Dummers oorlog
De Dummers oorlog was een oorlog die plaats vond in Noord-Amerika van circa 1721-1725. De oorlog staat bekend als een opeenvolging van gevechten tussen de Engelsen en de Fransen. De oorlog stond bol van ongeorganiseerd leiderschap, en bestond voornamelijk uit een opeenvolging van ontdekkingstochten waaruit gevechten leiden. Welke van deze gevechten beschouwd moeten worden als een deel van de oorlog blijft nog steeds een onderwerp van discussie.
De grondslag van de oorlog was de spanningen vanwege het eigenaarschap van Amerikaanse grondgebieden in Noord Nieuw-Engeland. In die tijd laghet territoriale gezag bij zowel Engeland als Frankrijk. De Fransen waren de eersten die de rivier de Kennebec in Maine ontdekten. Samuel Champlain bereikte de rivier in 1604. Toch eigenden de Engelsen gebieden langs de Kennec toe door er huizen te bouwen. Dit tot woede van de Fransen, die een pact sloten met Abenaki Indianen om aanvallen tegen de Engelse vestigers op te zetten. Om zich tegen deze aanvallen te beschermen, bouwden de Engelsen "Fort Dummer" in 1724. Het fort was genoemd naar de Luitenant-Gouverneur uit Massachusetts: William Dummer.
Het fort was de eerste Europese vestiging in Vermont. Het was dichtbij de tegenwoordige Brattlebroo, Vermont, gelocaliseerd. De Fransen vestigden zich bij Norridgewock, een Abnaki dorp bij de Kennebec. Een Jezuïtische missionaris, genaamd Sebastian Rasles, leidde die vestiging, terwijl een Abnakische Indiaan genaamd "Grey Lock" ("Grijze Haarlok") de aanvallen leidde. De oorlog begon op 23 augustus, 1724, toen Kapitein Jeremiah Moultan, in reactie op een aanval van de Abnaki's, tachtig manschappen van het Massachusetts Bay garnizoen en enkele Mohikanen samen met Sebastien Rasles, naar een tegenaanval leidde. De aanval eindigde met een succesvolle inname van de Franse vestiging. De Engelse slachtoffers bedroegen twee Massachusetts Bay manschappen en een Mohikaan.
De oorlog van Dummer is niet onbelangrijk omdat het het eerste Amerikaanse conflict met de Indianen was. Autoriteiten boden toen premies voor een gescalpeerde hoofddeksel. De premie bedroeg 100 pond per hoofd, dat hedendaags omgerekend zo'n 20.000 dollar bedraagt (10.000 pond). Ontdekkingsreiziger John Lovewell hoopte ook zo'n premie te ontvangen en leidde een expeditie naar Winnipiscogee, een regio vol met meren, op 19 december 1724. Hij slaagde in het vermoorden en scalperen van een Indiaan en nam een kind gevangen. Later, bij Tamworth, New Hampshire, overrompelde hij samen met veertig andere, een groep Indianen, waarvan hij er tien scalpeerde. Tijdens zijn laatste expeditie stierf hij tijdens een gevecht tegen de Pigwacket bij Fryeburg, Maine, op 8 mei 1725.