Dutchbat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel gaat over het bataljon, voor de gebeurtenissen tijdens en na de val van Srebrenica zie val van Srebrenica. Voor de Nederlandse deelname aan de VN-Vredesmacht in Libanon (UNIFIL) zie Dutchbatt
Dutchbat
1(NL)VN Infanteriebataljon
Land Vlag van Nederland Nederland
Krijgsmachtonderdeel Koninklijke Landmacht
Organisatie 11 Luchtmobiele Brigade
Onderdeel van UNPROFOR
Type VN-vredesmacht
Kleur Blauwe baret/helm
Veldslagen Bosnische Oorlog
Commandanten Lt-kol Chr. Vermeulen (Db I)
Lt-kol P. Everts (Db II)
Lt-kol Th. Karremans (Db III)

Dutchbat (afkorting van de term Dutch Batallion - (Nederlands bataljon, officieel: 1(NL)VN Infanteriebataljon) was een Nederlands infanteriebataljon, dat onder commando van de Verenigde Naties deel uitmaakte van de UNPROFOR vredesmacht van de Verenigde Naties.

Inleiding[bewerken]

Van 1979 tot 1983 werden militairen van het Regiment Infanterie Johan Willem Friso onder de naam "Dutchbatt" (met twee t's) ingezet in Libanon. Dutchbatt maakte toen deel uit van UNIFIL, de VN-vredesmacht in Zuid-Libanon. Tussen maart 1979 en oktober 1985 zijn bijna negenduizend Nederlandse militairen onderdeel van de UNIFIL-vredesmacht in Zuid-Libanon geweest. Zij dienden bij het UNIFIL-hoofdkwartier in Naqoura, bij Dutchbatt (1979-1983) of bij Dutchcoy (1983-1985). Dit artikel behandelt Dutchbat tijdens de missie in Srebrenica.

Nederland is krachtens artikel 90 van de grondwet verplicht de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. In artikel 90 staat: De regering heeft tot taak de ontwikkeling van de internationale rechtsorde te bevorderen. Taken die daarbij horen zijn de vreedzame beslechting van internationale geschillen, het waarborgen van mensenrechten, goede verhoudingen met andere staten onderhouden, goede internationale wetgeving en de naleving daarvan verzorgen en bewaken en de duurzame internationale vrede en veiligheid ondersteunen.

Voorspel[bewerken]

Locatie van Srebrenica

Toen tijdens de Bosnische Oorlog in 1993 het etnische geweld in Bosnië escaleerde drongen politieke partijen er in de Tweede Kamer op aan een Nederlandse militaire bijdrage aan UNPROFOR (daar actief sinds 1992) te leveren door het zenden van troepen naar het voormalige Joegoslavië. UNPROFOR had aldaar een staakt het vuren weten te bereiken, maar er was geen sprake geweest van demilitarisatie van de bevolking.

Het doel van UNPROFOR was de civiele populatie van de Bosnische enclave te beschermen (ook wel de "secure area" of "safe haven" genoemd door de Verenigde Naties).[1] De zogenaamde Rules of Engagement (ROE) stonden alleen toe dat geweld werd gebruikt voor zelfverdediging, waarbij gerekend werd op luchtsteun van de NAVO om de missie te doen slagen. Luchtsteun mocht echter alleen worden aangevraagd wanneer de eigen stellingen werden aangevallen. Inmenging in de gevechten was ten strengste verboden voor alle NAVO-troepen. Men dacht ongeveer 34.000 man nodig te hebben maar uiteindelijk verkreeg men er niet meer dan 7.600. Omdat de resolutie van de Verenigde Natie over Srebrenica door alle beperkingen moeilijk op te volgen was kwam in Nederland de discussie op gang of militairen onder die condities naar het oorlogsgebied mochten worden gezonden.

Op 22 mei 1993 stemt de Kamer unaniem in met de motie Van Traa (PvdA)-Van Vlijmen (CDA) waarin de regering werd opgeroepen een gevechtseenheid naar Bosnië te sturen. Bevelhebber der Landstrijdkrachten H.A. Couzy had minister Ter Beek al eerder in overweging gegeven dat de opdracht op deze wijze niet adequaat kon worden uitgevoerd. Begin november vertrok minister Ter Beek met enige adviseurs (waaronder chef defensiestaf A. van der Vlis) en generaal Couzy naar voormalig Joegoslavië om zich persoonlijk van de situatie op de hoogte te stellen.

