Doodgravers
| Doodgravers | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | |||||||||||
|
|||||||||||
| Geslacht | |||||||||||
| Nicrophorus Fabricius, 1775 |
|||||||||||
|
|||||||||||
Doodgravers (Nicrophorus) zijn een geslacht van bijzondere kevers, onder andere omdat ze een voor insecten uitzonderlijke vorm van broedzorg kennen.
Inhoud |
Kenmerken [bewerken]
Vrij grote, 10-35 mm lange kevers. Ze zijn glanzend zwart met soms een helder oranje tekening op de rug die na de dood echter snel aan levendigheid inboet. De buik is vrij uitgebreid behaard, de rugkant ook wel eens. Grote kop met ook grote ogen. Halsschild met een aantal bobbels en een platte rand. De dekschilden bedekken het achterlijf niet geheel, er blijven 3 achterlijfssegmenten onbedekt. De kevers kunnen tsjirpen door kammen op de dekschild-achterrand en een dubbele rij getande ribbels op de 5e tergiet tegen elkaar te wrijven. De antennes zijn kort en hebben een knots die uit vier geledingen bestaat. Mannetjes hebben duidelijk bredere voortarsen dan de vrouwtjes, die aan de onderkant behaard zijn en de leedjes zijn tweelobbig.
Gedrag [bewerken]
De kevers zijn eigenlijk rovers en eten als volwassen dier vooral van de vliegenmaden op aas. Voor de voortplanting wordt het aas zelf gebruikt, dat de kevers ook wel kunnen eten. Bij het vinden van een klein kadaver (muis, vogeltje) wordt de bodem beoordeeld en het lijkje zo nodig wat verplaatst, waarna het wordt ingegraven door de aarde eronder weg te duwen. Komt er een tweede kever op de lucht af, wordt er samengewerkt als het er een van het tegengestelde geslacht is; anders wordt er gevochten, en ook als het een andere soort betreft. Als het kadaver onder de grond is wordt er pas gepaard. Hierna wordt een kuiltje in het aas geknaagd waar verteringssappen in worden opgegeven. Eitjes worden in een gang afgezet die van de aasbal wegloopt. Het vrouwtje blijft bij de eitjes tot ze uitkomen en lokt de jongen door te sjirpen als dit na een dag of 5 is gebeurd. De larfjes worden door de moeder gevoerd. Ze verpoppen zich na 7 dagen al.
Naamgeving [bewerken]
Kenners van het Grieks zullen roepen dat de naam natuurlijk Necrophorus had moeten zijn, lijkendrager. Dit is juist. De oorspronkelijke beschrijver (Fabricius) heeft zich echter in het oorspronkelijke beschrijvende artikel in 1775 vergist en daarin herhaaldelijk Nicrophorus geschreven (zodat het ook niet als een zetfout kon worden afgedaan). Hoewel hij later zijn eigen genus wel eens als Necrophorus aanhaalde, is de naamgeving bij de eerste beschrijving volgens de nomenclatuurregels maatgevend, en daarom is het bij Nicrophorus gebleven. In de literatuur komt Necrophorus voor hetzelfde geslacht echter ook vaak voor.
Soorten in Nederland [bewerken]
Er zijn in Nederland acht soorten gevonden, waarvan er echter 3 of 4 zeldzaam zijn of zelfs als in Nederland uitgestorven moeten worden beschouwd.
- Nicrophorus vespillo, de gewone of krompootdoodgraver (algemeen).
Deze heeft oranje antenne-uiteinden, een oranje achtervlek die tot aan de middennaad doorloopt en sterk naar binnen gebogen achtertibiae. - Nicrophorus humator (algemeen).
Zelfde lichaamsbouw maar geheel zwart, met uitzondering van oranje antenneknotsen. - Nicrophorus vespilloides (tamelijk algemeen)
Dit is de hier afgebeelde doodgraver, herkenbaar aan de geheel zwarte antennen en de niet tot aan de dekschildnaad doorlopende achterste oranje vlek. - Nicrophorus investigator (vrij algemeen)
- Nicrophorus vestigator (zeldzaam)
- Nicrophorus fossor (Sinds 1960 maar twee keer gevonden in Nederland)
- Nicrophorus sepultor (waarschijnlijk niet meer in Nederland)
- Nicrophorus germanicus (waarschijnlijk niet meer in Nederland)
Bronnen [bewerken]
- Schilthuizen M, Vallenduuk H. Kevers op kadavers, KNNV uitgeverij 1998 ISBN 90-5011-112-2
- E. Möhn (ed), K.W. Harde, F.Severa. Der Kosmos Käferführer, Stuttgart, Franck-Kosmos Verlags-GmbH 2000, ISBN 3-440-06959-1.
| Zie de categorie Nicrophorus van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |