Doodshoofdaapjes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Doodshoofdaapjes
Doodshoofdaapje
Doodshoofdaapje
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Primates (Primaten)
Familie: Cebidae (Kapucijnapen, doodshoofdaapjes en klauwaapjes)
Onderfamilie: Saimiriinae (Doodshoofdaapjes)
Geslacht
Saimiri
Voigt, 1831
Typesoort
Simia sciurea Linnaeus, 1758
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De doodshoofdaapjes (Saimiri) zijn een geslacht van de familie Kapucijnapen, doodshoofdaapjes en klauwaapjes (Cebidae). Zij danken hun naam aan hun gezichtstekening, die wat van een schedel wegheeft. Doodshoofdaapjes behoren tot de algemeenste apen van Latijns-Amerika. Tegenwoordig worden de doodshoofdaapjes regelmatig in een eigen onderfamilie geplaatst, de Saimiriinae, alhoewel ze ook vaak met de kapucijnapen in de onderfamilie Cebinae geplaatst worden.

Kenmerken[bewerken]

Doodshoofdaapjes hebben een korte, dichte en zachte vacht. De rug, armen, handen en voeten zijn roodachtig of geel van kleur, de schouders en achterpoten zijn meer grijzig. De buikzijde is gelig of licht oker. De staart heeft een zwarte punt. De bovenkant van de kop is zwart tot grijzig van kleur, en het gebied rond de ogen en oren is wit, evenals de keel en beide zijden van de nek. De huid rond de lippen en de neusgaten is kaal en zwart van kleur. Doodshoofdaapjes worden 26 tot 36 centimeter lang, met een 35 tot 42,5 centimeter lange staart en een gewicht van 800

tot 1000 gram.

Leefwijze[bewerken]

Doodshoofdaapjes leven in de primaire en secundaire regenwouden van Latijns-Amerika, langs rivieren of in mangroves. Ook in bosplantages komen ze voor. Het zijn dagactieve boombewoners. Soms komen ze ook op de grond. Ze bewegen zich in de bomen voort met korte sprongen van tak naar tak. Rond het middaguur houden de dieren een rustpauze.

Het zijn omnivoren, die zich voeden met vruchten, bessen, noten, zaden, knoppen, bloemen, gom, insecten, spinnen en kleine gewervelden.

Doodshoofdaapjes leven in kleine tot zeer grote groepen, bestaande uit tien tot meer dan driehonderd dieren, gemiddeld dertig à veertig dieren. Door in grote groepen te leven, zijn deze dieren veilig voor roofdieren. Ook zijn er gemengde groepen bekend met andere primatensoorten, als kapucijnapen en oeakari's. Deze groepen zijn niet territoriaal. Deze groepen bestaan weer verder uit kleinere subgroepen, die bestaan uit volwassen vrouwtjes en hun jongen of uit onvolwassen en jonge volwassen mannetjes. Tijdens de paartijd ontstaat er door middel van gevechten een hiërarchie onder de mannetjes. De dominante mannetjes mogen omgaan met vrouwtjes.

Voortplanting[bewerken]

De paartijd valt in het droge seizoen. Jongen worden meestal eind juni tot begin augustus geboren, na een draagtijd van 152 tot 172 dagen. Het ene jong weegt bij de geboorte ongeveer honderd gram. Direct na de geboorte klampt het zich vast aan de rug van zijn moeder. Mannetjes zorgen niet voor de jongen. Andere vrouwtjes dan de moeder, behorende tot dezelfde subgroep, zullen het jong wel dragen en in de gaten houden als de moeder aan het foerageren is. Vaak is dit de grootmoeder van het jong, of een vrouwtje zonder eigen jongen. Het jong is na een jaar onafhankelijk. Vrouwtjes zijn na drie jaar geslachtsrijp, mannetjes na vijf jaar. Ze kunnen tot dertig jaar oud worden in gevangenschap.

Taxonomie[bewerken]

Er zijn vijf soorten, die van elkaar kunnen worden onderscheiden door de kleur van de vacht.

Antillothrix bernensis, een West-Indische aap uit Hispaniola, is oorspronkelijk als een doodshoofdaapje beschreven (Saimiri bernensis), maar waarschijnlijk is hij niet nauw verwant aan de doodshoofdaapjes.

Trivia[bewerken]

  • Een bekend doodshoofdaapje is meneer Nillson, het aapje van Pippi Langkous.

Afbeeldingen[bewerken]