Deze reis was slecht voorbereid, waardoor de commandant van UNPROFOR en de UNPROFOR commandant van Bosnië, de Belgische generaal Briquemont afwezig waren. Eenheden van de 11 Luchtmobiele Brigade (met de naam van Dutchbat tijdens de uitzending) werden in het najaar van 1993 gereed gemaakt voor uitzending, middels oefen- en trainingsprogramma's. De bewapening zou onder meer bestaan uit zware .50 mitrailleurs en de praktische oefeningen vonden plaats op het Amerikaanse oefenterrein te Hohenfels, waar ook een oefendorp was nagebouwd. Vervolgens vertrok brigade-generaal J.W. Brinkman, commandant van de luchtmobiele brigade, met een verkenningsgroep naar het strijdgebied, waar hij Srebrenica en Žepa bezocht om mogelijke locaties voor Dutchbat te verkennen. Het standpunt inzake de missie van Minister ter Beek was, ondanks bezwaren van Couzy en Van der Vlis: dat hij een politieke overweging moest maken en dat hij, tenzij hij militaire argumenten hoorde waar hij beslist niet aan voorbij kon gaan, hij vond dat Nederland moest gaan.[2]

Uitzending[bewerken]

Kaart van het strijdverloop van de val van Srebrenica

Voor Dutchbat werd resolutie 836 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van kracht; krachtens dit mandaat werden de zogenaamde safe areas uitgebreid. Dat was gebeurd nadat de Franse generaal Philippe Morillon in april 1993 had geweigerd uit Srebrenica te vertrekken voordat de veiligheid van de vluchtelingen was gegarandeerd. Leden van de VN-vredesmacht kregen de opdracht aanvallen op de zogenaamde veilige gebieden (Srebrenica, Goražde, Žepa, Tuzla, Bihać en Sarajevo) af te weren door het treffen van alle benodigde maatregelen inclusief het gebruik van geweld, in antwoord op bombardementen, ongeacht door welke partij, dan wel in antwoord op gewapende invallen in die gebieden of in geval van moedwillige obstructie van de bewegingsvrijheid van UNPROFOR of van beschermde humanitaire konvooien. Minister Voorhoeve, opvolger van Minister ter Beek, was een voorstander van uitzending maar de chef defensiestaf, A. van der Vlis, was tegen in verband met alle belemmerende restricties die voor de VN-troepen golden.

Dutchbat I[bewerken]

Het 11de infanteriebataljon luchtmobiel vertrok eind januari, onder leiding van luitenant-kolonel Chr. Vermeulen naar Bosnië-Herzegovina; in Srebrenica zou een versterkte Canadese compagnie worden afgelost en in de enclave Žepa een Oekraïense. De bedoeling was dat het Nederlandse bataljon op drie plaatsen zou worden gelocaliseerd: de hoofdmacht te Srebrenica, een versterkte compagnie in Žepa en de logistieke ondersteuning in Lukavac. Commandant van UNPROFOR in Bosnië, de Britse generaal M. Rose, gaf Dutchbat de opdracht een Canadese troepenmacht in Screbrenica af te lossen en het bevel aan de A-compagnie om het vliegveld van Tuzla te beveiligen en operationeel te maken.

De enclave was op dat moment al omsingeld door Bosnisch-Servische troepen, voorzien van zware wapens en op strategische posities gelokaliseerd langs het dal waarin de hoofdplaatsen Screbrenica en Potočari lagen. De bevolking van de enclave bestond toen al uit 30.000-40.000 mensen. De Moslimstrijders (regeringsstrijdkrachten van de Bosniak-Kroatische republiek Bosnië-Hercegovina) waren binnen de enclave georganiseerd in vier brigades van 3.000-4.000 man. Zij waren licht bewapend maar hadden een paar mitrailleurs, antitankwapens en lichte mortieren. Deze eenheden waren nauwelijks geoefend en gedisciplineerd; zij ondernamen gewapende acties tegen de Bosnische Serviërs, waartegen Dutchbat niets vermocht. Dutchbat richtte observatieposten in, waardoor een deel van de enclavegrens geobserveerd kon worden. In de gebieden waar dat niet kon patrouilleerde Dutchbat per voertuig en te voet. Het probleem was dat wanneer strijders met wapens werden aangetroffen ze de vlucht konden nemen in huizen, die voor VN-soldaten verboden gebied waren.

