen. Hierna beloofde hij de Heilige Geest te sturen om de discipelen in herinnering te brengen wat hij hen had gezegd en hen verder in de leer te onderrichten. Vervolgens voer hij ten hemel na hen verzekerd te hebben terug te zullen keren (Hemelvaartsdag), aldus het Evangelie. Enkele vermeldingen over het lege graf: Joh. 20:6: de linnen doeken waren nog aanwezig in het graf en de doek waarmee Jezus' gezicht bedekt was geweest, lag opgerold op een andere plek. Die doeken waren het meest kostbare wat er in het graf aanwezig was. Grafrovers zouden deze zeker hebben meegenomen. Het evangelie van Matteüs vermeldt in hoofdstuk 28 dat de oudsten en hogepriesters vergaderden en besloten dat ze de soldaten, die de wacht bij het graf hadden gehouden, een flinke som geld zouden geven en hun op te dragen te zeggen dat de discipelen van Jezus het lichaam van Jezus gestolen hadden, terwijl de soldaten sliepen. In die tijd werden soldaten die hun plicht niet naar behoren uitvoerden, normaal gesproken ter dood veroordeeld, wat nu niet gebeurde.

Wat betreft de verschijning van Jezus aan de apostel Paulus: op drie plaatsen in Handelingen en een plaats in 1 Korintiërs gaat het om een verschijning, maar in Galaten 1:16 om "een openbaring in mij (Paulus)".

In de Openbaring van Johannes 1:12-20 verschijnt Jezus aan Johannes van Patmos.

Andere bronnen[bewerken]

Behalve in de genoemde hoofdstukken van de vier Evangeliën zijn ook aanwijzingen en uitspraken over het lijden, sterven en opstanding van Jezus te vinden in de voorgaande hoofdstukken, bijvoorbeeld in Johannes 2:4, 13:1, 18:32 en 19:14 en in Marcus 14:28 en 16:7.

Buiten het Nieuwe Testament zijn er ook enkele, meestal vrij summiere vermeldingen bewaard gebleven over Pasen.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties