Duitse cinema

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Duitse cinema bestaat al zo lang als het medium film bestaat, al sinds het einde van de 19e eeuw. In 1895 gaven de broers Max en Emil Skladanowsky hun eerste voorstelling met de door hen ontwikkelde filmprojector genaamd Bioskop, waarbij voor het eerst een filmvoorstelling werd gegeven met een betalend publiek. Daarmee was de bioscoop geboren.

De jaren na de Eerste Wereldoorlog vormden de hoogtijdagen van de Duitse cinema. De stomme films uit deze periode waren meestal expressionistische films, zoals Das Cabinet des Dr. Caligari (1920), Nosferatu, eine Symphonie des Grauens (1921) en Metropolis (1927). Ook deed het genre Bergfilm zijn intrede waarin te zien was hoe de hoofdpersonen zich moesten redden in de harde natuur van de bergen.

Halverwege de jaren 20 deed de Nieuwe Zakelijkheid zijn intrede in de filmwereld. Hierbij werden seksualiteit, schandalen en mensen die ten onder gingen op het witte doek gebracht. Zoals in Die Büchse der Pandora (1929) en Der blaue Engel (1930). Deze laatste was ook de eerste Duitse film met geluid en werd zowel in het Duits als in het Engels opgenomen. De film maakte van Marlene Dietrich direct een internationale ster.

Na de opkomst van nazi-Duitsland werd de Duitse filmindustrie ingezet voor het maken propagandafilms zoals Triumph des Willens (1935) en Olympia (1936), beide door Leni Riefenstahl, en Der ewige Jude uit 1940. Ook werd er steeds meer censuur opgelegd. Dit was voor veel filmproducenten, regisseurs en acteurs een reden om uit te wijken naar het buitenland. Vooral naar de Verenigde Staten waardoor de Amerikaanse cinema een grote stimulans kreeg.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Duitsland gesplitst in Oost- en West-Duitsland waarmee ook twee verschillende filmindustrieën ontstonden. De Oost-Duitse filmindustrie kwam snel van de grond met hulp van de Sovjet-Unie omdat zij hierin een bruikbaar propagandamiddel zagen. De West-Duitse filmindustrie moest concurreren met de Amerikaanse films en had te maken met lage budgetten.

In 1951 werd het eerste Internationaal filmfestival van Berlijn gehouden. Op dit festival wordt elk jaar de Gouden Beer voor de beste film toegekend en een aantal Zilveren beren in verschillende categorieën. In de jaren 60 kwam een nieuwe stroming op gang, de Neue Deutsche Film die bevolkt werd door jonge regisseurs die met kleine budgetten werkten en die zich lieten inspireren door de Franse Nouvelle vague.

In de jaren tachtig en begin jaren negentig werden vooral amusementsfilms geproduceerd. Dat had mede te maken met een reorganisatie van het filmsubsidiestelsel.[1] Na de Duitse eenwording werden er geleidelijk aan weer meer inhoudelijke, persoonlijke films gemaakt. Na de eeuwwisseling maakte de Duitse fimindustrie een bloei door. De nieuwe filmsubsidiewet uit 1999 maakte dat er meer geld beschikbaar kwam voor Duitse films. Een nieuw genre ontstond: films over het leven in de DDR zoals Good bye, Lenin! en Das Leben der Anderen. Ook is er een aantal succesvolle films verschenen over en door immigranten, zoals Seven Servants (1996) van Daryush Shokof , Gegen die Wand (2004) van Fatih Akin.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Duitslandweb.nl, Naslagwerk Duitse Film, Afscheid van de Nieuwe Duitse film.