Duitse talen en dialecten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De subgroepen van het eerste niveau, na de hoofdgroepen Neder-, Middel- en Opperduits

De Duitse talen en dialecten in het Duits aangeduid als Deutsche Mundarten, is een groep West-Germaanse talen en dialecten die gesproken worden in Nederland, België (Brussel, Vlaanderen, Aarlen en de Duitse kantons), Luxemburg, Frankrijk (Frans-Vlaanderen en Elzas-Lotharingen), Duitsland, het Duitstalige gedeelte van Zwitserland, Oostenrijk en Italië (Zuid-Tirol en een aantal enclaves). Uit deze grote groep dialecten zijn slechts drie standaardtalen ontwikkeld, namelijk het Duits, het Nederlands en het Luxemburgs.

Indeling[bewerken]

De Duitse talen en dialecten zijn ten eerste opdeelbaar in drie hoofdgroepen, namelijk het Nederduits, het Middelduits en het Opperduits. Binnen deze groepen bestaan er nog weer een aantal subgroepen die op zich weer opdeelbaar zijn in dialecten. Bij elke subgroep worden een aantal van deze dialecten genoemd. De term 'Duits' heeft historisch een bredere betekenis waaronder ook het huidige Nederlands begrepen wordt (Dietsch > Dutch). Pas na de Middeleeuwen hebben zich een Duitse en Nederlandse standaardtaal naast elkaar ontwikkeld. De dialecten getuigen nog altijd van het oude continuüm van de vele 'Duitse' taalvarianten. Het bijgaande kaartje onderscheidt met scherpe grenzen en kleuren deze dialecten, terwijl zij in werkelijkheid in vele mengzones in elkaar overlopen. Alleen de drie hoofddialectgroepen zijn door duidelijke grenzen te onderscheiden. Overigens zijn de dialecten overal - behalve in Zwitserland en Luxemburg - aan het verdwijnen en komt de, regionaal gekleurde, standaardtaal er als dagelijkse omgangstaal voor in de plaats. Daarmee geven de standaardtalen en met hun de staatsgrenzen de modere scherpe taalgrenzen aan, namelijk die tussen het Nederlands en het (Hoog-)Duits. In de opsommingen hieronder wordt steeds een - vaak niet meer dan hypothetisch - kerndialect aangegeven dat in vele vormen overgaat in naburige dialecten, of zelf een overgangsvorm bezit. De vele aanduidingen zijn hier beperkt tot dialecten die als zodanig taalkundig beschreven zijn, maar kunnen naar believen tot op het niveau van dorpsdialecten uitgebreid worden.

Nederduits (Niederdeutsch)[bewerken]

Middelduits (Mitteldeutsch)[bewerken]


Opperduits (Oberdeutsch)[bewerken]

N.B. Sommige aanduidingen betreffen een verdubbeling wanneer beide namen verwijzen naar (een deel van) hetzelfde dialectcluster. Met 'na 1945 uitgestorven dialecten' zijn de talen aangemerkt van de uit Polen en Tsjecho-Slowakije verdreven Duitsers, zie hiervoor Verdrijving van Duitsers na de Tweede Wereldoorlog.

Voetnoten[bewerken]

  1. a b c d http://is.muni.cz/th/179666/ff_b/Zuzana_Malaskova__BC_prace.pdf
  2. Ludwig Erich Schmitt (Hrsg.): Germanische Dialektologie. Franz Steiner, Wiesbaden 1968,p. 143