Dutchbat II[bewerken]

Dutchbat I voerde zijn taak uit en werd in juni 1994 afgelost door het 12de infanteriebataljon luchtmobiel, onder leiding van luitenant-kolonel P. Everts. Nog steeds maakten Bosnische Serviërs de aanvoer van voedsel, brandstof en andere hulpmiddelen onmogelijk. In augustus 1994 raakte een viertal Nederlandse militairen gewond bij mijnincidenten.

Dutchbat III[bewerken]

YPR-765 pantservoertuig, eerder gebruikt door Dutchbat III troepen en na de val van de enclave Srebrenica buitgemaakt door de Bosnische Serviërs

Op 18 januari 1995 werd Dutchbat II afgelost door het 13de infanteriebatajon luchtmobiel, Dutchbat III, onder leiding van luitenant-kolonel Th. Karremans. Op 21 januari kondigde het moslimleger aan dat de bewegingsvrijheid van de VN-soldaten in de "Bandera-driehoek", aan de rand van de enclave, werd verboden. Inmiddels hadden Bosnisch-Servische troepen direct langs deze enclavegrens stellingen betrokken. Het bataljon negeerde dit verbod en ging op 27 januari met 3 patrouilles het gebied binnen; als gevolg hiervan werden tussen 27-31 januari ongeveer 100 militairen door moslimstrijders vastgehouden. Er volgden diverse incidenten, onder meer liep in februari een militair van Dutchbat op een mijn, waarbij hij zijn linkeronderbeen verloor. Vanaf 18 februari gaf het Bosnisch-Servische leger geen toestemming meer om brandstof naar de enclave te vervoeren, waardoor geen patrouilles per voertuig konden plaatsvinden en het onmogelijk werd moslimstrijders te ontwapenen. In maart werd de bevoorrading geblokkeerd en in april werd alle bevoorrading onmogelijk. Op 29 maart 1995 kwam de Nederlandse soldaat Jeffrey Broere om het leven toen Bosnische Serviërs een observatiepost beschoten. In mei 1995 stelde luitenant-kolonel Karremans vast dat het bataljon niet meer operationeel was en waarschuwde de Nederlandse regering tegen voortijdige ontruiming van de observatieposten als gevolg van de bevoorradingsblokkade.

De Nederlandse regering verzocht VN-commandant in Joegoslavië, generaal B. Janvier, om Srebrenica vanuit de lucht te bevoorraden, maar deze stelde de bevoegdheid te missen helikopters beschikbaar te stellen. Militair bezien was er weinig te doen tegen de Serviërs: de Nederlandse militairen zaten zonder dekking in het dal; op de heuveltoppen stonden Servische kanonnen en tanks opgesteld, die de fabriek, waarin Dutchbat gelegerd was, gemakkelijk konden platbombarderen. Luchtaanvallen waren verboden door de Verenigde Naties en luchtsteun mocht alleen worden aangevraagd als een VN-stelling direct werd aangevallen. Op 25 en 26 mei werden zogenaamde air strikes uitgevoerd; de Bosnisch Servische generaal R. Mladić nam als reactie hierop 400 VN-militairen, waaronder diverse Nederlanders, in gijzeling. Op 3 juni 1995 werd de Nederlandse observatiepost bij de grens van de enclave aangevallen en veroverd. Hiernaast werd elders met een antitankraket een Nederlands bevoorradingsvoertuig beschoten waarbij twee militairen zwaargewond raakten en één lichtgewond.

Dutchbat III te Potočari

In de nacht van 5 op 6 juli 1995 werd Srebrenica beschoten en braken er gevechten uit in het zuidoosten van de enclave; er vonden hevige gevechten plaats tussen Moslims en Serviërs. In het begin van de middag explodeerden 2 artilleriegranaten bij de Nederlandse observatiepost die de Servische stellingen aan de zuidoostrand moest observeren. Niet veel later werd de post zelf onder vuur genomen. Intussen was de toestand van Dutchbat steeds verder verslechterd: de watervoorziening was uitgevallen, de brandstofvoorraad uitgeput en er was gebrek aan munitie en reserveonderdelen. Op zaterdag 8 juli werd de observatiepost opnieuw aangevallen door Bosnische Serviërs en stortte een deel van de beschermswal in. De bemanning van de post werd ontwapend en kreeg toestemming naar Srebrenica-stad terug te keren; tijdens deze terugtocht werd soldaat eerste klasse Raviv van Renssen door een handgranaat, gegooid door een moslimstrijder, dodelijk getroffen en overleed te Potočari.

