Draailier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Draailier
Hongaarse draailier
Hongaarse draailier
Classificatie

Sachs-Hornbostel: 312.322-72

Gerelateerde instrumenten
nyckelharpa, doedelzak
Meer artikelen
bourdon, resonantiesnaar, klankkast, tangent
Portaal  Portaalicoon   Muziek

Een draailier (een vroegere versie ervan wordt ook wel organistrum genoemd) is een soort gemechaniseerde viool. De strijkstok is hierbij vervangen door een wiel dat door middel van een zwengel wordt rondgedraaid en dat met hars stroef gemaakt wordt. De snaren drukken hier tegenaan. De melodiesnaar/snaren (chanterelle(s)) worden met tangenten verkort wanneer de corresponderende toets wordt ingedrukt. De bourdonsnaar/snaren zijn continu te horen maar kunnen per snaar ook in- en uitgeschakeld worden.

Een karakteristieke eigenschap van een draailier is de ritmische begeleiding die ontstaat door bij het draaien aan het wiel vanuit de pols ritmische versnellingen aan te brengen. Op de draailier doet dit de trompetkam in trilling komen wat een ritmisch snerpend geluid geeft.

Draailieren komen vooral voor in Frankrijk (vielle à roue) en Hongarije (tekerö). De Hongaarse draailier is meestal eenvoudiger van constructie. Het instrument is verwant aan het Zweedse instrument nyckelharpa.

De aanwezigheid van bourdon- en melodiesnaren maakt dat een draailier veelal dezelfde eigenaardigheden deelt met een heel ander instrument: de doedelzak.

De draailier wordt nog veel gebruikt in Keltische muziekstijlen. Onder andere de folkmetalband Eluveitie en pagan folkband Omnia maakt gebruik van de draailier.

Franz Schubert schreef het lied "Der Leiermann" (in de cyclus "Winterreise"), waarin het geluid van de draailier op de piano wordt nagebootst.

Korte beschrijving[bewerken]

De snaren van de draailier worden aan het trillen gebracht door een met hars stroef gemaakt wiel. Dit wiel wordt met een draaikruk rondgedraaid en functioneert zoals een strijkstok van bijvoorbeeld een viool. De melodieën worden gespeeld via een toetsenbord, via deze toetsen worden, meestal houten, tangenten tegen de (melodie)snaar (of snaren) aangedrukt waardoor de toon verandert. Om de klank te versterken wordt een klankkast toegepast, deze kan verschillende vormen hebben. De meeste draailieren hebben meerdere bourdonsnaren, die zorgen voor een constante toon onder de melodie. Dit resulteert in eenzelfde geluid als bij een doedelzak en geeft aanleiding tot geheel of gedeeltelijke uitwisseling tussen bespelers van doedelzak en draailier. Veel draailieren kunnen ook een beperkt percussie-effect toevoegen door het wiel niet gelijkmatig te draaien, maar schoksgewijs. Sommige draailieren, vooral in Frankrijk, hebben ook nog resonantiesnaren, die niet door het wiel worden aangestreken maar enkel spontaan meetrillen met de toon waarop ze gestemd zijn.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste draailieren werden reeds in de 9e eeuw gebouwd. Aanvankelijk hadden de instrumenten slechts drie snaren, die tegelijkertijd tot klinken werden gebracht, later werd dit aantal soms uitgebreid tot zes. Draailieren werden in verschillende groottes en stemmingen gebouwd. De grootste instrumenten waren tot ca. 180 cm lang en werden soms door twee spelers tegelijk bespeeld. Vanaf de 13e eeuw komen draailieren veelvuldig voor op afbeeldingen (er zijn afbeeldingen uit die tijd uit o.a. Spanje (Santiago de Compostella) en Frankrijk overgeleverd), en wordt aan het instrument een stembaar tangentensysteem toegevoegd, dat de snaarlengte op de juiste lengte kan brengen om een gewenste toonhoogte te produceren. Het instrument werd zowel in wereldlijke als geestelijke muziek ingezet, maar raakte in de kunstmuziek op de achtergrond bij de opkomst van orkesten in de 16e en 17e eeuw. In de volksmuziek bleef het instrument lange tijd populair.

Een enkele keer ontmoet men de draailier in de "ernstige" muziek: zo worden een draailier én een doedelzak ingezet in de sinfonia Die Bauernhochzeit van Leopold Mozart, om de landelijke sfeer te onderstrepen; en aan het Franse hof werd een draailierversie gespeeld van Vivaldi's concertreeks De vier jaargetijden onder de naam "Les Saisons amusantes" van de hand van Nicolas Chédeville.

Traditioneel gebruik in Oost-Europa[bewerken]

De draailier was een bekend traditioneel instrument in Oost-Europa en in het bijzonder in Polen, Wit-Rusland, Hongarije en Oekraïne. In Oekraïne is een versie van de draailier bekend onder de naam lira of relia (Oekraïens: ліра) en gebruikt bij de Kobzars of bij de Lirnyky.

Heropleving[bewerken]

In Vlaanderen en Nederland kent de draailier een heropleving sinds het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw, die kadert in een algemene herwaardering van de traditionele en historische muziek en instrumenten. Pioniers in die tijd waren groepen als 't Kliekske in Vlaanderen (met bouwer Herman De Wit) en Voorheen Turf en Wolverlei in Nederland. Omdat het instrument in deze streken zo goed als uitgestorven was moest veel werk worden verzet om oude bouw- en speeltechnieken te reconstrueren. Daarbij was de nooit uitgestorven draailiertraditie in Frankrijk van onschatbare waarde. Tegenwoordig worden cursussen en stages georganiseerd voor zowel het bouwen als het bespelen.

Andere benamingen[bewerken]

Afbeeldingen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • Mizynec, Victor - Folk Instruments of Ukraine - (Bayda books, Australia 1987)
  • Cherkasky, L. - Ukrainski narodni muzychni instrumenty // Tekhnika, Kyiv, Ukraine, 2003. ISBN 966-575-111-5.
  • Margaret J. Kartomi - On Concepts and Classifications of Musical Instruments. Chicago Studies in Ethnomusicology, University of Chicago Press, 1990.

Referenties[bewerken]

  1. Instrumentenbouwer Szerényi Béla