De observatieposten werden nu van twee kanten bedreigd, zowel door de aanvallende Serviërs als door de Moslimstrijders, die niet accepteerden dat de posten verlaten zouden worden. Op 9 juli bleven de gevechten tussen Moslims en Bosnische Serviërs aanhouden en werden er Nederlandse militairen door Serviërs ontwapend. De Verenigde Naties gaf Dutchbat opdracht om op 10 juli met YPR's een duidelijk zichtbare blocking position vlak bij de stad in te nemen; een aanval op deze postie zou als een ernstige schending worden opgevat. Voor de blocking position waren nog maar 60 militairen beschikbaar. Op 10 juli ondernamen de Serviërs de aanval op de blocking position en UNPROFOR gaf de opdracht deze af te slaan. Dat gebeurde, zonder dat er Nederlandse slachtoffers vielen. Op maandag 10 juli werd een ultimatum van de Bosnisch Serviërs ontvangen waarin stond dat Dutchbat 48 uur de tijd kreeg om vanaf de volgende dag 06.00 uur, samen met de bevolking, de enclave te verlaten, waarop luitenant-kolonel Karremans opnieuw luchtsteun aanvroeg, die hem vanaf 7 uur de volgende dag werd toegezegd. Er was echter een communicatiestoornis tussen het VN-sectorcommando in Tuzla en de VN-commandopost in Sarajevo, waardoor de luchtsteun niet op tijd plaatsvond. Inmiddels rukten de Servische tanks op maar schoten nog niet op de VN-stellingen tot 12.00 uur, toen de B-compagnie onder vuur werd genomen. Om 12.30 uur werd toestemming gegeven voor Close Air Support en om half drie schakelden twee Nederlandse F16's twee Servische tanks uit. Tussen 12.00 en 14.00 uur werden de Nederlandse troepen en de Moslimstrijders gedwongen hun stellingen op te geven. In de compound van de B-compagnie, waar 4.000-5.000 vluchtelingen zich verzameld hadden ter evacuatie naar Potočari, explodeerden granaten. Op dat moment was ook de evacuatie van de rest van de bevolking en de Moslimstrijders al begonnen.

Dutchbat III te Potočari
Nuvola single chevron right.svg Zie ook Val van Srebrenica voor het hoofdartikel over de val van de enclave

Vanaf nu werden huizen in brand gestoken, trokken grote troepen vluchtelingen weg en werden duizenden mensen vermoord. Ondanks protesten van luitenant-kolonel Karremans traden Bosnische Serviërs op als begeleiders van de vluchtelingen. Mannen en vrouwen werden door de Bosnisch Servische troepen van Mladić gescheiden, de mannen werden vermoord. Kapitein Rutten van Dutchbat maakt daar foto's van maar die mislukten door een fout bij het ontwikkelen later in Nederland bij de Militaire Inlichtingendienst. Op zaterdag 15 juli werd bericht dat de vijftig militairen, vasthouden sinds de verovering van de observatieposten, werden vrijgelaten door de Bosnische Serviërs en naar Zagreb werden overgevlogen. Op vrijdag 21 juli werden de laatste militairen die nog vastgehouden waren vrijgelaten. Nadat Srebrenica was gevallen onderhandelde luitenant-kolonel Karremans met R. Mladić over de evacuatie van de gewonden in de verbandplaats.

Mladić buit dit moment publicitair uit door Karremans en zijn gevolg plotseling een glas met drank in de hand te drukken waarna een door Mladić meegebrachte televisieploeg daar opnamen van maakte. Deze opnamen gingen de hele wereld over. De Nederlandse troepen trokken in een colonne weg naar Zagreb, waarbij Mladić aan Karremans enkele geschenken overhandigde. De feestelijke ontvangst van de Nederlanders in Zagreb en de uitspraken van Karremans op de persconferentie waarin hij zijn bewondering voor de militaire operatie van Mladić uitsprak zorgden in Nederland voor beroering. Op 24 juli keerden alle militairen van Dutchbat III terug op Vliegbasis Soesterberg. Een infanteriecompagnie van het regiment Limburgse Jagers, die eigenlijke een onderdeel had zullen zijn van Dutchbat IV (de geplande aflossing), begon op 21 juli in Simin Han en hielp daar met het opvangen van de vluchtelingen. In november 1995 werden zij afgelost door een Zweedse eenheid, waarmee een einde kwam aan de inzet van Nederlandse infanterie in het kader van UNPROFOR.

Nasleep[bewerken]

De val van de moslimenclave had grote invloed op de publieke opinie in Nederland. Er werd een officieel onderzoek ingesteld door het NIOD, dat zeven jaar duurde. Het resultaat werd gepubliceerd op 10 april 2002. Binnen zes dagen na de publicatie bood premier Kok het ontslag van de regering aan. Het rapport was 3.400 bladzijden dik en leverde zware kritiek op de politieke- en hogere militaire leiding. De conclusies waren:

Op 4 december 2006 werd aan militairen van Dutchbat III het Draaginsigne Dutchbat III uitgereikt door minister Henk Kamp van Defensie. Het draaginsigne was een erkenning, geen beloning, voor de militairen die sinds de val van de enclave zeer negatief in het nieuws kwamen. De toekenning van het insigne gaf aanleiding tot de nodige kritiek, onder andere van nabestaanden van de Srebrenica slachtoffers. Op 11 november 2010 werd de vereniging Dutchbat III opgericht ter ondersteuning van veteranen van Dutchbat III.

In de jaren 2003, 2005 en 2006 werden meerdere terugreizen ondernomen en contacten gelegd met de lokale bevolking. Dat verliep zonder problemen. Ook ondernamen individuele leden van Dutchbat reizen naar de plaats van gebeurtenis in 1995: Srebrenica, Potočari en Simin Han. Daarnaast werden diverse projecten door hen gestart, zoals het opknappen van openbare instellingen door veteranen. Dit gebeurde op eigen initiatief en op eigen kosten van de veteranen.

Generaal H. Couzy schreef in het boek Mijn jaren als bevelhebber een stuk over de verrichtingen van Dutchbat in Joegoslavië.[3] Luitenant-kolonel Th. Karremans schreef over zijn verrichtingen in 1998 het boekje Srebrenica. Who cares?[4]

Zie ook[bewerken]

Meer lezen[bewerken]

  • 1997. F. Westerman en B. Rijs. Srebrenica, het zwartste scenario. Atlas ISBN 9025422012.
  • 2002. Srebrenica, een veilig gebied - Hoofdrapport. Reconstructie, achtergronden, gevolgen en analyses van een Safe Area. Boom.
  • 2004. B. Schoenmaker en H. Roozenbeek. Vredesmacht in Libanon. De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985. Boom in samenwerking met het Instituut voor Militaire Geschiedenis. ISBN 9053529861.
  • 2005. H. Praamsma, J. Peekel en T. Bouwmans. Herinneringen aan Srebrenica. 171 soldatengesprekken. Prometheus. ISBN 903512863X

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De gedachte hierachter was om een aantal gebieden, waar grote aantallen moslimvluchtelingen waren geconcentreerd, door troepen van de Verenigde Naties te laten beveiligen. Srebrenica werd in april door de Veiligheidsraad aangewezen als eerste veilige gebied. Enkele weken later kregen ook Sarajevo, Tuzla, Bihac, Gorazde en Zepa die status
  2. 1996. A. Couzy. Bladzijde 143
  3. H. Couzy. Mijn jaren als bevelhebber. uitgeverij L.J. Veen, ISBN 9025408397
  4. Th. Karremans. Srebrenica. Who cares? Een puzzle van de werkelijkheid. Paperback, ISBN 9072047540
  • 1997. F. Westerman en B. Rijs. Srebrenica, het zwartste scenario. Atlas ISBN 9025422012.
  • 2005. Ch. Klep en R. van Gils.Van Korea tot Kabul, De Nederlandse militaire deelname aan vredesoperaties sinds 1945 Uitg. Nederlands Instituut voor Militaire Historie/Sdu Uitgevers. ISBN 9012109159